Home

Arrest van het Hof (Tweede kamer) van 1 augustus 2025

Arrest van het Hof (Tweede kamer) van 1 augustus 2025

Gegevens

Instantie
Hof van Justitie EU
Datum uitspraak
1 augustus 2025

Uitspraak

Arrest van het Hof (Tweede kamer)

1 augustus 2025(*)

"„Prejudiciële verwijzing - Rechtsstaat - Daadwerkelijke rechtsbescherming op de onder het recht van de Unie vallende gebieden - Artikel 19, lid 1, tweede alinea, VEU - Beginselen van onafzetbaarheid en onafhankelijkheid van rechters - Aanwijzing van een rechter van een hoogste rechterlijke instantie om voor bepaalde tijd zitting te nemen in een andere kamer van die rechterlijke instantie zonder zijn instemming - Voorrang van het Unierecht - Overheidsopdrachten - Richtlijn 2004/17/EG - Procedures voor het plaatsen van opdrachten - Toepassing op een overeenkomst inzake de overdracht van eigendomsrechten op certificaten van oorsprong inzake groene stroom - Richtlijn 92/13/EEG - Artikel 2 quinquies, lid 1 - Beroepsprocedures inzake het plaatsen van overheidsopdrachten - Onverbindendheid van de overeenkomst - Aanbestedende dienst die verzoekt om nietigverklaring van een in strijd met de voorschriften inzake overheidsopdrachten gesloten overeenkomst - Rechtsmisbruik - Geen”"

In de gevoegde zaken C‑422/23, C‑455/23, C‑459/23, C‑486/23 en C‑493/23 [Daka](2),

betreffende vijf verzoeken om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de Sąd Najwyższy (hoogste rechter in burgerlijke en strafzaken, Polen) bij beslissingen van 3 en 21 april 2023 en 13 juni 2023, ingekomen bij het Hof op 10, 20, 21 en 31 juli 2023 en 3 augustus 2023, in de procedures

T.B.

tegen

C.B.,

in tegenwoordigheid van:

D.B. (C‑422/23),

en

G.T.

tegen

T. S.A. (C‑455/23),

en

E. S.A.

tegen

W. sp. z o.o.,

Bank S.A. (C‑459/23),

en

S. sp. z o.o.

tegen

V. sp. z o.o. (C‑486/23),

en

Miasto W.

tegen

M.T.,

E.T.,

A.W. (C‑493/23),

in tegenwoordigheid van:

Prokurator Prokuratury Okręgowej Warszawa-Praga w Warszawie,

HET HOF (Tweede kamer),

samengesteld als volgt: K. Jürimäe (rapporteur), kamerpresident, K. Lenaerts, president van het Hof, waarnemend rechter van de Tweede kamer, M. Gavalec, Z. Csehi en M. Condinanzi, rechters,

advocaat-generaal: T. Ćapeta,

griffier: M. Siekierzyńska, administrateur,

gezien de stukken en na de terechtzitting op 8 januari 2025, gelet op de opmerkingen van:

  • E. S.A., vertegenwoordigd door P. Łącki, adwokat,

  • Prokuratura Okręgowa Warszawa-Praga w Warszawie, vertegenwoordigd door D. Winiarek, Zastępca Prokuratora Okręgowego Warszawa-Praga w Warszawie,

  • de Poolse regering, vertegenwoordigd door A. Bodnar, B. Majczyna, M. Rzotkiewicz, M. Taborowski en S. Żyrek als gemachtigden,

  • de Europese Commissie, vertegenwoordigd door K. Herrmann, P. J. O. Van Nuffel en G. Wils als gemachtigden,

gelet op de beslissing, de advocaat-generaal gehoord, om de zaak zonder conclusie te berechten,

het navolgende

Arrest

1 De verzoeken om een prejudiciële beslissing betreffen de uitlegging van artikel 19, lid 1, tweede alinea, VEU, gelezen in samenhang met artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: „Handvest”) (zaken C‑422/23, C‑455/23, C‑459/23, C‑486/23 en C‑493/23), van het beginsel van voorrang van het Unierecht (zaken C‑455/23, C‑459/23 en C‑486/23), van artikel 1, lid 2, onder c), en lid 4, artikel 2, lid 1, onder b), artikel 3, lid 3, onder b), artikel 14, artikel 16, onder a), en artikel 20 van richtlijn 2004/17/EG van het Europees Parlement en de Raad van 31 maart 2004 houdende coördinatie van de procedures voor het plaatsen van opdrachten in de sectoren water- en energievoorziening, vervoer en postdiensten (PB 2004, L 134, blz. 1), zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 1177/2009 van de Commissie van 30 november 2009 (PB 2009, L 314, blz. 64) (hierna: „richtlijn 2004/17”), alsook de uitlegging van artikel 2 quinquies, lid 1, onder a), van richtlijn 92/13/EEG van de Raad van 25 februari 1992 tot coördinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende de toepassing van de communautaire voorschriften inzake de procedures voor het plaatsen van opdrachten door diensten die werkzaam zijn in de sectoren water- en energievoorziening, vervoer en telecommunicatie (PB 1992, L 76, blz. 14), zoals gewijzigd bij richtlijn 2007/66/EG van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2007 (PB 2007, L 335, blz. 31) (hierna: „richtlijn 92/13”), en van het algemene verbod van rechtsmisbruik (zaak C‑459/23).

2 Deze verzoeken zijn ingediend in het kader van vijf gedingen tussen, respectievelijk, T.B. en C.B. over de verdeling van een gemeenschap en een nalatenschap (zaak C‑422/23), G.T. en T. S.A. over de vrijgave van een zekerheid en de uitwinning van aandelen in handen van een vennootschap (zaak C‑455/23), E. S.A. (hierna: „vennootschap E.”) enerzijds en W. sp. z o.o. (hierna: „vennootschap W.”) en Bank S.A. anderzijds over de juridische non-existentie van een contractuele band (zaak C‑459/23), S. sp. z o.o. en V. sp. z o.o. over een betalingsverzoek (zaak C‑486/23) alsook Miasto W. enerzijds en M.T., E.T. en A.W. anderzijds over een verplichting om een wilsverklaring af te leggen (zaak C‑493/23).

Toepasselijke bepalingen

Unierecht

Richtlijn 2003/88

3 Artikel 6, onder b), van richtlijn 2003/88/EG van het Europees Parlement en de Raad van 4 november 2003 betreffende een aantal aspecten van de organisatie van de arbeidstijd (PB 2003, L 299, blz. 9) bepaalt:

„De lidstaten treffen de nodige maatregelen opdat in verband met de noodzakelijke bescherming van de veiligheid en de gezondheid van de werknemers:

[...]

  1. de gemiddelde arbeidstijd in elk tijdvak van zeven dagen, inclusief overwerk, niet meer dan achtenveertig uren bedraagt.”

Richtlijn 92/13

4 Artikel 2 quinquies, lid 1, onder a), van richtlijn 92/13 luidt als volgt:

„1.

De lidstaten zorgen ervoor dat een overeenkomst door een beroepsinstantie die onafhankelijk is van de aanbestedende dienst onverbindend wordt verklaard of dat de onverbindendheid van de overeenkomst het gevolg is van een besluit van een onafhankelijke beroepsinstantie, in de volgende gevallen:

  1. indien de aanbestedende dienst een opdracht heeft gegund zonder voorafgaande bekendmaking van een aankondiging in het Publicatieblad van de Europese Unie, zonder dat dit op grond van richtlijn [2004/17] is toegestaan;

[...]

2.

De gevolgen van de onverbindendheid van een overeenkomst worden bepaald door het nationaal recht.

Het nationaal recht kan voorzien in de vernietiging met terugwerkende kracht van alle contractuele verbintenissen of in een beperking van de werking van de nietigverklaring tot verbintenissen die nog uitgevoerd moeten worden. In dat laatste geval voorzien de lidstaten in de toepassing van andere sancties in de zin van artikel 2 sexies, lid 2.”

5 Artikel 2 quinquies, lid 1, onder a), en lid 2, van richtlijn 92/13 is bij richtlijn 2007/66 in richtlijn 92/13 ingevoegd. De overwegingen 2, 13, 14 en 20 van richtlijn 2007/66 luiden:

„(2) [...] Overeenkomstig de arresten van het Hof [...] dienen de lidstaten ervoor te zorgen dat doeltreffende en snelle rechtsmiddelen ter beschikking staan tegen de besluiten van de aanbestedende diensten over de vraag of een bepaalde opdracht binnen de personele of materiële werkingssfeer van richtlijn 2004/18/EG [van het Europees Parlement en de Raad van 31 maart 2004 betreffende de coördinatie van de procedures voor het plaatsen van overheidsopdrachten voor werken, leveringen en diensten (PB 2004, L 134, blz. 114),] en richtlijn [2004/17] valt.

[...]

(13) Ter bestrijding van de onwettige onderhandse gunning van opdrachten, die het Hof [...] als een zeer ernstige schending van het communautaire aanbestedingsrecht door een aanbestedende dienst heeft gekwalificeerd, dient in doeltreffende, evenredige en afschrikwekkende sancties te worden voorzien. Door onwettige onderhandse gunning tot stand gekomen overeenkomsten moeten derhalve in beginsel als onverbindend worden beschouwd. Een overeenkomst behoort niet automatisch onverbindend te worden, doch dient door een onafhankelijke beroepsinstantie onverbindend te worden verklaard of het gevolg te zijn van een besluit van een onafhankelijke beroepsinstantie.

(14) Onverbindendheid is de meest doeltreffende manier om de mededinging te herstellen en nieuwe zakelijke kansen te creëren voor bedrijven waaraan op een onwettige manier de mogelijkheid tot mededinging is ontnomen. Onderhandse gunning in de zin van deze richtlijn dient alle gunningen te omvatten van opdrachten zonder voorafgaande bekendmaking van een aankondiging van de opdracht in het Publicatieblad van de Europese Unie in de zin van richtlijn [2004/18]. Dit komt overeen met een procedure zonder voorafgaande oproep tot mededinging in de zin van richtlijn [2004/17].

[...]

(20) Deze richtlijn mag de toepassing van strengere sancties overeenkomstig het nationaal recht niet uitsluiten.”

Richtlijn 2004/17

6 De overwegingen 2, 3 en 9 van richtlijn 2004/17 luidden als volgt:

„(2) Een belangrijke reden voor de invoering van regels houdende coördinatie van de procedures voor het plaatsen van opdrachten in deze sectoren is het feit dat de nationale overheid op velerlei wijze invloed op het gedrag van deze diensten kan uitoefenen, [...].

(3) Een andere belangrijke reden waarom een coördinatie van de procedures voor het plaatsen van opdrachten door de in deze sectoren werkzame diensten noodzakelijk is, is gelegen in het gesloten karakter van de markten waarop zij werkzaam zijn [...].

[...]

(9) Om de openstelling voor mededinging te garanderen van overheidsopdrachten die gegund zijn door diensten die werkzaam zijn in de sectoren water- en energievoorziening, vervoer en postdiensten, is het raadzaam om voor opdrachten boven een bepaalde waarde bepalingen voor coördinatie door de Gemeenschap op te stellen. [...]”

7 Artikel 1 van deze richtlijn bepaalde:

„1.

Voor de toepassing van deze richtlijn gelden de definities in dit artikel.

2.

[...]

  1. ‚Opdrachten voor leveringen’ zijn andere dan de onder b) bedoelde opdrachten, welke betrekking hebben op het kopen, leasen, huren of huurkopen met of zonder koopoptie, van producten.

    Een opdracht die betrekking heeft op de levering van producten en in bijkomende orde op de werkzaamheden voor het aanbrengen en installeren, wordt als een ‚opdracht voor leveringen’ beschouwd.

[...]

4.

Een ‚raamovereenkomst’ is een overeenkomst tussen een of meer van de in artikel 2, lid 2, bedoelde aanbestedende diensten en een of meer ondernemers met het doel gedurende een bepaalde periode de voorwaarden inzake te plaatsen opdrachten vast te leggen, met name wat betreft de prijs en eventueel de beoogde hoeveelheid.”

8 Artikel 2, leden 1 en 2, van die richtlijn luidde:

„1.

In de zin van deze richtlijn wordt verstaan onder:

[...]

  1. ‚overheidsbedrijf’: bedrijf waarop aanbestedende diensten rechtstreeks of middellijk een overheersende invloed kunnen uitoefenen uit hoofde van eigendom, financiële deelneming of de op het bedrijf van toepassing zijnde voorschriften.

    Een overheersende invloed wordt vermoed aanwezig te zijn, wanneer de aanbestedende diensten, al dan niet rechtstreeks, ten aanzien van een bedrijf:

    • de meerderheid van het geplaatste kapitaal van de onderneming bezitten, [...]

[...]

2.

Deze richtlijn geldt voor de aanbestedende diensten die:

  1. overheidsdiensten of overheidsbedrijven zijn en die een van de in de artikelen 3 tot en met 7 bedoelde activiteiten uitoefenen;

[...]”

9 Artikel 3, lid 3, van deze richtlijn bepaalde:

„Met betrekking tot elektriciteit is deze richtlijn van toepassing op de volgende activiteiten:

  1. de beschikbaarstelling of exploitatie van vaste netten bestemd voor openbare dienstverlening op het gebied van de productie, het vervoer of de distributie van elektriciteit of

  2. de elektriciteitstoevoer naar deze netten.”

10 Artikel 14 van richtlijn 2004/17 luidde:

„1.

De aanbestedende diensten kunnen een raamovereenkomst als een opdracht in de zin van artikel 1, lid 2, beschouwen en kunnen deze overeenkomstig de bepalingen van deze richtlijn gunnen.

2.

Wanneer de aanbestedende diensten een raamovereenkomst hebben gesloten overeenkomstig het bepaalde in deze richtlijn, kunnen zij bij het plaatsen van op deze overeenkomst gebaseerde opdrachten van artikel 40, lid 3, onder i), gebruikmaken.

3.

Wanneer een raamovereenkomst niet overeenkomstig het bepaalde in deze richtlijn is gesloten, mogen de aanbestedende diensten geen gebruik maken van artikel 40, lid 3, onder i).

4.

De aanbestedende diensten mogen geen oneigenlijk gebruik maken van raamovereenkomsten, met als gevolg dat de mededinging zou worden verhinderd, beperkt of vervalst.”

11 Artikel 16, onder a), van die richtlijn luidde als volgt:

„Deze richtlijn is van toepassing op opdrachten die niet op grond van de in de artikelen 19 tot en met 26 bedoelde uitsluitingen of een uit hoofde van artikel 30 genomen besluit zijn uitgesloten, en waarvan de geraamde waarde exclusief belasting over de toegevoegde waarde (btw) gelijk is aan of groter dan de volgende drempelbedragen:

  1. 387 000 EUR voor opdrachten voor leveringen en voor diensten”.

12 Artikel 17 van die richtlijn bepaalde:

„1.

De berekening van de geraamde waarde van een opdracht is gebaseerd op het totale bedrag, exclusief btw, zoals geraamd door de aanbestedende dienst. Bij deze berekening wordt rekening gehouden met het geraamde totaalbedrag, met inbegrip van de eventuele opties en eventuele verlengingen van de overeenkomst.

[...]

2.

De aanbestedende diensten mogen de toepassing van deze richtlijn niet omzeilen door voorgenomen werken of voorgenomen aankopen ter verkrijging van bepaalde hoeveelheden leveringen en/of diensten te splitsen of bijzondere regels te gebruiken voor de berekening van de geraamde waarde van de opdrachten.

3.

Bij de berekening van de geraamde waarde van een raamovereenkomst of een dynamisch aankoopsysteem moet worden uitgegaan van de geraamde maximale waarde, exclusief btw, van alle voor de totale duur van de overeenkomst voorgenomen opdrachten.

[...]

7.

In het geval van opdrachten voor leveringen of diensten die met een zekere regelmaat worden verleend of die bestemd zijn om gedurende een bepaalde periode te worden hernieuwd, moet voor de berekening van de geraamde waarde van de opdracht de volgende grondslag worden genomen:

  1. de totale reële waarde van de tijdens het voorafgaande boekjaar of tijdens de voorafgaande twaalf maanden geplaatste soortgelijke opeenvolgende opdrachten, indien mogelijk gecorrigeerd voor verwachte wijzigingen in hoeveelheid of waarde gedurende de twaalf maanden volgende op de eerste opdracht, of

  2. de geraamde totale waarde van de opeenvolgende opdrachten over de twaalf maanden volgende op de eerste levering of over het boekjaar, indien dit zich over meer dan twaalf maanden uitstrekt.”

13 Artikel 20, lid 1, van die richtlijn luidde:

„Deze richtlijn is niet van toepassing op opdrachten die de aanbestedende diensten plaatsen voor andere doeleinden dan de uitoefening van hun in de artikelen 3 tot en met 7 bedoelde activiteiten of voor de uitoefening van deze activiteiten in een derde land, in omstandigheden waarbij er geen fysieke exploitatie is van een net of van een geografisch gebied binnen de [Europese] Gemeenschap.”

14 Artikel 40, lid 3, onder i), van richtlijn 2004/17 bepaalde het volgende:

„De aanbestedende diensten kunnen in de volgende gevallen van een procedure zonder voorafgaande oproep tot mededinging gebruikmaken:

[...]

  1. voor opdrachten die op basis van een raamovereenkomst moeten worden geplaatst, voor zover aan de in artikel 14, lid 2, genoemde voorwaarde is voldaan”.

Richtlijn 2014/25

15 Overweging 23 van richtlijn 2014/25/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 februari 2014 betreffende het plaatsen van opdrachten in de sectoren water- en energievoorziening, vervoer en postdiensten en houdende intrekking van richtlijn 2004/17/EG (PB 2014, L 94, blz. 243) luidt als volgt:

„Zonder het toepassingsgebied van deze richtlijn ook maar enigszins uit te breiden, moet duidelijk worden bepaald dat, wanneer in deze richtlijn wordt verwezen naar de levering van elektriciteit, ook de productie, groothandelsverkoop en de detailhandelsverkoop van elektriciteit worden bedoeld.”

16 Artikel 7, eerste alinea, van deze richtlijn bepaalt:

„Voor de toepassing van de artikelen 8, 9 en 10, omvat toevoer opwekking/productie en groothandel en kleinhandel.”

17 Artikel 9, lid 1, van die richtlijn luidt:

„Met betrekking tot elektriciteit is deze richtlijn van toepassing op de volgende activiteiten:

  1. de beschikbaarstelling of exploitatie van vaste netten bestemd voor openbare dienstverlening op het gebied van de productie, het vervoer of de distributie van elektriciteit;

  2. de elektriciteitstoevoer naar deze netten.”

Richtlijn 2009/28

18 Artikel 2, tweede alinea, onder k) en l), van richtlijn 2009/28/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2009 ter bevordering van het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen en houdende wijziging en intrekking van richtlijn 2001/77/EG en richtlijn 2003/30/EG (PB 2009, L 140, blz. 16) bevatte de volgende definities:

  • ‚steunregeling’: een instrument, regeling of mechanisme, toegepast door een lidstaat of een groep lidstaten, die het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen bevordert door de kosten van deze energievorm te verlagen, de verkoopprijs te verhogen of het volume aangekochte energie te vergroten door een verplichting tot het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen of op een andere wijze. Dit omvat, maar blijft niet beperkt tot, investeringssteun, belastingvrijstelling of -verlaging, terugbetaling van belasting, steunregelingen voor verplichting tot gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen met inbegrip van regelingen betreffende groenestroomcertificaten, en directe prijssteunregelingen met inbegrip van feed-in-tarieven en premiebetalingen;

  • ‚verplichting tot het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen’: een nationale steunregeling waarbij energieproducenten worden verplicht een bepaald aandeel energie uit hernieuwbare bronnen in hun productie op te nemen, energieleveranciers worden verplicht een bepaald aandeel energie uit hernieuwbare bronnen in de levering op te nemen of energieconsumenten worden verplicht een bepaald gedeelte van hun energieverbruik uit hernieuwbare bronnen te halen. Inbegrepen zijn regelingen waarbij middels het gebruik van groenestroomcertificaten aan deze eisen kan worden voldaan”.

Pools recht

Wet inzake de Sąd Najwyższy

19 Artikel 23 van de ustawa o Sądzie Najwyższym (wet inzake de Sąd Najwyższy) van 8 december 2017 (Dz. U. van 2018, volgnr. 5), zoals gewijzigd (Dz. U. van 2021, volgnr. 1904), in de versie zoals van toepassing ten tijde van de hoofdgedingen (hierna: „wet inzake de Sąd Najwyższy”):

„De civiele kamer is bevoegd om kennis te nemen van zaken op het gebied van burgerlijk recht, handelsrecht, intellectuele-eigendomsrecht, familierecht en voogdij, alsmede van zaken betreffende de registratie van ondernemingen en de inschrijving van zekerheden.”

20 Artikel 25 van deze wet bepaalt:

„De kamer voor arbeids- en socialezekerheidszaken is bevoegd om kennis te nemen van zaken op het gebied van arbeids- en socialezekerheidsrecht.”

21 Artikel 35, lid 3, van deze wet luidt als volgt:

„Een rechter kan door de president van de Sąd Najwyższy worden aangewezen om deel te nemen aan de behandeling van een bepaalde zaak in een andere kamer en, met zijn instemming, om gedurende een bepaalde periode zitting te nemen in een andere kamer. Een rechter kan zonder zijn instemming voor een periode van ten hoogste zes maanden per jaar worden aangewezen om zitting te nemen in een andere kamer. Na afloop van de periode waarvoor de rechter is aangewezen om zitting te nemen in een andere kamer, behandelt de betrokken rechter de zaken die hem in die kamer zijn toegewezen totdat zij zijn afgedaan.”

Wet inzake overheidsopdrachten

22 Artikel 132, lid 1, van de ustawa – Prawo zamówień publicznych (wet inzake overheidsopdrachten) van 29 januari 2004 (Dz. U. nr. 19, volgnr. 177), in de versie die van toepassing is op het hoofdgeding in zaak C‑459/23, bepaalde:

„De bepalingen van dit hoofdstuk zijn van toepassing op opdrachten die worden geplaatst door de in artikel 3, lid 1, punt 3, bedoelde aanbestedende diensten en hun verenigingen, en door de aanbestedende diensten bedoeld in artikel 3, lid 1, punt 4, [...] onder voorbehoud van artikel 3, lid 1, punt 5, wanneer de opdracht wordt geplaatst met het oog op de uitoefening van een van de volgende activiteiten:

[...]

  1. het opzetten van netten voor het verrichten van openbare diensten in verband met de productie, het vervoer of de distributie van elektriciteit, gas of verwarming, of de levering van elektriciteit, gas of verwarming aan deze netten, of het beheer van deze netten”.

23 Artikel 146 van deze wet, in de versie die van toepassing is op het hoofdgeding in zaak C‑459/23, luidde:

„1.

De overeenkomst moet worden vernietigd indien de aanbestedende dienst:

[...]

2) geen aankondiging van opdracht heeft gepubliceerd in de Biuletyn Zamówień Publicznych [bulletin inzake overheidsopdrachten] of geen aankondiging van een opdracht heeft toegezonden aan het Bureau voor publicaties [van de Europese Unie];

[...]

4.

Om de in de leden 1 en 6 genoemde redenen kan op grond van artikel 189 van de ustawa – Kodeks postępowania cywilnego [(wet houdende het wetboek van burgerlijke rechtsvordering) van 17 november 1964 (Dz. U. nr. 43, volgnr. 296), zoals gewijzigd] geen nietigverklaring van een overeenkomst worden gevorderd.”

Hoofdgedingen en prejudiciële vragen

Omstandigheden en vragen die alle zaken gemeen hebben

24 Bij de civiele kamer van de Sąd Najwyższy (hoogste rechter in burgerlijke en strafzaken) (hierna: „civiele kamer”), de verwijzende rechter, zijn vijf beroepen in cassatie aanhangig.

25 De president van de civiele kamer heeft bij beschikkingen uit drie rechters bestaande kamers aangewezen die elk over een van deze vijf zaken moeten beslissen, en heeft voor elke zaak een rechter-rapporteur aangewezen.

26 Elk van de aldus aangewezen kamers van drie rechters bestaat uit een rechter van de civiele kamer en uit twee rechters uit de kamer voor arbeids- en socialezekerheidszaken van de Sąd Najwyższy. Deze twee rechters zijn bij beschikkingen van de president van deze rechterlijke instantie op grond van artikel 35, lid 3, van de wet inzake de Sąd Najwyższy aangewezen om voor een periode van drie maanden, van 1 april tot en met 30 juni 2023, zitting te nemen in de civiele kamer. In drie van die vijf zaken ging de aanwijzing van deze rechters gepaard met een wijziging van de rechter-rapporteur, ten gunste van sommige van de aldus aangewezen rechters.

27 De verwijzende rechter heeft vanwege verschillende omstandigheden twijfels over de onafhankelijkheid en onpartijdigheid van de aldus gevormde rechtsprekende formaties.

28 Ten eerste benadrukt deze rechter dat de betrokken rechters zijn aangewezen om voor een bepaalde periode zitting te nemen in de civiele kamer zonder dat zij daarmee hebben ingestemd. Zij zijn zelfs niet vooraf geraadpleegd.

29 Ten tweede merkt de verwijzende rechter op dat de aanwijzing van deze rechters niet gemotiveerd is. Onder verwijzing naar in de pers vermelde redenen voor het feit dat een groot aantal rechters is aangewezen om voor bepaalde tijd zitting te nemen in de civiele kamer, preciseert hij dat de werklast en de grote achterstand van deze kamer te wijten zijn aan het recente beheer ervan en een dergelijke aanwijzing niet kan rechtvaardigen.

30 Ten derde genieten de aangewezen rechters naar Pools recht geen rechterlijke bescherming. Een beslissing waarbij een rechter wordt aangewezen om voor bepaalde tijd zitting te nemen in een andere kamer kan namelijk enkel opnieuw worden onderzocht door de Krajowa Rada Sądownictwa (nationale raad voor de rechtspraak, Polen). Dit heronderzoek vormt, gelet op de huidige samenstelling van die raad, geen beroepsweg bij een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat bij wet is ingesteld.

31 In dit verband trekt de verwijzende rechter een parallel tussen de aanwijzing van een rechter om voor bepaalde tijd zonder zijn instemming zitting te nemen in een andere kamer dan die waaraan hij is toegewezen, en maatregelen tot onvrijwillige overplaatsing van een rechter. Het Hof heeft in punt 118 van het arrest van 6 oktober 2021, W.Ż. (Kamer voor bijzondere controle en publieke zaken van de Sąd Najwyższy – Benoeming) (C‑487/19, EU:C:2021:798 ), evenwel geoordeeld dat dergelijke maatregelen tot onvrijwillige overplaatsing afbreuk kunnen doen aan de beginselen van onafzetbaarheid en onafhankelijkheid van rechters en dat zij vatbaar moeten zijn voor rechterlijke toetsing.

32 Ten vierde is zowel de president van de civiele kamer als de president van de Sąd Najwyższy, die de in het hoofdgeding aan de orde zijnde beschikkingen heeft vastgesteld, benoemd tot rechter bij de Sąd Najwyższy in dezelfde onregelmatige omstandigheden als het Hof heeft onderzocht in de zaak die heeft geleid tot het arrest van 6 oktober 2021, W.Ż. (Kamer voor bijzondere controle en publieke zaken van de Sąd Najwyższy – Benoeming) (C‑487/19, EU:C:2021:798 ). Gerechtelijke procedures waaraan dergelijke personen deelnemen, zijn ongeldig omdat zij in strijd zijn met het recht van de justitiabelen op een eerlijk proces.

33 Ten vijfde zijn de rechters die zijn aangewezen om voor bepaalde tijd zitting te nemen in de civiele kamer, niet vrijgesteld van de uitoefening van hun rechterlijke werkzaamheden in hun eigen kamer. Zij worden dus met een dubbele werklast geconfronteerd.

34 Om te beginnen bestaat er voor deze dubbele werklast geen rechtsgrondslag in het Poolse recht. Artikel 35, lid 3, van de wet inzake de Sąd Najwyższy staat een aanwijzing van een rechter om zitting te nemen in een andere kamer zonder zijn instemming namelijk alleen toe voor een specifieke zaak of voor een beperkte periode. In dat laatste geval mag de betrokken rechter slechts deel uitmaken van die andere kamer en niet tegelijkertijd van die kamer en van zijn eigen kamer.

35 Vervolgens levert die dubbele werklast problemen op met betrekking tot de kwaliteit van de rechtspleging, gelet op de inhoudelijke specialisatie van de rechters van de Sąd Najwyższy die noodzakelijk is voor de goede werking ervan. Indien een rechter wordt aangewezen om zitting te nemen in een andere kamer, leidt dat ertoe dat die rechter uitspraak doet op rechtsgebieden waarin hij niet gespecialiseerd is.

36 Ten slotte merkt de verwijzende rechter in een aantal van zijn verzoeken om een prejudiciële beslissing op dat die dubbele werklast in strijd kan zijn met artikel 6, onder b), van richtlijn 2003/88. Volgens hem kan niet worden aanvaard dat de president van een rechterlijke instantie over een discretionaire bevoegdheid beschikt op grond waarvan hij een rechter zonder enig overleg extra taken kan toewijzen, en dat zelfs indien de toewijzing van deze taken ertoe leidt dat de Europese en nationale normen inzake maximale arbeidstijd worden overschreden.

37 Gelet op een en ander betwijfelt de verwijzende rechter of de rechtsprekende formaties die uitspraak moeten doen over de vijf cassatieberoepen verenigbaar zijn met de vereisten van artikel 19, lid 1, tweede alinea, VEU, gelezen in samenhang met artikel 47 van het Handvest. In de zaken C‑455/23, C‑459/23 en C‑486/23 vraagt hij zich voorts af of deze rechtsprekende formaties moeten weigeren uitspraak te doen ingeval zij onverenigbaar zijn met het Unierecht.

38 In die omstandigheden heeft de Sąd Najwyższy de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen in de zaken C‑422/23 en C‑493/23:

  • Moet artikel 19, lid 1, tweede alinea, VEU, gelezen in samenhang met artikel 47 van het [Handvest], in een situatie waarin een bepaling van nationaal recht de mogelijkheid biedt om een rechter van een nationale rechterlijke instantie in laatste aanleg (een rechter van de Sąd Najwyższy) bij een discretionair besluit van de president van deze rechterlijke instantie (president van de Sąd Najwyższy) zonder zijn instemming aan te wijzen om voor een bepaalde periode in een jaar zitting te nemen in een andere kamer van die rechterlijke instantie dan die waarin hij gewoonlijk, overeenkomstig zijn kwalificaties en competenties, zitting heeft, en die bevoegd is om kennis te nemen van een ander soort zaken dan hij tot dan toe heeft behandeld, aldus worden uitgelegd dat deze bepaling vereist dat die rechter, om zijn onafhankelijkheid te handhaven, tegen dat besluit een doeltreffende voorziening in rechte kan instellen bij een onafhankelijk en onpartijdig gerecht in een procedure die voldoet aan de vereisten van de artikelen 47 en 48 van het Handvest?

  • [Moet artikel 19, lid 1, tweede alinea, VEU, gelezen in samenhang met artikel 47 van het Handvest] aldus worden uitgelegd dat een rechterlijke instantie in laatste aanleg van een lidstaat (Sąd Najwyższy) waar in een kamer van drie rechters twee rechters zitting hebben die gewoonlijk zitting hebben in een andere kamer van die rechterlijke instantie en zonder hun instemming door de president van die rechterlijke instantie zijn toegewezen aan die eerstgenoemde kamer, die bevoegd is om kennis te nemen van de betrokken zaak, zonder mogelijkheid om tevoren op te komen tegen het aanwijzingsbesluit bij een onpartijdig en onafhankelijk gerecht in een procedure die voldoet aan de vereisten van de artikelen 47 en 48 van het Handvest, geen onafhankelijk en onpartijdig, vooraf bij wet ingesteld gerecht is dat justitiabelen daadwerkelijke rechtsbescherming op de onder het recht van de Europese Unie vallende gebieden verzekert?”

39 In de zaken C‑455/23, C‑459/23 en C‑486/23 heeft de Sąd Najwyższy zijn vragen als volgt geformuleerd, met dien verstande dat het in zaak C‑459/23 gaat om de eerste tot en met de derde vraag van de zeven gestelde vragen:

  • Moet artikel 19, lid 1, tweede alinea, VEU, zoals uitgelegd door het Hof in het arrest van 6 oktober 2021, W.Ż. (Kamer voor bijzondere controle en publieke zaken van de Sąd Najwyższy – Benoeming) (C‑487/19, EU:C:2021:798 ), aldus worden uitgelegd dat de aanwijzing van een rechter van de Sąd Najwyższy om zonder zijn instemming tijdelijk zitting te nemen in een andere kamer van de Sąd Najwyższy, net als de overplaatsing van een rechter van een gewone rechterlijke instantie tussen twee kamers van een en hetzelfde gerecht, inbreuk maakt op de beginselen van onafzetbaarheid en onafhankelijkheid van rechters, indien:

    • de betrokken rechter wordt aangewezen om uitspraak te doen in zaken waarvan het voorwerp niet valt onder de materiële bevoegdheid van de kamer waarin deze rechter overeenkomstig zijn benoeming in de Sąd Najwyższy gewoonlijk uitspraak doet;

    • de tot die aanwijzing strekkende beschikking niet door een dergelijke rechter in rechte kan worden betwist in een procedure die voldoet aan de vereisten van punt 118 van het arrest van 6 oktober 2021, W.Ż. (Kamer voor bijzondere controle en publieke zaken van de Sąd Najwyższy – Benoeming) (C‑487/19, EU:C:2021:798 );

    • de beschikking van de president van de Sąd Najwyższy waarbij rechters zijn aangewezen om zitting te nemen in een andere kamer en de door de president van de civiele kamer [...] gegeven beschikking tot toewijzing van specifieke zaken zijn gegeven door personen die tot rechter in de Sąd Najwyższy zijn benoemd in dezelfde omstandigheden als aan de orde waren in de zaak die heeft geleid tot het arrest van 6 oktober 2021, W.Ż. (Kamer voor bijzondere controle en publieke zaken van de Sąd Najwyższy – Benoeming) [(C‑487/19, EU:C:2021:798 )], terwijl uit de rechtspraak volgt dat gerechtelijke procedures met deelname van dergelijke personen hetzij nietig zijn, hetzij inbreuk maken op het door artikel 6 [van het op 4 november 1950 te Rome ondertekende Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden [(EVRM)] gewaarborgde recht van partijen op een eerlijk proces;

    • in het nationale recht geen grondslag bestaat voor de aanwijzing van een rechter om zonder zijn instemming voor bepaalde tijd zitting te nemen in een andere kamer van de Sąd Najwyższy dan die waarin hij gewoonlijk zitting heeft, terwijl hij tegelijkertijd wordt verplicht om ook in de eigen kamer uitspraak te blijven doen;

    • de aanwijzing van een dergelijke rechter om zonder zijn instemming voor bepaalde tijd zitting te nemen in een andere kamer van de Sąd Najwyższy dan die waarin hij gewoonlijk zitting heeft, leidt tot inbreuk op artikel 6, onder b), van richtlijn [2003/88]?

  • Moet artikel 19, lid 1, tweede alinea, VEU, ongeacht het antwoord op de eerste vraag, aldus worden uitgelegd dat de verwijzende rechter geen ,bij wet ingesteld’ gerecht vormt voor zover hij uitspraak doet in het kader van een rechtsprekende formatie die is samengesteld krachtens een beschikking van de president van de Sąd Najwyższy houdende aanwijzing van rechters om zitting te nemen in een andere kamer van de Sąd Najwyższy en van een beschikking van de president van de civiele kamer [...] houdende toewijzing van specifieke zaken, gelet op het feit dat deze beschikkingen zijn gegeven door personen die tot rechter in de Sąd Najwyższy zijn benoemd in dezelfde omstandigheden als in de zaak [die heeft geleid tot het arrest van 6 oktober 2021,] W.Ż. (Kamer voor bijzondere controle en publieke zaken van de Sąd Najwyższy – Benoeming) (C‑487/19, EU:C:2021:798 ), wanneer uit de rechtspraak volgt dat gerechtelijke procedures met deelname van aldus benoemde personen hetzij nietig zijn, hetzij inbreuk maken op het door artikel 6 EVRM gewaarborgde recht van partijen op een eerlijk proces?

  • Indien de eerste vraag bevestigend wordt beantwoord of de tweede vraag aldus wordt beantwoord dat een aldus ingestelde rechterlijke instantie geen ,bij wet ingesteld’ gerecht is: moeten artikel 19, lid 1, tweede alinea, VEU en het beginsel van voorrang van het Unierecht aldus worden uitgelegd dat rechters die zijn aangewezen om zitting te nemen in een rechtsprekende formatie van een gerecht die is ingesteld op de wijze als beschreven in de eerste en de tweede vraag, mogen weigeren om handelingen in een aan hen toegewezen zaak te verrichten, waaronder het doen van een uitspraak, in de overweging dat de beschikkingen waarbij zij zijn aangewezen om zitting te nemen in een andere kamer van de Sąd Najwyższy en waarbij specifieke zaken aan hen zijn toegewezen moeten worden geacht niet te bestaan, of zijn dergelijke rechters gehouden om [ook in dergelijke omstandigheden] een uitspraak te doen en om het besluit om al dan niet tegen die uitspraak op te komen, gelet op het feit dat inbreuk is gemaakt op het recht van partijen op behandeling van hun zaak door een gerecht dat voldoet aan de vereisten van artikel 19, lid 1, tweede alinea, VEU en artikel 47 van het Handvest, over te laten aan de betrokken partijen?”

Specifieke omstandigheden en vragen in zaak C‑459/23

40 Vennootschap E., verzoekster in het hoofdgeding in zaak C‑459/23, handelt in elektriciteit. De Poolse schatkist bezit meer dan 50 % van haar aandelen. Vennootschap W., een van de verweersters in het hoofdgeding in deze zaak, is actief in de productie, het transport en de distributie van elektriciteit.

41 Op 24 februari 2011 hebben de vennootschappen E. en W. een overeenkomst voor de verkoop van eigendomsrechten gesloten (hierna: „in het hoofdgeding aan de orde zijnde overeenkomst”). In deze overeenkomst waren de voorwaarden neergelegd voor de verkoop van alle uit groenestroomcertificaten voortvloeiende eigendomsrechten, te weten certificaten van oorsprong inzake elektriciteit die is opgewekt uit een hernieuwbare energiebron. Vennootschap W. heeft zich ertoe verbonden alle uit deze certificaten voortvloeiende eigendomsrechten over te dragen aan vennootschap E. Die vennootschap heeft zich ertoe verbonden die certificaten te verwerven via onderhandse transacties op de Poolse energiebeurs. In de overeenkomst zijn ook de vergoedingsvoorwaarden voor de verkoop van voornoemde certificaten aan de hand van een prijsformule neergelegd.

42 Na vruchteloze pogingen om opnieuw te onderhandelen over de prijsvoorwaarden in de in het hoofdgeding aan de orde zijnde overeenkomst heeft vennootschap E. in september 2017 de uitvoering van de verkooporders van vennootschap W. beëindigd.

43 Vervolgens heeft vennootschap E. beroep ingesteld om aan te tonen dat er bij de sluiting van de in het hoofdgeding aan de orde zijnde overeenkomst geen contractuele band tot stand was gekomen, waarbij zij aanvoerde dat de voorschriften inzake het plaatsen van overheidsopdrachten waren geschonden. Haar vordering is zowel in eerste aanleg, bij vonnis van de Sąd Okręgowy w Gdańsku (rechter in eerste aanleg Gdansk, Polen) van 6 december 2018, als in hoger beroep, bij arrest van de Sąd Apelacyjny w Gdańsku (rechter in tweede aanleg Gdansk, Polen) van 13 augustus 2019, afgewezen. Deze rechterlijke instanties hebben in essentie geoordeeld dat deze overeenkomst niet onder het recht inzake overheidsopdrachten viel.

44 Daarop heeft vennootschap E. bij de verwijzende rechter cassatieberoep ingesteld tegen het arrest van 13 augustus 2019. Deze rechter vraagt zich af of het oordeel van de feitenrechters over de toepasselijkheid van het recht inzake overheidsopdrachten op de in het hoofdgeding aan de orde zijnde overeenkomst gegrond is. Deze vragen zijn relevant voor het geval dat uit de antwoorden op de eerste tot en met de derde vraag, die in punt 39 van het onderhavige arrest zijn weergegeven, volgt dat hij het bij hem ingestelde cassatieberoep ten gronde moet onderzoeken.

45 Ten eerste wenst de verwijzende rechter te vernemen of de handel in elektriciteit onder het recht inzake overheidsopdrachten valt. In dit verband verzoekt hij om uitlegging van artikel 3, lid 3, onder b), van richtlijn 2004/17, teneinde te vernemen of de uitdrukking „elektriciteitstoevoer naar [de] netten” de verkoop van elektriciteit omvat. Gelet op artikel 20 van richtlijn 2004/17 moet voorts worden bepaald of de aankoop van groenestroomcertificaten plaatsvindt met het oog op de uitoefening van de activiteit van levering van elektriciteit en aan de procedure voor het plaatsen van overheidsopdrachten moet worden onderworpen. Indien deze aankoop voortvloeit uit een wettelijke verplichting en dus een gevolg is van de uitoefening van de activiteit van levering van elektriciteit, is die aankoop daarentegen niet noodzakelijk voor de uitoefening van de activiteit van verkoop van elektriciteit.

46 Ten tweede acht de verwijzende rechter het noodzakelijk om duidelijkheid te verkrijgen over de uitlegging van artikel 1, lid 4, van richtlijn 2004/17, gelezen in samenhang met artikel 14 ervan, teneinde te bepalen of een overeenkomst die de partijen verplicht om onder bepaalde voorwaarden inzake prijs en hoeveelheid uitvoeringsovereenkomsten te sluiten, een raamovereenkomst in de zin van deze richtlijn vormt en onderworpen is aan de procedure voor het plaatsen van overheidsopdrachten. In casu overschrijdt de totale jaarlijkse waarde van de transacties tussen de vennootschappen E. en W. in het kader van deze uitvoeringsovereenkomsten de drempels van de Europese Unie voor sectorale overheidsopdrachten. Afzonderlijk beschouwd bereiken deze transacties deze drempels echter niet. In die omstandigheden kan volgens deze rechter worden geoordeeld dat de in het hoofdgeding aan de orde zijnde overeenkomst geen raamovereenkomst is en niet binnen de werkingssfeer van het Unierecht inzake overheidsopdrachten valt. Hij benadrukt evenwel dat artikel 17, lid 2, van richtlijn 2004/17 verbiedt om een overeenkomst te splitsen teneinde deze drempels te omzeilen. In dit verband moet worden nagegaan of de totale waarde van de uitvoeringstransacties vooraf of achteraf moet worden beoordeeld.

47 Ten derde vraagt de verwijzende rechter zich af welke sanctie moet worden opgelegd wegens de rechtstreekse gunning van de opdracht in strijd met de voorschriften inzake het plaatsen van overheidsopdrachten. Hij ziet twee mogelijkheden: in de eerste plaats kan worden geoordeeld dat een dergelijke gunning een geval is waarin een aankondiging van een opdracht niet is bekendgemaakt in de zin van artikel 2 quinquies, lid 1, onder a), van richtlijn 92/13, en kan de in het hoofdgeding aan de orde zijnde overeenkomst dus nietig worden verklaard. In de tweede plaats suggereert vennootschap E. dat een onderscheid moet worden gemaakt tussen het verzuim om de aankondiging van de opdracht bekend te maken en het volledige verzuim om de procedures voor het plaatsen van overheidsopdrachten toe te passen. Dit laatste geval valt niet onder deze bepaling, maar onder de strengere sancties waarin het Poolse burgerlijk recht voorziet.

48 Ten vierde wenst de verwijzende rechter te vernemen of het algemene beginsel van het verbod van rechtsmisbruik zich verzet tegen de nietigverklaring van een overeenkomst wegens schending van de bepalingen van het Unierecht inzake overheidsopdrachten wanneer een dergelijk argument slechts een voorwendsel is om totaal andere doelstellingen te verwezenlijken dan de Uniewetgever nastreeft, zoals het niet hoeven uitvoeren van een overeenkomst die voor de verzoekende partij minder rendabel is geworden.

49 In die omstandigheden heeft de Sąd Najwyższy, naast de drie in punt 39 van het onderhavige arrest uiteengezette vragen, de volgende prejudiciële vragen gesteld die specifiek zijn voor zaak C‑459/23:

  • Indien de hierboven geformuleerde vragen aldus worden beantwoord dat de verwijzende rechterlijke instantie een bij wet ingesteld gerecht in de zin van artikel 19, lid 1, tweede alinea, VEU is: moet artikel 3, lid 3, onder b), juncto artikel 20 en artikel 1, lid 2, onder c), van richtlijn [2004/17] aldus worden uitgelegd dat een overheidsbedrijf in de zin van artikel 2, lid 1, onder b), van deze richtlijn, dat zich bezighoudt met groothandel en detailhandel in elektriciteit, verplicht is om in het kader van de procedure voor het plaatsen van overheidsopdrachten groenestroomcertificaten als bedoeld in artikel 2, [tweede alinea,] onder k) en l), van richtlijn [2009/28] te verwerven?

  • Indien de vierde vraag bevestigend wordt beantwoord: moet artikel 14 juncto artikel 1, lid 4, van richtlijn 2004/17 aldus worden uitgelegd dat tussen een dergelijk bedrijf en een producent van energie uit hernieuwbare bronnen een raamovereenkomst moet worden gesloten volgens de procedure voor het plaatsen van overheidsopdrachten, wanneer de geraamde (zij het in de overeenkomst niet gespecificeerde) totale waarde van de ter uitvoering van die overeenkomst verworven groenestroomcertificaten hoger is dan het drempelbedrag genoemd in artikel 16, onder a), van die richtlijn en de waarde van de individuele transacties die ter uitvoering van die overeenkomst zijn gesloten dat drempelbedrag niet overschrijdt?

  • Indien de vierde en de vijfde vraag bevestigend worden beantwoord: vormt de sluiting van een overeenkomst zonder de voorschriften inzake overheidsopdrachten in acht te nemen een geval als bedoeld in artikel 2 quinquies, lid 1, onder a), van richtlijn [92/13] of is dit een ander geval van schending van het Unierecht inzake overheidsopdrachten dat het mogelijk maakt om de gesloten overeenkomst nietig te verklaren zonder inachtneming van de procedure die in het nationale recht tot omzetting van [die] richtlijn is vastgesteld?

  • Indien de vierde tot en met de zesde vraag bevestigend worden beantwoord: moet het algemene beginsel van verbod van misbruik van recht aldus worden uitgelegd dat een aanbestedend overheidsbedrijf als bedoeld in artikel 2, lid 1, onder b), van richtlijn 2004/17 niet kan verzoeken om de nietigverklaring van een overeenkomst die het met een leverancier heeft gesloten in strijd met de nationale bepalingen tot omzetting van de Unierechtelijke richtlijnen inzake overheidsopdrachten, wanneer dat verzoek in werkelijkheid niet is gemotiveerd door de eis om het Unierecht te eerbiedigen maar door het feit dat de uitvoering van de overeenkomst voor dat overheidsbedrijf minder rendabel is geworden?”

50 Bij beslissing van de president van het Hof van 10 oktober 2023 zijn de zaken C‑422/23, C‑455/23, C‑459/23, C‑486/23 en C‑493/23 gevoegd voor de mondelinge en de schriftelijke behandeling en voor het arrest.

Ontvankelijkheid van de verzoeken om een prejudiciële beslissing

51 Er zij aan herinnerd dat het Hof volgens vaste rechtspraak, ter toetsing van zijn bevoegdheid of de ontvankelijkheid van het verzoek, een onderzoek dient in te stellen naar de omstandigheden waaronder het door de nationale rechter is geadieerd (arrest van 11 juli 2024, Hann-Invest e.a., C‑554/21, C‑622/21 en C‑727/21, EU:C:2024:594, punt 29 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

52 Aangezien de verzoeken om een prejudiciële beslissing afkomstig zijn van verschillende formaties van de civiele kamer, moet worden nagegaan of het verwijzende orgaan, dat twijfels heeft over zijn eigen onafhankelijkheid, een „rechterlijke instantie” in de zin van artikel 267 VWEU is.

53 Dienaangaande is het vaste rechtspraak dat het Hof bij de beoordeling of een verwijzende instantie een „rechterlijke instantie” in de zin van artikel 267 VWEU is, wat uitsluitend een vraag van Unierecht is, en dus bij de beoordeling of het verzoek om een prejudiciële beslissing ontvankelijk is, rekening houdt met een geheel van factoren, zoals onder meer de wettelijke grondslag van deze instantie, haar permanente karakter, verplichte rechtsmacht en procedure op tegenspraak, de toepassing van de rechtsregels door de betrokken instantie en de onafhankelijkheid van de instantie [zie in die zin arresten van 30 juni 1966, Vaassen-Göbbels, 61/65, EU:C:1966:39 , blz. 395; 21 december 2023, Krajowa Rada Sądownictwa (Aanblijven van een rechter), C‑718/21, EU:C:2023:1015, punt 40 en aldaar aangehaalde rechtspraak, en  7 mei 2024, NADA e.a., C‑115/22, EU:C:2024:384, punt 35 ].

54 Het Hof heeft reeds verklaard dat de Sąd Najwyższy als zodanig voldoet aan die vereisten, en opgemerkt dat ervan uit moet worden gegaan dat een verzoek om een prejudiciële beslissing – voor zover het afkomstig is van een nationale rechterlijke instantie – voldoet aan deze vereisten, ongeacht de concrete samenstelling ervan [arresten van 29 maart 2022, Getin Noble Bank, C‑132/20, EU:C:2022:235, punten 68 en 69 , en  21 december 2023, Krajowa Rada Sądownictwa (Aanblijven van een rechter), C‑718/21, EU:C:2023:1015, punt 41 ].

55 Dit vermoeden kan evenwel worden weerlegd wanneer een definitieve beslissing van een rechterlijke instantie van een lidstaat of een internationale rechterlijke instantie tot de conclusie leidt dat de rechter die de verwijzende instantie vormt geen onafhankelijk, onpartijdig en vooraf bij wet ingesteld gerecht is in de zin van artikel 19, lid 1, tweede alinea, VEU, gelezen in samenhang met artikel 47, tweede alinea, van het Handvest [arresten van 29 maart 2022, Getin Noble Bank, C‑132/20, EU:C:2022:235, punt 72 , en  21 december 2023, Krajowa Rada Sądownictwa (Aanblijven van een rechter), C‑718/21, EU:C:2023:1015, punt 44 ].

56 Op verzoek van een rechtsprekende formatie bestaande uit een alleensprekende rechter van de civiele kamer heeft het Hof echter geoordeeld dat, gelet op zijn eigen rechtspraak over de uitlegging van artikel 19, lid 1, tweede alinea, VEU, gelezen in samenhang met artikel 47, tweede alinea, van het Handvest, uit verschillende bevindingen en beoordelingen van, ten eerste, het Europees Hof voor de Rechten van de Mens in het arrest van 3 februari 2022, Advance Pharma sp. z o.o. tegen Polen (CE:ECHR:2022:0203JUD00146920), en, ten tweede, de Naczelny Sąd Administracyjny (hoogste bestuursrechter, Polen) in een arrest van 6 mei 2021, volgt dat die rechtsprekende formatie, vanwege de wijze waarop de rechter waaruit deze formatie bestaat, was benoemd, niet de hoedanigheid van onafhankelijk, onpartijdig en vooraf bij wet ingesteld gerecht in de zin van die Unierechtelijke bepalingen had. Bijgevolg moest het in punt 54 van het onderhavige arrest genoemde vermoeden als weerlegd worden beschouwd [zie in die zin arrest van 7 november 2024, Prezes Urzędu Ochrony Konkurencji i Konsumentów, C‑326/23, EU:C:2024:940, punten 29‑37 ].

57 In casu blijkt uit geen enkel element van het dossier waarover het Hof beschikt dat de rechters die de rechtsprekende formaties vormen die de prejudiciële verwijzingen hebben ingediend, zijn benoemd in de civiele kamer na een procedure die identiek is aan de procedure voor de benoeming van de alleensprekende rechter die het prejudiciële verzoek heeft ingediend in de zaak die heeft geleid tot het arrest van 7 november 2024, Prezes Urzędu Ochrony Konkurencji i Konsumentów (C‑326/23, EU:C:2024:940 ). Uit dit dossier volgt evenmin dat de benoemingen van die rechters aan de orde waren in de zaken die hebben geleid tot de in het vorige punt genoemde arresten van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens en de Naczelny Sąd Administracyjny.

58 In die omstandigheden volstaan de twijfels van de verwijzende rechter over zijn eigen onafhankelijkheid niet om het in punt 54 van het onderhavige arrest bedoelde vermoeden te weerleggen.

Beantwoording van de prejudiciële vragen

Vragen in de zaken C‑422/23 en C‑493/23 en eerste en tweede vraag in de zaken C‑455/23, C‑459/23 en C‑486/23

Ontvankelijkheid

59 De Europese Commissie is van mening dat de eerste vraag in de zaken C‑422/23 en C‑493/23 en de tweede vraag in de zaken C‑455/23, C‑459/23 en C‑486/23 niet-ontvankelijk zijn. Deze vragen zijn niet noodzakelijk voor de beslechting van de hoofdgedingen, aangezien zij geen betrekking hebben op de beslissing van de president van de Sąd Najwyższy om een rechter aan te wijzen om zitting te nemen in een andere kamer van die instantie, noch op de regelmatigheid van de procedure voor de benoeming van die president en de president van de civiele kamer tot rechters.

60 In casu moet de verwijzende rechter in de vijf hoofdgedingen, zoals blijkt uit de verzoeken om een prejudiciële beslissing, in limine litis bepalen of hij een onafhankelijk en onpartijdig gerecht is dat vooraf bij wet is ingesteld in de zin van artikel 19, lid 1, tweede alinea, VEU, gelezen in samenhang met artikel 47, tweede alinea, van het Handvest, terwijl verschillende leden van de rechtsprekende formaties van de civiele kamer die de prejudiciële verzoeken hebben ingediend, zijn aangewezen om daarin tijdelijk zitting te nemen en zij die aanwijzing niet kunnen betwisten.

61 Uit de rechtspraak van het Hof blijkt echter dat prejudiciële vragen die ertoe strekken een verwijzende rechterlijke instantie in staat te stellen om in limine litis uitspraak te doen over procedurele moeilijkheden, zoals vragen die verband houden met haar eigen bevoegdheid om kennis te nemen van een bij haar aanhangige zaak of met de rechtsgevolgen die al dan niet moeten worden verbonden aan een rechterlijke beslissing die eraan in de weg kan staan dat het onderzoek van een dergelijke zaak door die rechterlijke instantie wordt voortgezet, krachtens artikel 267 VWEU ontvankelijk zijn [arresten van 13 juli 2023, YP e.a. (Opheffing van immuniteit en schorsing van een rechter), C‑615/20 en C‑671/20, EU:C:2023:562, punt 47 en aldaar aangehaalde rechtspraak, en  6 maart 2025, D. K. (Onttrekking van zaken aan een rechter), C‑647/21 en C‑648/21, EU:C:2025:143, punt 53 ].

62 In die omstandigheden zijn de eerste vraag in de zaken C‑422/23 en C‑493/23 alsook de tweede vraag in de zaken C‑455/23, C‑459/23 en C‑486/23 ontvankelijk.

Ten gronde

Opmerkingen vooraf

63 Volgens artikel 19 VEU, dat het in artikel 2 VEU verankerde rechtsstaatbeginsel concretiseert, staat het aan de nationale rechterlijke instanties en het Hof om te waarborgen dat het recht van de Unie in alle lidstaten ten volle wordt toegepast en dat de justitiabelen de rechtsbescherming genieten die zij aan dat recht ontlenen [arresten van 2 maart 2021, A.B. e.a. (Benoeming van rechters bij de Sąd Najwyższy – Beroep), C‑824/18, EU:C:2021:153, punt 108 , en  16 november 2021, Prokuratura Rejonowa w Mińsku Mazowieckim e.a., C‑748/19–C‑754/19, EU:C:2021:931, punt 59 ].

64 Zoals artikel 19, lid 1, tweede alinea, VEU bepaalt, is het in dat opzicht aan de lidstaten om te voorzien in de nodige rechtsmiddelen en procedures om de justitiabelen daadwerkelijke rechtsbescherming op de onder het Unierecht vallende gebieden te verzekeren. Het beginsel van daadwerkelijke rechtsbescherming dat de justitiabelen aan het recht van de Unie ontlenen en waarnaar artikel 19, lid 1, tweede alinea, VEU verwijst, is een algemeen beginsel van Unierecht dat uit de gemeenschappelijke constitutionele tradities van de lidstaten voortvloeit en dat is neergelegd in de artikelen 6 en 13 EVRM en nu in artikel 47 van het Handvest. Dat laatste artikel moet derhalve naar behoren in aanmerking worden genomen voor de uitlegging van artikel 19, lid 1, tweede alinea, VEU [arrest van 6 oktober 2021, W.Ż. (Kamer voor bijzondere controle en publieke zaken van de Sąd Najwyższy – Benoeming), C‑487/19, EU:C:2021:798, punt 102 en aldaar aangehaalde rechtspraak].

65 Wat de materiële werkingssfeer van artikel 19, lid 1, tweede alinea, VEU betreft, deze bepaling is van toepassing op de „domeinen die vallen onder toepassing van het Unierecht”, onafhankelijk van de situatie waarin de lidstaten dit recht ten uitvoer brengen in de zin van artikel 51, lid 1, van het Handvest (zie in die zin arresten van 27 februari 2018, Associação Sindical dos Juízes Portugueses, C‑64/16, EU:C:2018:117, punt 29 , en  16 november 2021, Prokuratura Rejonowa w Mińsku Mazowieckim e.a., C‑748/19–C‑754/19, EU:C:2021:931, punt 62 ).

66 Artikel 19, lid 1, tweede alinea, VEU vindt dus met name toepassing ten aanzien van iedere nationale instantie die kan worden aangezocht om als rechter te oordelen over vraagstukken die de toepassing of de uitlegging van het Unierecht betreffen en dus behoren tot gebieden die onder dat recht vallen (arresten van 26 maart 2020, Miasto Łowicz en Prokurator Generalny, C‑558/18 en C‑563/18, EU:C:2020:234, punt 34 en aldaar aangehaalde rechtspraak, en  11 juli 2024, Hann-Invest e.a., C‑554/21, C‑622/21 en C‑727/21, EU:C:2024:594, punt 36 ).

67 Dat is het geval voor de verwijzende rechter die moet oordelen over vraagstukken die verband houden met de toepassing of de uitlegging van het Unierecht, en als „rechterlijke instantie” in de zin van het Unierecht deel uitmaakt van het Poolse stelsel van beroepsmogelijkheden op de „onder het recht van de Unie vallende gebieden” in de zin van artikel 19, lid 1, tweede alinea, VEU, zodat hij moet voldoen aan de vereisten van daadwerkelijke rechtsbescherming.

68 Bovendien verwijst de verwijzende rechter in een aantal van zijn verzoeken om een prejudiciële beslissing ook naar artikel 47 van het Handvest. In dat verband dient eraan te worden herinnerd dat de bepalingen van het Handvest overeenkomstig artikel 51, lid 1, daarvan tot de lidstaten zijn gericht wanneer zij het recht van de Unie ten uitvoer brengen. Die bepaling bevestigt de vaste rechtspraak dat de in de rechtsorde van de Unie gewaarborgde grondrechten toepassing vinden in alle situaties die door het Unierecht worden beheerst, maar niet daarbuiten [arresten van 19 november 2019, A. K. e.a. (Onafhankelijkheid van de tuchtkamer van de Sąd Najwyższy), C‑585/18, C‑624/18 en C‑625/18, EU:C:2019:982, punt 78 en aldaar aangehaalde rechtspraak, en  11 juli 2024, Hann-Invest e.a., C‑554/21, C‑622/21 en C‑727/21, EU:C:2024:594, punt 31 ].

69 In casu heeft de verwijzende rechter geen aanwijzingen verstrekt dat de hoofdgedingen in de zaken C‑422/23, C‑455/23, C‑486/23 en C‑493/23 betrekking hebben op de uitlegging of de toepassing van een Unierechtelijke regel die op nationaal niveau ten uitvoer is gebracht. In die omstandigheden lijkt artikel 47 van het Handvest, gelet op de gegevens waarover het Hof beschikt, in die zaken niet van toepassing te zijn. Hoewel artikel 47 van het Handvest niet van toepassing is in de hoofdgedingen, dient het evenwel naar behoren in aanmerking te worden genomen bij de uitlegging van artikel 19, lid 1, tweede alinea, VEU (arresten van 20 april 2021, Repubblika, C‑896/19, EU:C:2021:311, punten 44 en 45 , en  25 februari 2025, Sąd Rejonowy w Białymstoku en Adoreikė, C‑146/23 en C‑374/23, EU:C:2025:109, punt 43 ).

70 Uit het verzoek om een prejudiciële beslissing in zaak C‑459/23 blijkt daarentegen dat vennootschap E. zich in het hoofdgeding beroept op schending van de Unievoorschriften inzake het plaatsen van overheidsopdrachten, en met name van richtlijn 2004/17. Met zijn specifieke vragen in deze zaak wenst de verwijzende rechter van het Hof met name te vernemen hoe de werkingssfeer van deze richtlijn moet worden uitgelegd. Derhalve moet worden geoordeeld dat het hoofdgeding in die zaak betrekking heeft op de toepassing van een Unierechtelijke regel die op nationaal niveau ten uitvoer wordt gebracht, met dien verstande dat het aan de verwijzende rechter staat om in het licht van de antwoorden van het Hof op de vragen in zaak C‑459/23 te bepalen of richtlijn 2004/17 daadwerkelijk van toepassing is op het hoofdgeding. In dat geval is ook artikel 47 van het Handvest van toepassing.

71 In die omstandigheden moet uitspraak worden gedaan over de uitlegging van artikel 19, lid 1, tweede alinea, VEU, gelezen in samenhang met artikel 47 van het Handvest.

Beantwoording van de vragen

72 Met zijn eerste en tweede vraag in de zaken C‑422/23 en C‑493/23 en zijn eerste en tweede vraag in de zaken C‑455/23, C‑459/23 en C‑486/23 wenst de verwijzende rechter in essentie te vernemen of artikel 19, lid 1, tweede alinea, VEU, gelezen in samenhang met artikel 47 van het Handvest, aldus moet worden uitgelegd dat het zich verzet tegen maatregelen van de president van een nationale rechterlijke instantie waarbij aan een kamer van die rechterlijke instantie toegewezen rechters worden aangewezen om tijdelijk zitting te nemen in een andere kamer van die rechterlijke instantie, terwijl zij zitting blijven houden in hun eigen kamer, ook al hebben die rechters niet ingestemd met die aanwijzing, beschikken zij niet over enige voorziening om die aanwijzing in rechte aan te vechten, brengt deze aanwijzing een verhoging van de werklast voor de betrokken rechters met zich mee en wordt daarmee vereist dat zij zich met zaken bezighouden die buiten hun specialisatiegebied vallen, en is die president bij dezelfde rechterlijke instantie benoemd in omstandigheden die onverenigbaar zijn met de vereisten van artikel 19, lid 1, tweede alinea, VEU.

73 In dat verband zij er, in de eerste plaats, aan herinnerd dat elke lidstaat krachtens artikel 19, lid 1, tweede alinea, VEU moet verzekeren dat de instanties die als „rechterlijke instantie” in de zin van het Unierecht geroepen zijn om te oordelen over de toepassing of de uitlegging van dit recht en die dus deel uitmaken van zijn stelsel van beroepsmogelijkheden op de onder het Unierecht vallende gebieden, voldoen aan de vereisten van daadwerkelijke rechtsbescherming, waaronder dat van onafhankelijkheid [arresten van 11 juli 2024, Hann-Invest e.a., C‑554/21, C‑622/21 en C‑727/21, EU:C:2024:594, punt 47 en aldaar aangehaalde rechtspraak, en  6 maart 2025, D. K. (Onttrekking van zaken aan een rechter), C‑647/21 en C‑648/21, EU:C:2025:143, punt 65 ].

74 Dit vereiste van onafhankelijkheid van rechterlijke instanties, dat onlosmakelijk verbonden is met de taak van de rechter, behoort tot de kern van het recht op daadwerkelijke rechtsbescherming en het grondrecht op een eerlijk proces, die van het grootste belang zijn als waarborg voor de bescherming van alle door de justitiabelen aan het Unierecht ontleende rechten en tevens voor het behoud van de in artikel 2 VEU verankerde waarden die de lidstaten gemeen hebben en met name die van de rechtsstaat [arresten van 11 juli 2024, Hann-Invest e.a., C‑554/21, C‑622/21 en C‑727/21, EU:C:2024:594, punt 49 en aldaar aangehaalde rechtspraak, en  6 maart 2025, D. K. (Onttrekking van zaken aan een rechter), C‑647/21 en C‑648/21, EU:C:2025:143, punt 66 ].

75 Dat vereiste van onafhankelijkheid heeft twee aspecten. Het eerste, externe, aspect vereist dat de betrokken instantie haar taken volledig autonoom uitoefent, zonder enig hiërarchisch verband en zonder aan wie dan ook ondergeschikt te zijn of van waar dan ook bevelen of instructies te ontvangen, en aldus beschermd is tegen inmenging of druk van buitenaf die de onafhankelijkheid van de oordeelsvorming van haar leden in gevaar zou kunnen brengen en van invloed zou kunnen zijn op hun beslissingen. Het tweede, interne, aspect sluit aan bij het begrip „onpartijdigheid” en heeft betrekking op het houden van gelijke afstand ten opzichte van de partijen bij het geding en hun respectieve belangen met betrekking tot het voorwerp van het geding. Voor dit aspect is het nodig dat objectiviteit in acht wordt genomen en dat elk belang bij de oplossing van het geschil, buiten de strikte toepassing van de rechtsregel, ontbreekt [arresten van 11 juli 2024, Hann-Invest e.a., C‑554/21, C‑622/21 en C‑727/21, EU:C:2024:594, punten 50 en 51 en aldaar aangehaalde rechtspraak, en  6 maart 2025, D. K. (Onttrekking van zaken aan een rechter), C‑647/21 en C‑648/21, EU:C:2025:143, punt 67 ].

76 Hoewel het „externe” aspect van de onafhankelijkheid voornamelijk bedoeld is om de onafhankelijkheid van de rechterlijke instanties ten opzichte van de wetgevende en de uitvoerende macht te bewaren overeenkomstig het beginsel van de scheiding der machten dat kenmerkend is voor de werking van een rechtsstaat, beoogt dat aspect ook de rechters te beschermen tegen ongepaste beïnvloeding vanuit de betrokken rechterlijke instantie [zie in die zin arresten van 11 juli 2024, Hann-Invest e.a., C‑554/21, C‑622/21 en C‑727/21, EU:C:2024:594, punt 54 en aldaar aangehaalde rechtspraak, en  6 maart 2025, D. K. (Onttrekking van zaken aan een rechter), C‑647/21 en C‑648/21, EU:C:2025:143, punt 68 ].

77 Er moet ook worden onderstreept dat de uitoefening van de rechtsprekende taak niet alleen vrij moet zijn van elke rechtstreekse beïnvloeding, in de vorm van instructies, maar ook van meer indirecte vormen van beïnvloeding die rechterlijke beslissingen zouden kunnen sturen [zie in die zin arresten van 11 juli 2024, Hann-Invest e.a., C‑554/21, C‑622/21 en C‑727/21, EU:C:2024:594, punt 53 en aldaar aangehaalde rechtspraak, en  14 november 2024, S. (Wijziging van de samenstelling van de rechtsprekende formatie), C‑197/23, EU:C:2024:956, punt 62 en aldaar aangehaalde rechtspraak].

78 Voor deze waarborgen van onafhankelijkheid en onpartijdigheid zijn regels nodig, onder andere met betrekking tot de samenstelling van het betrokken orgaan, die geschikt moeten zijn om bij de justitiabelen elke legitieme twijfel weg te nemen over de vraag of dit orgaan zich niet laat beïnvloeden door externe factoren en onpartijdig is ten opzichte van de met elkaar strijdende belangen [arresten van 11 juli 2024, Hann-Invest e.a., C‑554/21, C‑622/21 en C‑727/21, EU:C:2024:594, punt 52 , en  6 maart 2025, D. K. (Onttrekking van zaken aan een rechter), C‑647/21 en C‑648/21, EU:C:2025:143, punt 70 ].

79 In de tweede plaats vereist artikel 19, lid 1, tweede alinea, VEU ook een gerecht „dat vooraf bij wet is ingesteld”, gelet op het onlosmakelijke verband tussen de toegang tot een dergelijk gerecht en de waarborgen van onafhankelijkheid en onpartijdigheid van rechters [zie in die zin arresten van 11 juli 2024, Hann-Invest e.a., C‑554/21, C‑622/21 en C‑727/21, EU:C:2024:594, punt 55 en aldaar aangehaalde rechtspraak, en  14 november 2024, S. (Wijziging van de samenstelling van de rechtsprekende formatie), C‑197/23, EU:C:2024:956, punt 63 en aldaar aangehaalde rechtspraak].

80 Het – ook in artikel 47, tweede alinea, van het Handvest opgenomen – begrip „gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld” is met name een afspiegeling van het beginsel van de rechtsstaat en heeft niet alleen betrekking op de rechtsgrondslag voor het bestaan van dat gerecht zelf, maar ook op de samenstelling van de rechtsprekende formatie in elke zaak en op alle overige nationaalrechtelijke bepalingen waarvan de niet-inachtneming meebrengt dat de deelname van een of meerdere rechters aan de behandeling van de zaak onrechtmatig is. Dit begrip omvat dus de regels voor de toewijzing en de hertoewijzing van zaken [zie in die zin arrest van 6 maart 2025, D. K. (Onttrekking van zaken aan een rechter), C‑647/21 en C‑648/21, EU:C:2025:143, punten 73 en 74 en aldaar aangehaalde rechtspraak].

81 Bijgevolg vereist artikel 19, lid 1, tweede alinea, VEU in dit verband ook dat de regels die de samenstelling van rechtsprekende formaties beheersen, elke ongerechtvaardigde inmenging uitsluiten in het besluitvormingsproces in een bepaalde zaak van personen die geen deel uitmaken van de rechtsprekende formatie die met die zaak is belast en voor wie de partijen hun argumenten niet hebben kunnen aanvoeren [zie in die zin arresten van 11 juli 2024, Hann-Invest e.a., C‑554/21, C‑622/21 en C‑727/21, EU:C:2024:594, punt 59 , en  6 maart 2025, D. K. (Onttrekking van zaken aan een rechter), C‑647/21 en C‑648/21, EU:C:2025:143, punt 75 ].

82 In casu vraagt de verwijzende rechter zich af of maatregelen waarbij de president van de Sąd Najwyższy rechters van de kamer voor arbeids- en socialezekerheidszaken heeft aangewezen om voor een periode van drie maanden zitting te nemen in de civiele kamer terwijl zij gedurende die periode zitting blijven houden in hun eigen kamer, verenigbaar zijn met de in de punten 73 tot en met 81 van het onderhavige arrest in herinnering gebrachte vereisten.

83 In dit verband moet in de eerste plaats worden opgemerkt dat het legitiem is dat de lidstaten in hun nationale recht de voorwaarden vaststellen waaronder de president van een rechterlijke instantie bevoegd is om maatregelen te nemen waarbij de rechters van die rechterlijke instantie tijdelijk worden verplicht om zowel in hun eigen kamer als in een andere kamer van die rechterlijke instantie zitting te hebben. Dergelijke maatregelen kunnen namelijk onontbeerlijk zijn voor de interne organisatie van de werkzaamheden van een rechterlijke instantie, gelet op de vereisten in verband met de noodzaak om een goede rechtsbedeling en de eerbiediging van het beginsel van de redelijke termijn te waarborgen.

84 Wat in de tweede plaats de voorwaarden betreft waaronder dergelijke maatregelen kunnen worden genomen, vraagt de verwijzende rechter zich ten eerste af wat de gevolgen zijn van het feit dat de president van de Sąd Najwyższy, die de betrokken rechters heeft aangewezen die tijdelijk zitting moeten nemen in de civiele kamer, net als de president van die kamer, die de hoofdgedingen aan die formatie heeft toegewezen, tot rechter bij die rechterlijke instantie zijn benoemd in omstandigheden die onverenigbaar zijn met artikel 19, lid 1, tweede alinea, VEU.

85 In dit verband is het juist dat het Hof in de punten 155 en 160 van zijn arrest van 6 oktober 2021, W.Ż. (Kamer voor bijzondere controle en publieke zaken van de Sąd Najwyższy – Benoeming) (C‑487/19, EU:C:2021:798 ), heeft geoordeeld dat een nationale rechterlijke instantie overeenkomstig het beginsel van voorrang van het Unierecht een beschikking die is gegeven door een instantie die geen onafhankelijk, onpartijdig en vooraf bij wet ingesteld gerecht in de zin van het Unierecht vormt, non-existent moet verklaren, zoals de verwijzende rechter opmerkt.

86 Hieruit volgt echter niet dat elke maatregel tot interne organisatie van de werkzaamheden van een rechterlijke instantie, zoals een maatregel die erin bestaat rechters aan te wijzen om tijdelijk zitting te nemen in een andere kamer dan die waaraan zij zijn toegewezen, of hun zaken toe te wijzen, non-existent moet worden verklaard wanneer die maatregel is genomen door de president van die rechterlijke instantie of een president van een rechtsprekende formatie die geen onafhankelijk en onpartijdig gerecht vormt dat vooraf bij wet is ingesteld in de zin van het Unierecht. De zaak die heeft geleid tot het in het vorige punt aangehaalde arrest betrof namelijk, anders dan de onderhavige zaken, rechterlijke beslissingen waarmee een geding wordt beëindigd.

87 Hieruit volgt dat de omstandigheid dat de president van de Sąd Najwyższy en de president van de civiele kamer, die respectievelijk de betrokken rechters hebben aangewezen om zitting te nemen in die kamer en de zaken die in de hoofdgedingen aan de orde zijn, aan de rechtsprekende formaties hebben toegewezen, volgens de vaststellingen van de verwijzende rechter zijn benoemd in omstandigheden die onverenigbaar zijn met de vereisten van artikel 19, lid 1, tweede alinea, VEU, op zich niet volstaat om aan te tonen dat ook de aldus samengestelde rechtsprekende formaties waaraan deze zaken zijn voorgelegd, moeten worden geacht geen onafhankelijk en onpartijdig gerecht te vormen dat vooraf bij wet is ingesteld in de zin van het Unierecht.

88 Ten tweede moet er, om te waarborgen dat maatregelen waarbij de rechters van een rechterlijke instantie worden verplicht om tijdelijk deel uit te maken van zowel hun eigen kamer als een andere kamer van die rechterlijke instantie, verenigbaar zijn met de beginselen van onafhankelijkheid en onpartijdigheid en met het vereiste van een vooraf bij wet ingesteld gerecht, worden verzekerd dat deze maatregelen geen middel vormen om toezicht uit te oefenen op de inhoud van rechterlijke beslissingen.

89 Dat zou het geval kunnen zijn indien dergelijke maatregelen niet alleen de omvang van de bevoegdheden van de betrokken rechters en de behandeling van de hun toevertrouwde dossiers blijvend zouden kunnen beïnvloeden, maar ook aanzienlijke gevolgen zouden kunnen hebben voor het leven en loopbaan van die rechters, aangezien die maatregelen bijvoorbeeld zouden leiden tot demotie van die rechters of een verslechtering van hun beroepssituatie. Evenzo kunnen dergelijke maatregelen bij de justitiabelen legitieme twijfels doen rijzen over de onafhankelijkheid en onpartijdigheid van die rechters, indien zij onder de zuiver discretionaire bevoegdheid van de president van de nationale rechterlijke instantie vallen en gericht zijn tegen bepaalde rechters vanwege de standpunten die zij in het verleden hebben ingenomen, met name tegen recente hervormingen van de Poolse justitie, of indien zij worden genomen als reactie op rechterlijke beslissingen van die rechters [zie naar analogie arrest van 6 oktober 2021, W.Ż. (Kamer voor bijzondere controle en publieke zaken van de Sąd Najwyższy – Benoeming), C‑487/19, EU:C:2021:798, punten 115 en 119 ].

90 Dat is echter niet het geval voor maatregelen waarbij rechters worden aangewezen om zitting te nemen in een kamer als die maatregelen zijn gebaseerd op gegronde redenen die met name verband houden met een goede rechtsbedeling, worden genomen op basis van de nationale regels die op de betrokken rechterlijke instantie van toepassing zijn, tijdelijk zijn alsook strikt beperkt in de tijd, onverminderd de eventuele verlenging ervan, niet afdoen aan de toewijzing van de betrokken rechters aan hun eigen kamer en niet tot gevolg hebben dat zaken waarmee die rechters zijn belast aan hen worden onttrokken of leiden tot demotie van die rechters. Een dergelijke conclusie geldt temeer wanneer dergelijke louter organisatorische maatregelen betrekking hebben op een groot aantal rechters van de betrokken nationale rechterlijke instantie en niet tot doel of tot gevolg hebben dat bepaalde rechters worden getroffen vanwege de standpunten die zij in het verleden hebben ingenomen. De omstandigheid dat dergelijke maatregelen tijdelijk kunnen leiden tot een – zij het aanzienlijke – toename van de werklast van de betrokken rechters en deze rechters verplichten om zaken te behandelen die buiten hun specialisatiegebied vallen, is in dit verband irrelevant.

91 In casu blijkt uit de gegevens van het dossier waarover het Hof beschikt dat het bij de in het hoofdgeding aan de orde zijnde maatregelen gaat om de in het vorige punt bedoelde maatregelen.

92 Ten eerste zijn de maatregelen waarbij de president van de Sąd Najwyższy rechters van de kamer voor arbeids- en socialezekerheidszaken heeft aangewezen om voor een periode van drie maanden zitting te nemen in de civiele kamer namelijk genomen op grond van artikel 35, lid 3, van de wet inzake de Sąd Najwyższy. Deze bepaling bestaat reeds lange tijd en stelt uitdrukkelijk een maximumperiode van zes maanden per jaar vast voor de toepassing van dergelijke maatregelen zonder instemming van de betrokken rechters. De tweede volzin van deze bepaling lijkt overigens niet te verbieden dat die rechters deel blijven uitmaken van hun eigen kamer.

93 De verwijzende rechter preciseert evenwel dat artikel 35, lid 3, van de wet inzake de Sąd Najwyższy niet toestaat dat een dergelijke aanwijzingsmaatregel zonder de instemming van de betrokken rechter wordt genomen en evenmin bepaalt dat de betrokken rechter gedurende die periode deel blijft uitmaken van zijn eigen kamer. In dit verband zij eraan herinnerd dat het niet aan het Hof staat om de uitlegging van het nationale recht door de verwijzende rechter ter discussie te stellen. Gesteld al dat die bepaling de betrokken maatregelen niet toestaat, dan nog volstaat deze omstandigheid op zich niet om de verenigbaarheid van de rechtsprekende formaties van de verwijzende rechter met artikel 19, lid 1, tweede alinea, VEU, gelezen in samenhang met artikel 47 van het Handvest, ter discussie te stellen.

94 Ten tweede blijkt uit de gegevens van het dossier waarover het Hof beschikt dat deze maatregelen weliswaar niet gemotiveerd zijn, maar schijnbaar zijn genomen om het hoofd te bieden aan een toename van het aantal geschillen voor de civiele kamer en om een aanzienlijke achterstand van die kamer weg te werken. Zij streven dus een legitiem doel na, los van de omstandigheden die deze aanzienlijke achterstand hebben veroorzaakt.

95 Ten derde zijn de in het hoofdgeding aan de orde zijnde maatregelen tijdelijk, aangezien de betrokken rechters worden aangewezen om voor een periode van drie maanden zitting te nemen in de civiele kamer, terwijl artikel 35, lid 3, van de wet inzake de Sąd Najwyższy voorziet in een maximumduur van zes maanden per jaar. In deze context en gelet op de gegevens waarover het Hof beschikt, is de mogelijkheid dat deze aanwijzingen worden verlengd of vernieuwd waardoor de aanstelling bij de civiele kamer nagenoeg permanent wordt, hypothetisch.

96 Ten vierde lijken deze maatregelen volgens de gegevens waarover het Hof beschikt, niet te hebben geleid tot demotie van de betrokken rechters of tot een verslechtering van hun beroepssituatie, met dien verstande dat deze rechters nog steeds cassatieberoepen behandelen die onder de bevoegdheid van de Sąd Najwyższy vallen. Zij hebben er niet toe geleid dat de zaken waarvoor die rechters voorheen verantwoordelijk waren, aan hen werden onttrokken. Gedurende de gehele periode waarop die maatregelen betrekking hebben, blijven die rechters namelijk in hun eigen kamer zitting houden. Zoals in punt 90 van het onderhavige arrest is vastgesteld, is de omstandigheid dat die maatregelen leiden tot een tijdelijke toename van de werklast van de betrokken rechters of hen verplichten om zaken te behandelen die buiten hun specialisatiegebied vallen, in deze context niet relevant.

97 Ten vijfde hadden de in het hoofdgeding aan de orde zijnde maatregelen in totaal betrekking op een twintigtal rechters. Gelet op de gegevens waarover het Hof beschikt, lijken deze maatregelen niet gericht te zijn geweest tegen specifieke rechters, bijvoorbeeld omdat zij kritiek zouden hebben geuit op de hervormingen van de Poolse justitie.

98 In die omstandigheden kan het feit dat de in het hoofdgeding aan de orde zijnde maatregelen zijn vastgesteld zonder de instemming van de betrokken rechters en dat deze rechters over geen enkele voorziening beschikken om deze maatregelen in rechte aan te vechten, geen schending opleveren van de beginselen van onafhankelijkheid en onpartijdigheid en van het vereiste van een vooraf bij wet ingesteld gerecht. Bij gebreke van enige aanwijzing dat deze maatregelen gevolgen kunnen hebben die vergelijkbaar zijn met een tuchtmaatregel, kunnen dergelijke omstandigheden bij de justitiabelen namelijk geen legitieme twijfel doen rijzen over de onafhankelijkheid en onpartijdigheid van die rechters.

99 Bovendien moet de regelmatigheid van de samenstelling van de rechtsprekende formaties van de verwijzende rechter in het licht van artikel 19, lid 1, tweede alinea, VEU, gelezen in samenhang met artikel 47 van het Handvest, overeenkomstig de rechtspraak van het Hof hoe dan ook door de rechter kunnen worden getoetst [zie naar analogie arrest van 14 november 2024, S. (Wijziging van de samenstelling van de rechtsprekende formatie), C‑197/23, EU:C:2024:956, punt 67 ]. In casu tonen de hoofdgedingen juist aan dat het nationale recht de verwijzende rechter de mogelijkheid biedt om de regelmatigheid van zijn eigen samenstelling te toetsen.

100 Gelet op een en ander moet op de eerste en tweede vraag in de zaken C‑422/23 en C‑493/23 en op de eerste en de tweede vraag in de zaken C‑455/23, C‑459/23 en C‑486/23 worden geantwoord dat artikel 19, lid 1, tweede alinea, VEU, gelezen in samenhang met artikel 47 van het Handvest, aldus moet worden uitgelegd dat het zich niet verzet tegen maatregelen van de president van een nationale rechterlijke instantie waarbij aan een bepaalde kamer van die rechterlijke instantie toegewezen rechters worden aangewezen om tijdelijk zitting te nemen in een andere kamer van die rechterlijke instantie, terwijl zij zitting blijven houden in hun eigen kamer, ook al hebben die rechters niet ingestemd met die aanwijzing, beschikken zij niet over enige voorziening om die aanwijzing in rechte aan te vechten, brengt deze aanwijzing een verhoging van de werklast voor de betrokken rechters met zich mee en worden zij daardoor genoodzaakt zich bezig te houden met zaken die buiten hun specialisatiegebied vallen, en is die president bij die rechterlijke instantie benoemd in omstandigheden die onverenigbaar zijn met de vereisten van artikel 19, lid 1, tweede alinea, VEU, voor zover dergelijke maatregelen zijn gebaseerd op gegronde redenen die met name verband houden met een goede rechtsbedeling, worden genomen op basis van de nationale regels die op de betrokken rechterlijke instantie van toepassing zijn, tijdelijk zijn alsook beperkt in de tijd, niet afdoen aan de toewijzing van de betrokken rechters aan hun eigen kamer en niet leiden tot demotie van die rechters of tot gevolg hebben dat zaken waarmee die rechters zijn belast, aan hen worden onttrokken.

Derde vraag in de zaken C‑455/23, C‑459/23 en C‑486/23

101 De derde vraag in de zaken C‑455/23, C‑459/23 en C‑486/23 wordt gesteld voor het geval dat uit het antwoord op de eerste en de tweede vraag in die zaken in wezen blijkt dat een rechterlijke instantie die is samengesteld in omstandigheden als die van de verwijzende rechter, geen onafhankelijk en onpartijdig gerecht is dat vooraf bij wet is ingesteld in de zin van artikel 19, lid 1, tweede alinea, VEU. Gelet op het antwoord op die vragen behoeft de derde vraag in deze zaken niet meer te worden beantwoord.

Vierde vraag in zaak C‑459/23

102 Met zijn vierde vraag in zaak C‑459/23 wenst de verwijzende rechter in essentie te vernemen of artikel 3, lid 3, onder b), van richtlijn 2004/17, gelezen in samenhang met artikel 20, lid 1, van deze richtlijn, aldus moet worden uitgelegd dat de aankoop door een overheidsbedrijf dat in elektriciteit handelt van groenestroomcertificaten in de zin van artikel 2, tweede alinea, onder k) en l), van richtlijn 2009/28 een activiteit is die wordt verricht met het oog op de toevoer van elektriciteit naar vaste netten die bestemd zijn om een dienst aan het publiek te verlenen op het gebied van de productie, het vervoer of de distributie van elektriciteit.

103 Vooraf moet eraan worden herinnerd dat in beginsel de richtlijn van toepassing is die van kracht is op het tijdstip waarop de aanbestedende dienst kiest welk type procedure hij zal volgen en definitief uitmaakt of er voor de gunning van een overheidsopdracht een verplichting bestaat om een voorafgaande oproep tot mededinging te doen (zie in die zin arresten van 5 oktober 2000, Commissie/Frankrijk, C‑337/98, EU:C:2000:543, punt 37 ; 10 juli 2014, Impresa Pizzarotti, C‑213/13, EU:C:2014:2067, punt 31 , en  14 september 2017, Casertana Costruzioni, C‑223/16, EU:C:2017:685, punt 21 ). In casu is de in het hoofdgeding aan de orde zijnde overeenkomst in 2011 gesloten, zodat richtlijn 2004/17 ratione temporis van toepassing is.

104 Vervolgens moet worden benadrukt dat deze richtlijn overeenkomstig artikel 2, lid 2, onder a), ervan met name geldt voor aanbestedende diensten die overheidsbedrijven zijn en een van de in de artikelen 3 tot en met 7 van die richtlijn bedoelde activiteiten uitoefenen. In dit verband bevat artikel 2, lid 1, onder b), van richtlijn 2004/17 het vermoeden dat een onderneming waarvan de aanbestedende diensten, al dan niet rechtstreeks, de meerderheid van het kapitaal bezitten, een „overheidsbedrijf” in de zin van die bepaling is.

105 In casu blijkt uit de vaststellingen van de verwijzende rechter dat vennootschap E. een dergelijk overheidsbedrijf is, aangezien meer dan 50 % van haar kapitaal in handen is van de Poolse Staat.

106 Derhalve moet nog worden vastgesteld, zoals in de vierde vraag in zaak C‑459/23 aan de orde wordt gesteld, of deze onderneming kan worden geacht een van de in artikel 3, lid 3, van richtlijn 2004/17 bedoelde activiteiten uit te oefenen.

107 In dit verband zij er in de eerste plaats aan herinnerd dat richtlijn 2004/17 overeenkomstig artikel 3, lid 3, onder b), ervan, wat elektriciteit betreft, van toepassing is op de toevoer van elektriciteit naar vaste netten bestemd voor openbare dienstverlening op het gebied van de productie, het vervoer of de distributie van elektriciteit.

108 Noch deze bepaling, noch enige andere bepaling van richtlijn 2004/17 definieert wat onder het in die bepaling gehanteerde begrip „elektriciteitstoevoer” naar deze netten moet worden verstaan.

109 Bijgevolg moet overeenkomstig vaste rechtspraak bij de uitlegging van een bepaling van Unierecht niet enkel rekening worden gehouden met de bewoordingen ervan, maar ook met de context en de doelstellingen die de regeling waarvan deze bepaling deel uitmaakt, nastreeft (arresten van 17 november 1983, Merck, 292/82, EU:C:1983:335, punt 12 , en  13 februari 2025, Latvijas Sabiedriskais Autobuss, C‑684/23, EU:C:2025:90, punt 48 ).

110 Ten eerste moet het begrip „toevoer” in zijn gebruikelijke betekenis worden opgevat als het bevoorraden, leveren of ergens heen brengen. De toevoer van elektriciteit naar netten verwijst dus naar de levering van elektriciteit aan die netten. Daartoe kan het begrip „elektriciteitstoevoer” niet alleen de productie van elektriciteit omvatten, maar ook de groothandelsverkoop en de detailhandelsverkoop ervan.

111 Ten tweede volgt uit de overwegingen 2 en 3 van richtlijn 2004/17 dat deze richtlijn voorziet in regels betreffende de coördinatie van de procedures voor het plaatsen van opdrachten „in [de] sectoren” bedoeld in deze richtlijn, waaronder de energiesector, en „door de in deze sectoren werkzame diensten”. Met deze overwegingen heeft de Uniewetgever dus duidelijk te kennen gegeven dat hij, wat de elektriciteitssector betreft, niet alleen de productie of de levering van elektriciteit, maar ook de handel in elektriciteit wilde omvatten.

112 Ten derde strookt deze uitlegging met de doelstellingen van de Unieregels inzake overheidsopdrachten, namelijk de overheidsopdrachten openstellen voor een zo groot mogelijke mededinging (zie in die zin arresten van 23 december 2009, CoNISMa, C‑305/08, EU:C:2009:807, punt 37 en aldaar aangehaalde rechtspraak, en  26 september 2024, Luxone en Sofein, C‑403/23 en C‑404/23, EU:C:2024:805, punt 50 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

113 Ten vierde vindt deze uitlegging steun in richtlijn 2014/25, waarbij richtlijn 2004/17 is ingetrokken en waarbij de Uniewetgever – bij gelijkblijvend recht – met name het begrip „elektriciteitstoevoer” heeft gepreciseerd. Zo blijkt uit artikel 7, eerste alinea, van richtlijn 2014/25, gelezen in het licht van overweging 23 ervan, dat het begrip „toevoer” voor de toepassing van richtlijn 2014/25 de productie, groothandel en kleinhandel omvat. Door deze definitie in richtlijn 2014/25 op te nemen en in overweging 23 te preciseren dat zij wordt gegeven „[z]onder het toepassingsgebied van [deze] richtlijn ook maar enigszins uit te breiden”, heeft de Uniewetgever bevestigd dat al in richtlijn 2004/17 onder het begrip „elektriciteitstoevoer”, naast de productie van elektriciteit, ook de groot- of kleinhandel erin was begrepen.

114 Bijgevolg valt een activiteit op het gebied van handel in elektriciteit, zoals wordt uitgeoefend door vennootschap E., onder een activiteit als bedoeld in artikel 3, lid 3, onder b), van richtlijn 2004/17. Vennootschap E. moet dus worden beschouwd als een aanbestedende dienst in de zin van artikel 2, lid 2, onder a), van deze richtlijn.

115 In de tweede plaats moet echter nog worden opgemerkt dat artikel 20, lid 1, van richtlijn 2004/17 bepaalt dat deze niet van toepassing is op opdrachten die de aanbestedende diensten plaatsen voor andere doeleinden dan de uitoefening van hun activiteiten in de sectoren die in de artikelen 3 tot en met 7 van deze richtlijn zijn bedoeld.

116 Derhalve vallen alleen de opdrachten die een „aanbestedende dienst” als bedoeld in deze richtlijn plaatst in verband met en voor de uitoefening van activiteiten in de sectoren genoemd in de artikelen 3 tot en met 7 van die richtlijn binnen de werkingssfeer van richtlijn 2004/17 (arrest van 10 april 2008, Ing. Aigner, C‑393/06, EU:C:2008:213, punt 33 ).

117 In casu blijkt uit de gegevens van het dossier waarover het Hof beschikt dat vennootschap E. verplicht is groenestroomcertificaten in de zin van artikel 2, tweede alinea, onder k) en l), van richtlijn 2009/28 te kopen om te voldoen aan de op haar rustende wettelijke verplichting om hernieuwbare energiebronnen te bevorderen. Hieruit volgt dat de aankoop van deze certificaten nauw verband houdt met de activiteit van handel in elektriciteit die deze vennootschap uitoefent en die een in artikel 3, lid 3, onder b), van richtlijn 2004/17 bedoelde activiteit vormt.

118 Wanneer er sprake is van een dergelijk nauw verband moet worden geoordeeld dat de groenestroomcertificaten worden gekocht met het oog op de voortzetting van die activiteit, zodat deze niet kan worden geacht te zijn verricht „voor andere doeleinden” dan de uitoefening van die activiteit in de zin van artikel 20, lid 1, van richtlijn 2004/17.

119 Gelet op een en ander dient op de vierde vraag in zaak C‑459/23 te worden geantwoord dat artikel 3, lid 3, onder b), van richtlijn 2004/17, gelezen in samenhang met artikel 20, lid 1, van deze richtlijn, aldus moet worden uitgelegd dat de aankoop door een overheidsbedrijf dat in elektriciteit handelt van groenestroomcertificaten in de zin van artikel 2, tweede alinea, onder k) en l), van richtlijn 2009/28 een activiteit is die wordt verricht met het oog op de toevoer van elektriciteit naar vaste netten die bestemd zijn om een dienst aan het publiek te verlenen op het gebied van de productie, het vervoer of de distributie van elektriciteit.

Vijfde vraag in zaak C‑459/23

Ontvankelijkheid

120 Vennootschap E. is van mening dat de vijfde vraag in zaak C‑459/23 niet relevant is voor de beslechting van het hoofdgeding. Om te beginnen heeft zij voor de verwijzende rechter namelijk aangevoerd dat de in het hoofdgeding aan de orde zijnde overeenkomst absoluut nietig is omdat zij tot doel heeft partijen te verplichten overeenkomsten te sluiten zonder de voorschriften inzake overheidsopdrachten in acht te nemen. Zij heeft daarentegen niet gesteld dat deze overeenkomst als zodanig had moeten worden gesloten volgens de procedures voor het plaatsen van overheidsopdrachten. Daarnaast is die overeenkomst volgens haar geen raamovereenkomst in de zin van artikel 1, lid 4, van richtlijn 2004/17, aangezien de aanbestedende dienst op grond daarvan absoluut verplicht was om de opdracht te gunnen aan de marktdeelnemer die de andere contractpartij was. Ten slotte volgt uit artikel 14, leden 2 en 3, van deze richtlijn dat de sluiting van een raamovereenkomst volgens de procedure voor overheidsopdrachten niet verplicht is.

121 In dit verband zij eraan herinnerd dat artikel 267 VWEU volgens vaste rechtspraak een procedure van rechtstreekse samenwerking tussen het Hof en de rechterlijke instanties van de lidstaten tot stand brengt. In het kader van die procedure, die is gebaseerd op een duidelijke afbakening van de taken van de nationale rechterlijke instanties en van het Hof, behoort elke beoordeling van de feiten tot de bevoegdheid van de nationale rechter, die, gelet op de bijzonderheden van het geval, zowel de noodzaak van een prejudiciële beslissing voor het wijzen van zijn vonnis dient te beoordelen als de relevantie van de vragen die hij aan het Hof voorlegt, terwijl het Hof uitsluitend bevoegd is om zich op basis van de door de nationale rechter omschreven feiten over de uitlegging of geldigheid van een Uniebepaling uit te spreken [zie in die zin arresten van 16 maart 1978, Oehlschläger, 104/77, EU:C:1978:69, punt 4 , en  4 oktober 2024, Schrems (Mededeling van gegevens aan het grote publiek), C‑446/21, EU:C:2024:834, punt 42 en aldaar aangehaalde rechtspraak].

122 Ten eerste komt vennootschap E. met haar argumenten ter betwisting van de ontvankelijkheid van de vijfde vraag in zaak C‑459/23 in wezen op tegen de uiteenzetting door de verwijzende rechter van de voor hem aangevoerde argumenten en zijn beoordeling van de aard van de in het hoofdgeding aan de orde zijnde overeenkomst. Volgens de in het vorige punt aangehaalde rechtspraak kunnen dergelijke argumenten niet tot de conclusie leiden dat een prejudiciële vraag niet-ontvankelijk is.

123 Ten tweede gaat vennootschap E., door de definitie van het begrip „raamovereenkomst” erbij te betrekken en te stellen dat een dergelijke overeenkomst niet noodzakelijkerwijs met inachtneming van de regels voor het plaatsen van overheidsopdrachten hoeft te worden gesloten, in op de vraag ten gronde en niet op de ontvankelijkheid ervan.

124 Bijgevolg is de vijfde vraag in zaak C‑459/23 ontvankelijk.

Ten gronde

125 Met zijn vijfde vraag in zaak C‑459/23 wenst de verwijzende rechter in essentie te vernemen of artikel 1, lid 4, van richtlijn 2004/17, gelezen in samenhang met artikel 14 en artikel 17, lid 2, van deze richtlijn, aldus moet worden uitgelegd dat een overeenkomst die de partijen verplicht om onder bepaalde voorwaarden inzake prijs en hoeveelheid uitvoeringsovereenkomsten te sluiten, onder het begrip „raamovereenkomst” in de zin van artikel 1, lid 4, van die richtlijn valt en moet worden gesloten overeenkomstig de voorschriften inzake het plaatsen van overheidsopdrachten.

126 In de eerste plaats is een raamovereenkomst volgens artikel 1, lid 4, van richtlijn 2004/17 een overeenkomst tussen een of meer aanbestedende diensten en een of meer ondernemers met het doel gedurende een bepaalde periode de voorwaarden inzake te plaatsen opdrachten vast te leggen, met name wat betreft de prijs en eventueel de beoogde hoeveelheid.

127 Ten eerste volgt uit de bewoordingen van deze bepaling dat de raamovereenkomst de periode moet preciseren waarin zij van toepassing is en de voorwaarden inzake de te plaatsen opdrachten moet regelen.

128 Ten tweede moet het begrip „raamovereenkomst” in artikel 1, lid 4, van richtlijn 2004/17, gelet op de rechtspraak van het Hof, worden uitgelegd in het licht van met name artikel 17, leden 2 en 3, van deze richtlijn, de fundamentele beginselen van het Unierecht, zoals gelijke behandeling en transparantie, die van toepassing zijn bij de sluiting van een raamovereenkomst, zoals blijkt uit artikel 14, lid 1, van die richtlijn, en het in artikel 14, lid 4, van die richtlijn neergelegde verbod om oneigenlijk gebruik te maken van raamovereenkomsten met als gevolg dat de mededinging wordt verhinderd, beperkt of vervalst. Uit deze bepalingen en beginselen in hun onderlinge samenhang beschouwd volgt dat de raamovereenkomst vanaf het begin de maximumhoeveelheid van de leveringen moet bepalen waarop de volgende opdrachten betrekking kunnen hebben, met vermelding van de maximumhoeveelheid en/of maximumwaarde ervan (zie naar analogie arresten van 19 december 2018, Autorità Garante della Concorrenza e del Mercato – Antitrust en Coopservice, C‑216/17, EU:C:2018:1034, punten 60, 62‑67 en 69, en  17 juni 2021, Simonsen & Weel, C‑23/20, EU:C:2021:490, punten 54‑58, 61‑65, 67, 68 en 74).

129 Het staat aan de verwijzende rechter om na te gaan of deze voorwaarden met betrekking tot de in het hoofdgeding aan de orde zijnde overeenkomst zijn vervuld. In dit verband dient hij zich er ten eerste van te vergewissen dat in deze overeenkomst de periode is neergelegd waarin de overeenkomsten voor de aankoop van groenestroomcertificaten ter uitvoering van die overeenkomst konden worden gesloten. Ten tweede moet worden gepreciseerd dat de loutere vermelding van een prijsformule voor de berekening van de verkoopprijs van de groenestroomcertificaten en de verplichting voor de aanbestedende dienst om alle verkregen groenestroomcertificaten te kopen, zonder vermelding van een specifieke hoeveelheid, niet volstaan om aan te nemen dat die overeenkomst de maximumhoeveelheid bepaalt van de leveringen die het voorwerp kunnen zijn van de daaropvolgende opdrachten.

130 In de tweede plaats en onverminderd het voorgaande zij eraan herinnerd dat richtlijn 2004/17 overeenkomstig artikel 16, onder a), ervan, behoudens de in die bepaling bedoelde uitsluitingen, van toepassing is op opdrachten voor leveringen en diensten waarvan de geraamde waarde exclusief btw gelijk is aan of groter is dan 387 000 EUR.

131 Wat de methoden voor de berekening van de geraamde waarde van opdrachten en raamovereenkomsten betreft, blijkt uit artikel 17, lid 1, eerste alinea, eerste volzin, van richtlijn 2004/17 dat de berekening van de geraamde waarde van een opdracht is gebaseerd op het totale bedrag, exclusief btw, zoals geraamd door de aanbestedende dienst. Overeenkomstig artikel 17, lid 2, van deze richtlijn mogen de aanbestedende diensten de toepassing van deze richtlijn niet omzeilen door voorgenomen werken of voorgenomen aankopen ter verkrijging van bepaalde hoeveelheden leveringen en/of diensten te splitsen of bijzondere regels te gebruiken voor de berekening van de geraamde waarde van de opdrachten. Volgens artikel 17, lid 3, van die richtlijn moet in het geval van een raamovereenkomst of een dynamisch aankoopsysteem worden uitgegaan van de geraamde maximale waarde, exclusief btw, van alle voor de totale duur van de overeenkomst voorgenomen opdrachten. Ten slotte moet volgens artikel 17, lid 7, van richtlijn 2004/17 in het geval van opdrachten voor leveringen of diensten die met een zekere regelmaat worden verleend of die bestemd zijn om gedurende een bepaalde periode te worden hernieuwd, voor de berekening van de geraamde waarde van de opdracht hetzij de totale reële waarde van de tijdens het voorafgaande boekjaar of tijdens de voorafgaande twaalf maanden geplaatste soortgelijke opeenvolgende opdrachten, hetzij de geraamde totale waarde van de opeenvolgende opdrachten over de twaalf maanden volgend op de eerste levering of over het boekjaar, indien dit zich over meer dan twaalf maanden uitstrekt, als grondslag worden genomen.

132 Uit deze bepalingen blijkt dat zowel in het geval van een raamovereenkomst als bedoeld in artikel 17, lid 3, van richtlijn 2004/17, als in het in artikel 17, lid 7, van deze richtlijn bedoelde geval van een opdracht voor leveringen of diensten die met een zekere regelmaat worden verleend of die bestemd zijn om gedurende een bepaalde periode te worden hernieuwd, rekening wordt gehouden met de „geraamde waarde” van de raamovereenkomst of de opdracht. Deze waarde is in het eerste geval de geraamde totale waarde van de raamovereenkomst en in het tweede geval de geraamde waarde over een periode van twaalf maanden volgens de in die bepaling bedoelde alternatieve wijze.

133 In casu preciseert de verwijzende rechter dat de waarde van elk van de uitvoeringsovereenkomsten die maandelijks op basis van de in het hoofdgeding aan de orde zijnde overeenkomst worden gesloten, onder de in artikel 16, onder a), van richtlijn 2004/17 vastgestelde drempel van 387 000 EUR blijft. De totale waarde op jaarbasis van de uitvoeringsovereenkomsten overschrijdt daarentegen deze drempel.

134 Uit het voorgaande volgt dat de aanbestedende dienst deze overeenkomsten ter uitvoering van de betrokken overeenkomst in een dergelijk geval niet op basis van de waarde per eenheid van elk van die overeenkomsten zonder voorafgaande oproep tot mededinging kan sluiten. Een dergelijke handelwijze zou namelijk in strijd zijn met het in artikel 17, lid 2, van richtlijn 2004/17 neergelegde verbod om de toepassing van deze richtlijn te omzeilen door de projecten te splitsen.

135 Om dit verbod en het in artikel 14, lid 4, van richtlijn 2004/17 neergelegde verbod om oneigenlijk gebruik te maken van raamovereenkomsten die tot gevolg hebben dat de mededinging wordt verhinderd, beperkt of vervalst, te eerbiedigen, heeft de aanbestedende dienst in een dergelijk geval de keuze tussen twee mogelijkheden.

136 De eerste mogelijkheid bestaat erin opeenvolgende opdrachten te plaatsen waarbij voor elk van deze opdrachten de procedures van deze richtlijn in acht worden genomen.

137 De tweede mogelijkheid bestaat erin dat overeenkomstig richtlijn 2004/17 een raamovereenkomst wordt gegund in de zin en met inachtneming van de in artikel 1, lid 4, van deze richtlijn genoemde en in de punten 126 tot en met 128 van het onderhavige arrest in herinnering gebrachte voorwaarden. Overeenkomstig artikel 40, lid 3, onder i), juncto artikel 14, lid 2, van richtlijn 2004/17 kan de aanbestedende dienst voor latere opdrachten vervolgens gebruikmaken van een procedure zonder voorafgaande oproep tot mededinging (zie in die zin arrest van 23 april 2009, Commissie/België, C‑287/07, EU:C:2009:245, punt 104 ).

138 Uit het voorgaande volgt dat de aanbestedende dienst in een geval als dat van het hoofdgeding de voorschriften voor het plaatsen van overheidsopdrachten in acht moest nemen, hetzij op het tijdstip waarop elk van de opeenvolgende uitvoeringsovereenkomsten werd gesloten, hetzij op het tijdstip waarop de betrokken overeenkomst als raamovereenkomst werd gesloten, met inachtneming van de in de punten 126 tot en met 128 van het onderhavige arrest genoemde voorwaarden.

139 Gelet op een en ander moet op de vijfde vraag in zaak C‑459/23 worden geantwoord dat artikel 1, lid 4, van richtlijn 2004/17, gelezen in samenhang met artikel 14 en artikel 17, lid 2, van deze richtlijn, aldus moet worden uitgelegd dat

  • een overeenkomst die de partijen verplicht om onder bepaalde voorwaarden inzake prijs en hoeveelheid uitvoeringsovereenkomsten te sluiten, om onder het begrip „raamovereenkomst” in de zin van artikel 1, lid 4, van die richtlijn te vallen, de periode moet aangeven waarin zij van toepassing is en de maximumhoeveelheid en/of de maximumwaarde van de leveringen moet bepalen waarop de volgende opdrachten betrekking kunnen hebben; de loutere vermelding van een prijsformule voor de berekening van de waarde van de te sluiten overeenkomsten en van een niet-gekwantificeerde verplichting om uitvoeringsovereenkomsten te sluiten, volstaat daarvoor niet;

  • de aanbestedende dienst, wanneer de geraamde waarde van de overeenkomsten die gedurende een bepaalde periode moeten worden gesloten krachtens een raamovereenkomst of in het kader van opdrachten die met een zekere regelmaat worden verleend of die bestemd zijn om gedurende een bepaalde periode te worden hernieuwd, zoals berekend op basis van respectievelijk lid 3 en lid 5 van artikel 17 van richtlijn 2004/17, de in artikel 16, onder a), van deze richtlijn vastgestelde drempel overschrijdt, ofwel elk van de opeenvolgende opdrachten moet plaatsen met inachtneming van de in deze richtlijn vastgestelde procedures, ofwel overeenkomstig deze richtlijn een raamovereenkomst moet sluiten in de zin en met inachtneming van de voorwaarden van artikel 1, lid 4, van deze richtlijn.

Zesde vraag in zaak C‑459/23

Ontvankelijkheid

140 Vennootschap E. is van mening dat de zesde vraag in zaak C‑459/23 niet-ontvankelijk is omdat zij niet relevant is voor het hoofdgeding. Anders dan in de premisse waarop deze vraag is gebaseerd, is de in het hoofdgeding aan de orde zijnde overeenkomst namelijk geen opdracht maar een overeenkomst op grond waarvan een opdracht moet worden geplaatst. Die overeenkomst kon dus niet worden vastgesteld zonder de voorschriften inzake het plaatsen van overheidsopdrachten in acht te nemen.

141 In het licht van de in punt 121 van het onderhavige arrest aangehaalde rechtspraak en om de in punt 122 van dit arrest uiteengezette reden moet dit bezwaar worden afgewezen. De zesde vraag in zaak C‑459/23 is derhalve ontvankelijk.

Ten gronde

142 Met zijn zesde vraag in zaak C‑459/23 wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 2 quinquies, lid 1, onder a), van richtlijn 92/13 aldus moet worden uitgelegd dat het sluiten van een overeenkomst zonder de voorschriften inzake het plaatsen van overheidsopdrachten in acht te nemen binnen de werkingssfeer van deze sanctiebepaling valt.

143 Artikel 2 quinquies, lid 1, van richtlijn 92/13 bepaalt dat indien niet vooraf een aankondiging van een opdracht in het Publicatieblad van de Europese Unie wordt bekendgemaakt, zonder dat dit op grond van richtlijn 2004/17 is toegestaan, de betrokken overeenkomst onverbindend wordt.

144 Artikel 2 quinquies is bij richtlijn 2007/66 in de oorspronkelijke versie van richtlijn 92/13 ingevoegd. De Uniewetgever heeft de aangebrachte wijzigingen verduidelijkt door in overweging 13 van richtlijn 2007/66 te verklaren dat er, ter bestrijding van de onrechtmatige onderhandse gunning van opdrachten, die het Hof in zijn arrest van 11 januari 2005, Stadt Halle en RPL Lochau (C‑26/03, EU:C:2005:5, punten 36 en 37 ), als een zeer ernstige schending van het Unieaanbestedingsrecht door een aanbestedende dienst heeft aangemerkt, diende te worden voorzien in doeltreffende, evenredige en afschrikwekkende sancties, en dat via onrechtmatige onderhandse gunningen tot stand gekomen overeenkomsten daarom in beginsel als onverbindend dienden te worden beschouwd. In overweging 14 van richtlijn 2007/66 heeft de Uniewetgever erop gewezen dat onverbindendheid de doeltreffendste manier is om de mededinging te herstellen en nieuwe zakelijke kansen te creëren voor bedrijven waaraan op een onrechtmatige manier de mogelijkheid tot mededinging is ontnomen, en dat onderhandse gunning in de zin van richtlijn 2007/66 alle gunningen dient te omvatten van opdrachten zonder voorafgaande bekendmaking van een aankondiging van de opdracht in het Publicatieblad van de Europese Unie, wat overeenkomt met een procedure zonder oproep tot mededinging in de zin van richtlijn 2004/17 (zie naar analogie arrest van 17 juni 2021, Simonsen & Weel, C‑23/20, EU:C:2021:490, punt 85 ).

145 Uit artikel 2 quinquies, lid 1, onder a), van richtlijn 92/13, gelezen in het licht van de overwegingen 13 en 14 van richtlijn 2007/66, volgt dus dat de Uniewetgever, door richtlijn 2007/66 vast te stellen, een strenge sanctie in het toepasselijke recht heeft willen opnemen, waarvan de toepassing evenwel moest worden beperkt tot de ernstigste gevallen van schending van het Unierecht inzake overheidsopdrachten, namelijk die waarin een opdracht onderhands wordt geplaatst zonder dat vooraf een aankondiging van een opdracht in het Publicatieblad van de Europese Unie is bekendgemaakt (zie naar analogie arrest van 17 juni 2021, Simonsen & Weel, C‑23/20, EU:C:2021:490, punt 86 ).

146 Hieruit volgt dat artikel 2 quinquies, lid 1, onder a), van richtlijn 92/13 van toepassing is op elke situatie waarin de aanbestedende dienst ten onrechte een opdracht heeft gegund zonder voorafgaande bekendmaking van een aankondiging in het Publicatieblad van de Europese Unie.

147 Het is juist dat overeenkomstig artikel 2 quinquies, lid 2, eerste alinea, van richtlijn 92/13 de gevolgen van de onverbindendheid van een overeenkomst door het nationale recht worden bepaald. Dat neemt niet weg dat deze bepaling geenszins ziet op de handhaving of de continuïteit van een opdracht die zonder passende voorafgaande bekendmaking is geplaatst.

148 Gelet op een en ander moet op de zesde vraag in zaak C‑459/23 worden geantwoord dat artikel 2 quinquies, lid 1, onder a), van richtlijn 92/13 aldus moet worden uitgelegd dat het sluiten van een overeenkomst zonder de voorschriften inzake het plaatsen van overheidsopdrachten in acht te nemen, binnen de werkingssfeer van deze sanctiebepaling valt.

Zevende vraag in zaak C‑459/23

Ontvankelijkheid

149 Vennootschap E. stelt dat de zevende vraag in zaak C‑459/23 irrelevant is voor het hoofdgeding. Ten eerste herhaalt deze vennootschap het reeds in punt 140 van het onderhavige arrest uiteengezette betoog. Ten tweede kan er slechts sprake zijn van rechtsmisbruik wanneer een partij verzoekt de relatieve nietigheid van de betrokken overeenkomst vast te stellen. Voor de verwijzende rechter vordert vennootschap E. echter vaststelling van de absolute nietigheid van de in het hoofdgeding aan de orde zijnde overeenkomst, dat wil zeggen vaststelling dat zij niet bestaat.

150 Dit betoog moet overeenkomstig de in punt 121 van het onderhavige arrest in herinnering gebrachte rechtspraak en om de in de punten 122 en 123 van dit arrest uiteengezette redenen worden afgewezen. Bijgevolg is de zevende vraag in zaak C‑459/23 ontvankelijk.

Ten gronde

151 Met zijn zevende vraag in zaak C‑459/23 wenst de verwijzende rechter in essentie te vernemen of het beginsel van het verbod van rechtsmisbruik aldus moet worden uitgelegd dat het eraan in de weg staat dat een aanbestedende dienst nietigverklaring kan vorderen van een overeenkomst die hij met een leverancier heeft gesloten op grond dat deze overeenkomst is gesloten zonder de voorschriften inzake het plaatsen van overheidsopdrachten in acht te nemen, terwijl de werkelijke reden voor die vordering is dat de uitvoering van die overeenkomst minder rendabel is geworden.

152 Volgens vaste rechtspraak van het Hof kunnen justitiabelen zich in geval van bedrog of misbruik niet beroepen op het Unierecht, daar het beginsel dat fraude en misbruik van recht verboden zijn een algemeen beginsel van Unierecht vormt dat justitiabelen dienen na te leven. De Unieregelgeving mag immers niet zo ruim worden toegepast dat zij handelingen zou dekken die zijn verricht met het doel om door fraude of misbruik te profiteren van de door het Unierecht toegekende voordelen (arresten van 6 februari 2018, Altun e.a., C‑359/16, EU:C:2018:63, punten 48 en 49 en aldaar aangehaalde rechtspraak, en  11 juli 2018, Commissie/België, C‑356/15, EU:C:2018:555, punt 99 ).

153 De vaststelling dat sprake is van misbruik vereist zowel een objectief als een subjectief element (arresten van 13 maart 2014, SICES e.a., C‑155/13, EU:C:2014:145, punt 31 , en  28 juli 2016, Kratzer, C‑423/15, EU:C:2016:604, punt 38 ).

154 Wat ten eerste het objectieve element betreft, moet voor deze vaststelling uit een geheel van objectieve omstandigheden blijken dat het door deze regeling beoogde doel in weerwil van de formele naleving van de door de Unieregeling opgelegde voorwaarden niet is bereikt (arresten van 14 december 2000, Emsland-Stärke, C‑110/99, EU:C:2000:695, punt 52 , en  28 juli 2016, Kratzer, C‑423/15, EU:C:2016:604, punt 39 ).

155 Ten tweede vereist een dergelijke vaststelling ook een subjectief element, in die zin dat uit een geheel van objectieve factoren moet blijken dat het wezenlijke doel van de betrokken handelingen erin bestaat een ongerechtvaardigd voordeel te verkrijgen. Het verbod van misbruik geldt namelijk niet wanneer er voor de betrokken handelingen een andere verklaring kan bestaan dan de loutere verkrijging van een voordeel (arresten van 14 december 2000, Emsland-Stärke, C‑110/99, EU:C:2000:695, punt 53 , en  28 juli 2016, Kratzer, C‑423/15, EU:C:2016:604, punt 40 ).

156 Het staat aan de verwijzende rechter om, conform de bewijsregels van het nationale recht en voor zover de doeltreffendheid van het Unierecht niet wordt aangetast, na te gaan of in het hoofdgeding sprake is van de wezenskenmerken van misbruik (zie in die zin arresten van 14 december 2000, Emsland-Stärke, C‑110/99, EU:C:2000:695, punt 54 en aldaar aangehaalde rechtspraak, en  28 juli 2016, Kratzer, C‑423/15, EU:C:2016:604, punt 42 ).

157 Om de verwijzende rechter een nuttig antwoord te geven, moet niettemin worden gepreciseerd dat het objectieve element ontbreekt ingeval een opdracht in strijd met de voorschriften van richtlijn 2004/17 zonder voorafgaande oproep tot mededinging wordt geplaatst. In een dergelijk geval kan namelijk niet worden geoordeeld dat de in de Unieregeling gestelde voorwaarden formeel zijn nageleefd.

158 Aangezien de voorwaarden inzake het bestaan van een objectief en een subjectief element cumulatief zijn, kan misbruik dus niet worden vastgesteld in het in punt 151 van het onderhavige arrest bedoelde geval waarop de zevende vraag in zaak C‑459/23 betrekking heeft.

159 Gelet op een en ander moet op de zevende vraag in zaak C‑459/23 worden geantwoord dat het beginsel van het verbod van rechtsmisbruik aldus moet worden uitgelegd dat het er niet aan in de weg staat dat een aanbestedende dienst nietigverklaring kan vorderen van een overeenkomst die hij met een leverancier heeft gesloten op grond dat deze overeenkomst is gesloten zonder de voorschriften inzake het plaatsen van overheidsopdrachten in acht te nemen, terwijl de werkelijke reden voor die vordering is dat de uitvoering van die overeenkomst minder rendabel is geworden.

Kosten

160 Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.

Het Hof (Tweede kamer) verklaart voor recht:
  1. Artikel 19, lid 1, tweede alinea, VEU, gelezen in samenhang met artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie,

    moet aldus worden uitgelegd dat

    het zich niet verzet tegen maatregelen van de president van een nationale rechterlijke instantie waarbij aan een bepaalde kamer van die rechterlijke instantie toegewezen rechters worden aangewezen om tijdelijk zitting te nemen in een andere kamer van die rechterlijke instantie, terwijl zij zitting blijven houden in hun eigen kamer, ook al hebben die rechters niet ingestemd met die aanwijzing, beschikken zij niet over enige voorziening om die aanwijzing in rechte aan te vechten, brengt deze aanwijzing een verhoging van de werklast voor de betrokken rechters met zich mee en worden zij daardoor genoodzaakt zich bezig te houden met zaken die buiten hun specialisatiegebied vallen, en is die president bij die rechterlijke instantie benoemd in omstandigheden die onverenigbaar zijn met de vereisten van artikel 19, lid 1, tweede alinea, VEU, voor zover dergelijke maatregelen zijn gebaseerd op gegronde redenen die met name verband houden met een goede rechtsbedeling, worden genomen op basis van de nationale regels die op de betrokken rechterlijke instantie van toepassing zijn, tijdelijk zijn alsook beperkt in de tijd, niet afdoen aan de toewijzing van de betrokken rechters aan hun eigen kamer en niet leiden tot demotie van die rechters of tot gevolg hebben dat zaken waarmee die rechters zijn belast, aan hen worden onttrokken.

  2. Artikel 3, lid 3, onder b), van richtlijn 2004/17/EG van het Europees Parlement en de Raad van 31 maart 2004 houdende coördinatie van de procedures voor het plaatsen van opdrachten in de sectoren water- en energievoorziening, vervoer en postdiensten, zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 1177/2009 van de Commissie van 30 november 2009, gelezen in samenhang met artikel 20, lid 1, van richtlijn 2004/17, zoals gewijzigd,

    moet aldus worden uitgelegd dat

    de aankoop door een overheidsbedrijf dat in elektriciteit handelt van groenestroomcertificaten in de zin van artikel 2, tweede alinea, onder k) en l), van richtlijn 2009/28/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2009 ter bevordering van het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen en houdende wijziging en intrekking van richtlijn 2001/77/EG en richtlijn 2003/30/EG, een activiteit is die wordt verricht met het oog op de toevoer van elektriciteit naar vaste netten die bestemd zijn om een dienst aan het publiek te verlenen op het gebied van de productie, het vervoer of de distributie van elektriciteit.

  3. Artikel 1, lid 4, van richtlijn 2004/17, zoals gewijzigd bij richtlijn nr. 1177/2009, gelezen in samenhang met artikel 14 en artikel 17, lid 2, van richtlijn 2004/17, zoals gewijzigd,

    moet aldus worden uitgelegd dat

    • een overeenkomst die de partijen verplicht om onder bepaalde voorwaarden inzake prijs en hoeveelheid uitvoeringsovereenkomsten te sluiten, om onder het begrip „raamovereenkomst” in de zin van artikel 1, lid 4, van richtlijn 2004/17, zoals gewijzigd, te vallen, de periode moet aangeven waarin zij van toepassing is en de maximumhoeveelheid en/of de maximumwaarde van de leveringen moet bepalen waarop de volgende opdrachten betrekking kunnen hebben; de loutere vermelding van een prijsformule voor de berekening van de waarde van de te sluiten overeenkomsten en van een niet-gekwantificeerde verplichting om uitvoeringsovereenkomsten te sluiten, volstaat daarvoor niet;

    • de aanbestedende dienst, wanneer de geraamde waarde van de overeenkomsten die gedurende een bepaalde periode moeten worden gesloten krachtens een raamovereenkomst of in het kader van opdrachten die met een zekere regelmaat worden verleend of die bestemd zijn om gedurende een bepaalde periode te worden hernieuwd, zoals berekend op basis van respectievelijk lid 3 en lid 5 van artikel 17 van richtlijn 2004/17, zoals gewijzigd, de in artikel 16, onder a), van richtlijn 2004/17, zoals gewijzigd, vastgestelde drempel overschrijdt, ofwel elk van de opeenvolgende opdrachten moet plaatsen met inachtneming van de in richtlijn 2004/17, zoals gewijzigd, vastgestelde procedures, ofwel overeenkomstig deze richtlijn een raamovereenkomst moet sluiten in de zin en met inachtneming van de voorwaarden van artikel 1, lid 4, van richtlijn 2004/17, zoals gewijzigd.

  4. Artikel 2 quinquies, lid 1, onder a), van richtlijn 92/13/EEG van de Raad van 25 februari 1992 tot coördinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende de toepassing van de communautaire voorschriften inzake de procedures voor het plaatsen van opdrachten door diensten die werkzaam zijn in de sectoren water- en energievoorziening, vervoer en telecommunicatie, zoals gewijzigd bij richtlijn 2007/66/EG van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2007,

    moet aldus worden uitgelegd dat

    het sluiten van een overeenkomst zonder de voorschriften inzake het plaatsen van overheidsopdrachten in acht te nemen, binnen de werkingssfeer van deze sanctiebepaling valt.

  5. Het beginsel van het verbod van rechtsmisbruik moet aldus worden uitgelegd dat het er niet aan in de weg staat dat een aanbestedende dienst nietigverklaring kan vorderen van een overeenkomst die hij met een leverancier heeft gesloten op grond dat deze overeenkomst is gesloten zonder de voorschriften inzake het plaatsen van overheidsopdrachten in acht te nemen, terwijl de werkelijke reden voor die vordering is dat de uitvoering van die overeenkomst minder rendabel is geworden.

ondertekeningen