„Aanbesteding in de zin van deze richtlijn is de aankoop door middel van een overheidsopdracht van werken, leveringen of diensten door één of meer aanbestedende diensten van door deze aanbestedende diensten gekozen ondernemers, ongeacht of de werken, leveringen of diensten een openbare bestemming hebben of niet.”
Arrest van het Hof (Vierde kamer) van 16 januari 2025
Arrest van het Hof (Vierde kamer) van 16 januari 2025
Gegevens
- Instantie
- Hof van Justitie EU
- Datum uitspraak
- 16 januari 2025
Uitspraak
Arrest van het Hof (Vierde kamer)
16 januari 2025(*)
"„Prejudiciële verwijzing - Plaatsen van overheidsopdrachten voor werken - Richtlijn 2014/24/EU - Artikel 42 - Technische specificaties - Formulering - Limitatief karakter van de in artikel 42, lid 3, opgenomen lijst - Aanbesteding waarin wordt geëist dat rioleringswerken worden uitgevoerd met buizen uit gres en beton - Uitsluiting van buizen uit kunststof - Artikel 42, lid 4 - Verwijzing naar een type of naar een bepaalde productie - Geval waarin een verwijzing vergezeld moet gaan van de woorden of gelijkwaardig ”"
In zaak C‑424/23,
betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de ondernemingsrechtbank Gent, afdeling Gent (België) bij beslissing van 28 juni 2023, ingekomen bij het Hof op 11 juli 2023, in de procedure
DYKA Plastics NV
tegenFluvius System Operator CV,
HET HOF (Vierde kamer),
samengesteld als volgt: K. Lenaerts, president van het Hof, waarnemend voor de president van de Vierde kamer, C. Lycourgos (rapporteur), president van de Derde kamer, S. Rodin, D. Gratsias en O. Spineanu-Matei, rechters,
advocaat-generaal: M. Campos Sánchez-Bordona,
griffier: A. Lamote, administrateur,
gezien de stukken en na de terechtzitting op 30 mei 2024,
gelet op de opmerkingen van:
-
DYKA Plastics NV, vertegenwoordigd door S. Van Garsse en S. Verhoeven, advocaten,
-
Fluvius System Operator CV, vertegenwoordigd door E. Gypen en G. Laenen, advocaten,
-
de Tsjechische regering, vertegenwoordigd door L. Halajová, M. Smolek en J. Vláčil als gemachtigden,
-
de Oostenrijkse regering, vertegenwoordigd door J. Schmoll en C. Pesendorfer als gemachtigden,
-
de Europese Commissie, vertegenwoordigd door G. Gattinara en G. Wils als gemachtigden,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 12 september 2024,
het navolgende
Arrest
1 Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 42 van richtlijn 2014/24/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 februari 2014 betreffende het plaatsen van overheidsopdrachten en tot intrekking van richtlijn 2004/18/EG (PB 2014, L 94, blz. 65).
2 Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen DYKA Plastics NV (hierna: „DYKA”) en Fluvius System Operator CV (hierna: „Fluvius”) over de plaatsing door laatstgenoemde van overheidsopdrachten voor rioleringswerken waarbij zij vereist dat rioleringsbuizen uit gres en beton worden gebruikt.
Toepasselijke bepalingen
Unierecht
3 De overwegingen 74 en 92 van richtlijn 2014/24 luiden als volgt:
„(74) De door de aanbestedende diensten opgestelde technische specificaties moeten de openstelling van overheidsopdrachten voor mededinging en de verwezenlijking van duurzaamheidsdoelstellingen mogelijk maken. Daarom moet het mogelijk zijn inschrijvingen in te dienen waarin de diversiteit van technische oplossingen, normen en technische specificaties op de markt tot uiting komt, met inbegrip van die welke zijn opgesteld aan de hand van prestatiecriteria die zijn gerelateerd aan de levenscyclus en de duurzaamheid van het productieproces van de bewuste werken, leveringen en diensten.
Bijgevolg moeten de technische specificaties zodanig worden opgesteld dat kunstmatige concurrentiebeperking, die erin bestaat eisen te stellen die een bepaalde ondernemer bevoordelen omdat zij afgestemd zijn op de hoofdkenmerken van de leveringen, diensten of werken zoals deze gewoonlijk door die ondernemer worden aangeboden, wordt voorkomen. Door de technische specificaties als functionele en prestatie-eisen te formuleren, kan deze doelstelling in het algemeen optimaal worden bereikt. Functionele en prestatie-eisen zijn ook geschikt om innovatie in aanbestedingen te stimuleren; zij zouden zo ruim mogelijk moeten worden toegepast. Bij verwijzing naar een Europese norm, of bij gebreke daarvan naar een nationale norm, moeten inschrijvingen op basis van gelijkwaardige oplossingen door de aanbestedende diensten in overweging worden genomen. [...]
[...]
[...]
(92) Met het oog op het beoordelen van de beste prijs-kwaliteitsverhouding moet de aanbestedende dienst bepalen welke economische en kwalitatieve criteria in verband met het voorwerp van het contract hij zal aanleggen. Deze criteria moeten dus een vergelijkende beoordeling van het prestatieniveau van iedere inschrijving mogelijk maken met betrekking tot het voorwerp van de opdracht, zoals omschreven in de technische specificaties. [...]
[...]”
4 Artikel 1 van deze richtlijn heeft als opschrift „Onderwerp en toepassingsgebied” en bepaalt in lid 2:
5 Artikel 18 van deze richtlijn draagt het opschrift „Aanbestedingsbeginselen” en bepaalt in lid 1:
„Aanbestedende diensten behandelen ondernemers op gelijke en niet-discriminerende wijze en handelen op een transparante en proportionele wijze.
Overheidsopdrachten worden niet opgesteld met het doel om deze uit te sluiten van het toepassingsgebied van de richtlijn of om de mededinging op kunstmatige wijze te beperken. De mededinging wordt geacht kunstmatig te zijn beperkt indien de aanbesteding is ontworpen met het doel bepaalde ondernemers ten onrechte te bevoordelen of te benadelen.”
6 Artikel 42 van deze richtlijn, „Technische specificaties”, luidt als volgt:
„1.De technische specificaties als omschreven in punt 1 van bijlage VII worden uitgeschreven in de aanbestedingsstukken. In de technische specificaties worden de voor een werk, dienst of levering gestelde kenmerken voorgeschreven.
Die kenmerken kunnen ook verband houden met het specifieke proces of de specifieke methode van productie of uitvoering van de gevraagde werken, leveringen of diensten of met een specifiek proces van een ander stadium van de levenscyclus ervan, zelfs wanneer deze factoren niet tot de materiële essentie van de werken, leveringen of diensten behoren, mits zij met het voorwerp van de opdracht verbonden en in verhouding tot de waarde en de doelstellingen ervan zijn.
[...]
2.De technische specificaties bieden inschrijvers gelijke toegang tot de aanbestedingsprocedures en mogen er niet toe leiden dat ongerechtvaardigde belemmeringen voor de openstelling van overheidsopdrachten voor mededinging worden opgeworpen.
3.Onverminderd dwingende nationale technische voorschriften, voor zover deze met het recht van de Unie verenigbaar zijn, worden de technische specificaties opgesteld op een van de volgende wijzen:
aan de hand van prestatie‑ of functionele eisen, inclusief milieukenmerken, mits de parameters zo nauwkeurig zijn dat de inschrijvers het voorwerp van de opdracht kunnen bepalen en de aanbestedende diensten de opdracht kunnen gunnen;
onder verwijzing naar de technische specificaties en, in volgorde van voorkeur, de nationale normen waarin Europese normen zijn omgezet, de Europese technische beoordelingen, de gemeenschappelijke technische specificaties, internationale normen, andere door de Europese normalisatie-instellingen opgestelde technische referentiesystemen, of, bij gebreke van dit alles, de nationale normen, de nationale technische goedkeuringen dan wel de nationale technische specificaties inzake het ontwerpen, het berekenen en het uitvoeren van de werken en het gebruik van de leveringen; elke verwijzing gaat vergezeld van de woorden ‚of gelijkwaardig’;
aan de hand van de onder a) bedoelde prestatie‑ of functionele eisen, waarbij onder aanname van overeenstemming met deze prestatie-eisen en functionele eisen wordt verwezen naar de onder b) bedoelde technische specificaties;
onder verwijzing naar de onder b) bedoelde technische specificaties voor bepaalde kenmerken, en naar de onder a) bedoelde prestatie‑ of functionele eisen voor andere kenmerken.
4.Behalve indien dit door het voorwerp van de opdracht gerechtvaardigd is, mag in de technische specificaties geen melding worden gemaakt van een bepaald fabricaat of een bepaalde herkomst of van een bijzondere werkwijze die kenmerkend is voor de producten of diensten van een bepaalde ondernemer, en evenmin van een merk, een octrooi of een type, een bepaalde oorsprong of een bepaalde productie, waardoor bepaalde ondernemingen of bepaalde producten worden bevoordeeld of geëlimineerd. Deze vermelding is bij wijze van uitzondering toegestaan wanneer een voldoende nauwkeurige en begrijpelijke omschrijving van het voorwerp van de opdracht krachtens lid 3 niet mogelijk is. Een dergelijke vermelding of verwijzing gaat vergezeld van de woorden ‚of gelijkwaardig’.
[...]”
7 Bijlage VII bij richtlijn 2014/24 heeft als opschrift „Definitie van enkele technische specificaties” en luidt:
„In deze richtlijn wordt verstaan onder:
‚technische specificatie’ [...]:
in geval van overheidsopdrachten voor werken: alle technische voorschriften, met name die welke zijn opgenomen in de aanbestedingsstukken, die een omschrijving geven van de vereiste kenmerken van een materiaal, een product of een levering, zodat dit of deze beantwoordt aan het gebruik waarvoor het materiaal, product of de levering door de aanbestedende dienst is bestemd; tot deze kenmerken behoren ook het niveau van milieuvriendelijkheid en klimaatprestaties, een ontwerp dat aan alle vereisten voldoet (met inbegrip van de toegankelijkheid voor gehandicapten), en de conformiteitsbeoordeling, gebruiksgeschiktheid, veiligheid, of afmetingen, met inbegrip van kwaliteitsborgingsprocedures, terminologie, symbolen, proefnemingen en proefnemingsmethoden, verpakking, markering en etikettering, gebruiksaanwijzingen en productieprocessen en -methoden tijdens de verschillende stadia van de levenscyclus van de werken; deze kenmerken omvatten eveneens de voorschriften voor het ontwerpen en het berekenen van het werk, de voorwaarden voor proefnemingen, controle en oplevering van de werken, alsmede de bouwtechnieken of bouwwijzen en alle andere technische voorwaarden die de aanbestedende dienst bij algemene dan wel bijzondere maatregel kan voorschrijven met betrekking tot de voltooide werken en tot de materialen of [bestanddelen] waaruit deze werken zijn samengesteld;
[...]”
Belgisch recht
8 Artikel 4 van de wet inzake overheidsopdrachten (overheidsopdrachtenwet) van 17 juni 2016 (Belgisch Staatsblad, 14 juli 2016, blz. 44219) bepaalt in de eerste alinea:
„De aanbesteders behandelen de ondernemers op gelijke en niet-discriminerende wijze en handelen op een transparante en proportionele wijze.”
9 Artikel 5 van deze wet bepaalt in § 1:
„Een aanbesteder stelt geen overheidsopdracht op met het doel om deze uit te sluiten van het toepassingsgebied van deze wet of om de mededinging op kunstmatige wijze te beperken. De mededinging wordt geacht kunstmatig te zijn beperkt indien de overheidsopdracht is ontworpen met het doel bepaalde ondernemers ten onrechte te bevoordelen of te benadelen.
[...]”
10 Artikel 53 van deze wet bepaalt in de §§ 2 tot en met 4:
„§ 2.De technische specificaties bieden de ondernemers gelijke toegang tot de plaatsingsprocedure en mogen er niet toe leiden dat ongerechtvaardigde belemmeringen voor de openstelling van overheidsopdrachten voor mededinging worden opgeworpen.
§ 3.Onverminderd dwingende nationale technische voorschriften, voor zover deze met het recht van de Europese Unie verenigbaar zijn, worden de technische specificaties opgesteld op een van de volgende wijzen:
hetzij aan de hand van prestatie‑ of functionele eisen, inclusief milieukenmerken, mits deze zo nauwkeurig zijn dat de inschrijvers het voorwerp van de opdracht kunnen bepalen en de aanbestedende overheid de opdracht kan gunnen;
hetzij onder verwijzing naar de technische specificaties en, in volgorde van voorkeur, naar de nationale normen waarin Europese normen zijn omgezet, de Europese technische beoordelingen, de gemeenschappelijke technische specificaties, internationale normen, andere door de Europese normalisatie-instellingen opgestelde technische referentiesystemen, of, bij gebreke van dit alles, de nationale normen, de nationale technische goedkeuringen dan wel de nationale technische specificaties inzake het ontwerpen, het berekenen en het uitvoeren van de werken en het gebruik van de leveringen. Iedere verwijzing gaat vergezeld van de woorden ‚of gelijkwaardig’;
hetzij aan de hand van de [...] onder 1° bedoelde prestatie‑ of functionele eisen, waarbij onder aanname van overeenstemming met deze prestatie-eisen en functionele eisen wordt verwezen naar de onder 2° bedoelde technische specificaties;
hetzij onder verwijzing naar de [...] onder 2° bedoelde technische specificaties voor bepaalde kenmerken, en naar de [...] onder 1° bedoelde prestatie‑ of functionele eisen voor andere kenmerken.
§ 4.In de technische specificaties mag geen melding worden gemaakt van een bepaald fabricaat of een bepaalde herkomst of van een bijzondere werkwijze die kenmerkend is voor de producten of diensten van een bepaalde ondernemer, noch mogen deze een verwijzing bevatten naar een merk, een octrooi of een type, een bepaalde oorsprong of een bepaalde productie, waardoor bepaalde ondernemingen of bepaalde producten worden bevoordeeld of geëlimineerd.
Deze vermelding of verwijzing is bij wijze van uitzondering alleen toegestaan:
wanneer, ingevolge de toepassing van paragraaf 3, geen voldoende nauwkeurige en begrijpelijke omschrijving van het voorwerp van de opdracht mogelijk zou zijn;
indien dit door het voorwerp van de opdracht is gerechtvaardigd.
In het in het tweede lid, 1° bedoelde geval moet de betreffende vermelding of verwijzing vergezeld gaan van de woorden ‚of gelijkwaardig’.
[...]”
Hoofdgeding en prejudiciële vragen
11 Fluvius is een vennootschap naar Belgisch recht die in het Vlaamse Gewest belast is met de aanleg, het beheer en het onderhoud van verschillende openbare nutsnetwerken, waaronder het rioleringsnet.
12 Bij de bekendmaking van aankondigingen van overheidsopdrachten voor de aanleg of vervanging van rioleringen eist Fluvius dat buizen uit gres (voor afvalwaterafvoersystemen) en buizen uit beton (voor regenwaterafvoersystemen) worden gebruikt. Andere materialen zijn alleen toegestaan in specifieke technische omstandigheden.
13 DYKA, producent en leverancier van rioleringsbuizen uit kunststof, is van mening dat haar uitsluiting van de door Fluvius georganiseerde openbare aanbestedingsprocedures in strijd is met de aanbestedingsbeginselen die zijn neergelegd in de artikelen 4, 5 en 53 van de overheidsopdrachtenwet, die de artikelen 18 en 42 van richtlijn 2014/24 hebben omgezet.
14 Op 4 juni 2020 heeft DYKA Fluvius in gebreke gesteld tot aanpassing van haar aanbestedingen teneinde in het kader daarvan ook rioleringsbuizen uit kunststof te kunnen aanbieden.
15 Daarnaast heeft DYKA Fluvius op 7 oktober 2020 verzocht om in de aanbestedingsstukken van een overheidsopdracht voor de aanleg van een riolering in de gemeente Beringen (België) aan te geven waarom rioleringsbuizen uit kunststof waren uitgesloten van deze opdracht.
16 Fluvius heeft in haar antwoord van 15 oktober 2020 bevestigd dat enkel buizen uit gres (voor de afvoer van afvalwater) en buizen uit beton (voor de afvoer van regenwater) werden aanvaard. Zij is van mening dat zij deze materiaalkeuze niet nader hoeft te motiveren.
17 DYKA heeft zich tot de ondernemingsrechtbank Gent, afdeling Gent (België) gewend – de verwijzende rechter – met het verzoek om Fluvius te gelasten die praktijk te beëindigen en haar te veroordelen tot betaling van een schadevergoeding.
18 Fluvius betoogt bij die rechter dat zij, met name uit duurzaamheidsoverwegingen, het recht heeft om standaard, wanneer er geen bijzondere technische omstandigheden zijn, te opteren voor rioleringsbuizen uit gres en beton. Zij is in essentie van mening dat dit vereiste geen inbreuk maakt op de beginselen van de artikelen 18 en 42 van richtlijn 2014/24.
19 De verwijzende rechter merkt op dat uit artikel 42 van richtlijn 2014/24 volgt dat technische specificaties zodanig moeten worden opgesteld dat kunstmatige concurrentiebeperking wordt voorkomen. Volgens hem blijkt uit artikel 42, lid 3, van die richtlijn, gelezen in samenhang met overweging 74 ervan, dat de doelstelling om aanbestedingen open te stellen voor mededinging in het algemeen optimaal kan worden bereikt door de technische specificaties te formuleren als prestatie‑ of functionele eisen.
20 Die rechter sluit niet uit dat artikel 42, lid 3, van richtlijn 2014/24 aldus moet worden uitgelegd dat aanbestedende diensten technische specificaties moeten formuleren op een van de wijzen die in deze bepaling worden genoemd. Het lijkt er evenwel op dat de door Fluvius gehanteerde verwijzing naar gres‑ en betonbuizen met geen enkele van die wijzen overeenstemt en bovendien tot gevolg heeft dat bepaalde ondernemingen of bepaalde producten worden geëlimineerd, wat onder het verbod van artikel 42, lid 4, van die richtlijn zou kunnen vallen. Dit zou kunnen betekenen dat de beginselen van artikel 18, lid 1, en artikel 42, lid 2, van die richtlijn zijn geschonden.
21 Derhalve heeft de ondernemingsrechtbank Gent, afdeling Gent de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen:
Moet artikel 42, lid 3 [richtlijn 2014/24] aldus worden uitgelegd dat de daarin opgenomen lijst van wijzen waarop technische specificaties dienen te worden opgesteld een limitatief karakter heeft en een aanbestedende dienst bijgevolg verplicht is om de technische specificaties van haar overheidsopdrachten vorm te geven op één van de in deze bepaling vermelde wijzen?
Moet artikel 42, lid 4 [richtlijn 2014/24] aldus worden uitgelegd dat verwijzingen in de technische specificaties van aanbestedingen naar rioleringsbuizen uit gres en beton (afhankelijk van het concreet soort rioleringssysteem) moeten worden aangemerkt als één of meerdere in deze bepaling opgesomde verwijzingen, bijvoorbeeld als verwijzingen naar bepaalde types, dan wel naar bepaalde producties van buizen?
Moet artikel 42, lid 4 [richtlijn 2014/24] aldus worden uitgelegd dat verwijzingen in de technische specificaties van aanbestedingen naar één enkel product, bijvoorbeeld naar rioleringsbuizen uit gres en beton (afhankelijk van het concreet soort rioleringssysteem) als zijnde specifieke technische oplossingen, het in deze bepaling vereiste gevolg (m.n. ‚waardoor bepaalde ondernemingen of bepaalde producten worden bevoordeeld of geëlimineerd’) reeds genereren aangezien zij ertoe leiden dat ondernemingen die alternatieve oplossingen dan het voorgeschreven product aanbieden a priori worden uitgesloten en dus benadeeld, ondanks het feit dat verschillende ondernemingen in onderlinge concurrentie met elkaar vermeld voorgeschreven product wel kunnen aanbieden, of is vereist dat er geen enkele vorm van concurrentie met betrekking tot vermeld product, bijvoorbeeld rioleringsbuizen uit gres en beton (afhankelijk van het concreet soort rioleringssysteem), aanwezig is en dat er van vermeld gevolg aldus enkel sprake kan zijn indien het betrokken product kenmerkend is voor één bepaalde onderneming die dit als enige op de markt aanbiedt?
Moet artikel 42, lid 2 [richtlijn 2014/24] aldus worden uitgelegd dat een vastgestelde schending van artikel 42, lid 3 [richtlijn 2014/24] en/of van artikel 42, lid 4 [richtlijn 2014/24], ingevolge het onwettig gebruik van verwijzingen in de technische specificaties van aanbestedingen [bijvoorbeeld naar rioleringsbuizen uit gres en beton (afhankelijk van het concreet soort rioleringssysteem)], meteen ook een schending van artikel 42, lid 2 [richtlijn 2014/24], evenals het hiermee verbonden artikel 18, lid 1 [richtlijn 2014/24] impliceert?”
Beantwoording van de prejudiciële vragen
Opmerkingen vooraf
22 Vooraf moet worden opgemerkt dat de Europese Commissie zich in haar schriftelijke opmerkingen afvraagt welke de toepasselijke richtlijn is.
23 Er zij aan herinnerd dat een prejudiciële vraag moet worden onderzocht in het licht van alle bepalingen van de Verdragen en van het afgeleide recht die relevant kunnen zijn voor het aan de orde gestelde probleem. De omstandigheid dat een verwijzende rechterlijke instantie bij de formulering van haar vraag heeft verwezen naar bepaalde voorschriften van het Unierecht, staat er niet aan in de weg dat het Hof die instantie alle uitleggingsgegevens verschaft die nuttig kunnen zijn voor de beslechting van de aldaar aanhangige zaak, ongeacht of die al dan niet in haar vragen worden genoemd (arrest van 16 juni 2022, Obshtina Razlog, C‑376/21, EU:C:2022:472, punt 51 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
24 Fluvius is belast met de aanleg, het beheer en het onderhoud van rioleringsnetten. De werken die daarbij komen kijken worden krachtens artikel 1, lid 2, van richtlijn 2014/24 in beginsel geregeld door deze richtlijn.
25 Artikel 10, lid 1, van richtlijn 2014/25/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 februari 2014 betreffende het plaatsen van opdrachten in de sectoren water‑ en energievoorziening, vervoer en postdiensten en houdende intrekking van richtlijn 2004/17/EG (PB 2014, L 94, blz. 243) bepaalt evenwel dat activiteiten die verband houden met het vervoer of de distributie van drinkwater of met drinkwatertoevoer binnen de werkingssfeer van deze richtlijn vallen. In artikel 10, lid 2, onder b), van richtlijn 2014/25 wordt gepreciseerd dat deze richtlijn tevens van toepassing is op opdrachten die gegund worden of prijsvragen die georganiseerd worden door aanbestedende instanties die een activiteit in de zin van lid 1 van dit artikel uitoefenen en die verband houden met de afvoer of behandeling van afvalwater.
26 Uit het verzoek om een prejudiciële beslissing kan niet worden afgeleid of Fluvius als aanbestedende dienst een activiteit uitoefent die verband houdt met het vervoer en de distributie van drinkwater of met drinkwatertoevoer. Ter terechtzitting heeft Fluvius evenwel, daarin ondersteund door de Commissie en DYKA, verklaard dat zij zich niet met dergelijke activiteiten bezighoudt. Onder voorbehoud van verificatie door de verwijzende rechter blijkt in casu dus richtlijn 2014/24 van toepassing te zijn.
27 Hoe dan ook moet worden opgemerkt dat de bepalingen van richtlijn 2014/24 en richtlijn 2014/25 die handelen over technische specificaties, inhoudelijk overeenkomen.
Eerste vraag
28 Met zijn eerste vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 42, lid 3, van richtlijn 2014/24 aldus moet worden uitgelegd dat de daarin opgenomen lijst van wijzen waarop technische specificaties moeten worden opgesteld, een limitatief karakter heeft.
29 In dit verband zij erop gewezen dat volgens artikel 42, lid 3, van richtlijn 2014/24 de technische specificaties worden opgesteld hetzij – overeenkomstig punt a) van deze bepaling – aan de hand van prestatie‑ of functionele eisen, hetzij – overeenkomstig punt b) van deze bepaling – onder verwijzing naar de technische specificaties en, in volgorde van voorkeur, de nationale normen waarin Europese normen zijn omgezet, de Europese technische beoordelingen, de gemeenschappelijke technische specificaties, internationale normen, andere door de Europese normalisatie-instellingen opgestelde technische referentiesystemen, of, bij gebreke van dit alles, de nationale normen, de nationale technische goedkeuringen dan wel de nationale technische specificaties inzake het ontwerpen, het berekenen en het uitvoeren van de werken en het gebruik van de leveringen, hetzij – overeenkomstig punt c) of punt d) van die bepaling – door een combinatie van die beide wijzen. Er bestaat geen hiërarchie tussen de in de onder a) tot en met d) van lid 3 van dit artikel 42 genoemde methoden voor het formuleren van technische specificaties (zie in die zin arrest van 25 oktober 2018, Roche Lietuva, C‑413/17, EU:C:2018:865, punten 26 en 28 ).
30 Zoals blijkt uit de zinsnede „worden de technische specificaties opgesteld op een van de volgende wijzen”, dat aan die punten a) tot en met d) voorafgaat, mag de aanbestedende dienst de technische specificaties enkel opstellen op een van de wijzen die in deze punten worden vermeld. Bijgevolg moet artikel 42, lid 3, van richtlijn 2014/24, zoals de advocaat-generaal in punt 44 van zijn conclusie in wezen heeft opgemerkt, aldus worden opgevat dat het een limitatieve opsomming bevat van de wijzen waarop de technische specificaties moeten worden opgesteld die in de aanbestedingsstukken moeten worden opgenomen. Indien de Uniewetgever aanvullende methoden had willen toestaan, zou hij dat hebben uitgedrukt door een formulering in die zin te gebruiken, zoals „kunnen worden opgesteld”.
31 Aan deze uitlegging wordt niet afgedaan door het feit dat aan het begin van artikel 42, lid 3, van richtlijn 2014/24 wordt gepreciseerd dat deze bepaling geldt „[o]nverminderd dwingende nationale technische voorschriften, voor zover deze met het recht van de Unie verenigbaar zijn”. Deze precisering kan, wanneer er een nationaal technisch voorschrift bestaat, weliswaar leiden tot situaties waarin aanbestedende diensten kunnen afwijken van de regel in artikel 42, lid 3, maar zij verandert als zodanig niets aan de betekenis van deze regel. Wanneer, zoals in casu, geen „dwingend nationaal technisch voorschrift” wordt aangevoerd, moeten de technische specificaties onverminderd artikel 42, lid 3, worden opgesteld op een van de onder a) tot en met d) van dit artikel 42, lid 3, genoemde wijzen.
32 Aan deze uitlegging wordt evenmin afgedaan door het feit dat artikel 42, lid 4, tweede volzin, van richtlijn 2014/24 bepaalt dat er gevallen kunnen zijn waarin „een voldoende nauwkeurige en begrijpelijke omschrijving van het voorwerp van de opdracht krachtens lid 3 [van artikel 42] niet mogelijk is”.
33 Volgens artikel 42, lid 4, tweede en derde volzin, van deze richtlijn mag de aanbestedende dienst in dat geval bij wijze van uitzondering verwijzen naar een bepaald fabricaat, een bepaalde herkomst, een bijzondere werkwijze of een ander bijzonder in de eerste volzin van deze bepaling genoemd element, vergezeld van de woorden „of gelijkwaardig”.
34 Krachtens deze uitzondering mag de aanbestedende dienst dus, wanneer geen voldoende nauwkeurige en begrijpelijke omschrijving van het voorwerp van de opdracht kan worden gegeven overeenkomstig artikel 42, lid 3, van richtlijn 2014/24, in de technische specificaties verwijzen naar de elementen die volgens artikel 42, lid 4, eerste volzin, van deze richtlijn in beginsel niet mogen worden vermeld, op voorwaarde dat deze verwijzing vergezeld gaat van de woorden „of gelijkwaardig”.
35 Bovendien wordt in artikel 42, lid 4, eerste volzin, van richtlijn 2014/24 gepreciseerd dat het verbod om de daarin genoemde elementen te vermelden niet geldt wanneer dit gerechtvaardigd is door het voorwerp van de opdracht, zodat moet worden geoordeeld dat dit geval, net als het in artikel 42, lid 4, tweede volzin, van die richtlijn beschreven geval – waarover de punten 32 tot en met 34 van het onderhavige arrest handelen –, een uitzondering vormt op de regel dat technische specificaties enkel mogen worden opgesteld op de in artikel 42, lid 3, van die richtlijn genoemde wijzen.
36 Afgezien van de in artikel 42, lid 4, van richtlijn 2014/24 genoemde gevallen en indien er geen enkel dwingend nationaal technisch voorschrift als bedoeld in artikel 42, lid 3, is, moet de in artikel 42, lid 3, onder a) tot en met d), opgenomen lijst van wijzen om technische specificaties vast te stellen dus als limitatief worden beschouwd.
37 Zoals uit het voorgaande blijkt, geldt de in punt 30 van het onderhavige arrest gegeven uitlegging, die duidelijk voortvloeit uit de woorden „worden [...] opgesteld op een van de volgende wijzen” in artikel 42, lid 3, van richtlijn 2014/24, in de regel, dat wil zeggen onverminderd de precisering aan het begin van deze bepaling en de preciseringen in artikel 42, lid 4, van die richtlijn. Aangezien uit vaste rechtspraak van het Hof blijkt dat wanneer de betekenis van een bepaling van Unierecht ondubbelzinnig uit de bewoordingen ervan blijkt, het Hof daar niet van mag afwijken (arrest van 4 oktober 2024, Agentsia po vpisvaniyata, C‑200/23, EU:C:2024:827, punt 56 en aldaar aangehaalde rechtspraak), dient de draagwijdte van artikel 42, lid 3, van die richtlijn niet verder te worden onderzocht.
38 Bijgevolg dient op de eerste vraag te worden geantwoord dat artikel 42, lid 3, van richtlijn 2014/24 aldus moet worden uitgelegd dat de daarin opgenomen lijst van wijzen waarop technische specificaties moeten worden opgesteld, een limitatief karakter heeft, onverminderd dwingende nationale technische voorschriften die verenigbaar zijn met het Unierecht in de zin van die bepaling, en onverminderd artikel 42, lid 4, van die richtlijn.
Tweede en derde vraag
39 Met zijn tweede en derde vraag, die samen moeten worden onderzocht, wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 42, lid 4, van richtlijn 2014/24 aldus moet worden uitgelegd dat aanbestedende diensten in de technische specificaties van een overheidsopdracht voor werken mogen preciseren van welk materiaal de door de inschrijvers aangeboden producten moeten zijn vervaardigd.
40 In dit verband zij er meteen op gewezen dat in een procedure voor het plaatsen van een overheidsopdracht voor werken, technische specificaties volgens artikel 42, lid 1, van richtlijn 2014/24 bedoeld zijn om „de voor een werk [...] gestelde kenmerken” voor te schrijven. De technische specificaties bepalen deze kenmerken en omschrijven dus, zoals uit overweging 92 van deze richtlijn volgt, het voorwerp zelf van de overheidsopdracht.
41 Het kan bij die specificaties onder meer gaan om de vereiste kenmerken van „een product of een levering, zodat dit of deze beantwoordt aan het gebruik waarvoor het [...] product of de levering door de aanbestedende dienst is bestemd”, zoals blijkt uit punt 1, onder a), van bijlage VII bij die richtlijn. Het gaat bij die kenmerken onder meer om alle „technische voorwaarden die de aanbestedende dienst bij algemene dan wel bijzondere maatregel kan voorschrijven met betrekking tot de voltooide werken en tot de materialen of [bestanddelen] waaruit deze werken zijn samengesteld”.
42 Hoewel aanbestedende diensten in dit kader een ruime beoordelingsmarge hebben, die gerechtvaardigd wordt door het feit dat zij het beste op de hoogte zijn van welke leveringen zij nodig hebben en het beste geplaatst zijn om de eisen te bepalen waaraan moet worden voldaan om de gewenste resultaten te bereiken, stelt richtlijn 2014/24 bepaalde grenzen die zij in acht moeten nemen. Zij moeten er namelijk volgens artikel 42, lid 2, van die richtlijn, gelezen in samenhang met artikel 18, lid 1, ervan, voor zorgen dat de technische specificaties de inschrijvers gelijke toegang bieden tot de aanbestedingsprocedures en er niet toe leiden dat ongerechtvaardigde belemmeringen voor de openstelling van overheidsopdrachten voor mededinging worden opgeworpen (zie in die zin arrest van 25 oktober 2018, Roche Lietuva, C‑413/17, EU:C:2018:865, punten 29‑33 ).
43 In dezelfde lijn volgt uit overweging 74 van die richtlijn dat de met het oog op de gunning van een overheidsopdracht opgestelde technische specificaties de opdracht open moeten stellen voor mededinging en het dus mogelijk moeten maken om inschrijvingen in te dienen die met name de diversiteit van de technische oplossingen op de markt tot uiting brengen (zie in die zin arresten van 25 oktober 2018, Roche Lietuva, C‑413/17, EU:C:2018:865, punt 36 , en 24 oktober 2024, Obshtina Pleven, C‑513/23, EU:C:2024:917, punt 36 ).
44 In diezelfde overweging 74 wordt gepreciseerd dat door de technische specificaties te formuleren als functionele en prestatie-eisen, de doelstelling van openstelling voor de mededinging in het algemeen optimaal kan worden bereikt, en dat deze wijze van formulering, die innovatie in aanbestedingen stimuleert, dus zo ruim mogelijk zou moeten worden toegepast.
45 Deze in artikel 42, lid 3, onder a), van richtlijn 2014/24 bedoelde manier om technische specificaties te formuleren, maakt het namelijk voor elke ondernemer wiens producten voldoen aan de door de aanbestedende dienst gestelde prestatie‑ en functionele eisen, mogelijk om in te schrijven, ongeacht met name het productieproces van zijn producten en het materiaal waarvan zij zijn vervaardigd.
46 Om ervoor te zorgen dat ook de in artikel 42, lid 3, onder b), van richtlijn 2014/24 bedoelde formuleringswijze een passende openstelling voor de mededinging garandeert, heeft de Uniewetgever bepaald dat technische specificaties die op deze manier worden geformuleerd, vergezeld moeten gaan van de woorden „of gelijkwaardig”.
47 Aangezien de openstelling voor de mededinging dus gewaarborgd is wanneer een van de in artikel 42, lid 3, onder a) en b), van richtlijn 2014/24 bedoelde methoden wordt toegepast, is zij ook gewaarborgd in de in artikel 42, lid 3, onder c) en d), van deze richtlijn bedoelde gevallen, waarin die twee methoden worden gecombineerd.
48 Het is volgens artikel 42, lid 4, van deze richtlijn daarentegen in beginsel verboden om in de technische specificaties melding te maken van „een bepaald fabricaat of een bepaalde herkomst of van een bijzondere werkwijze die kenmerkend is voor de producten of diensten van een bepaalde ondernemer” of van „een merk, een octrooi of een type, een bepaalde oorsprong of een bepaalde productie, waardoor bepaalde ondernemingen of bepaalde producten worden bevoordeeld of geëlimineerd”.
49 Dergelijke vermeldingen dragen immers geenszins bij tot de openstelling van de overheidsopdracht voor de mededinging, maar leiden tot een beperking van de mededinging.
50 Niettemin mag een aanbestedende dienst in de aanbestedingsstukken die de technische specificaties bevatten, bij wijze van uitzondering een verwijzing als bedoeld in artikel 42, lid 4, van richtlijn 2014/24 opnemen, op voorwaarde dat, zoals in wezen volgt uit de tweede volzin van deze bepaling, een voldoende nauwkeurige en begrijpelijke omschrijving van het voorwerp van de opdracht niet mogelijk is aan de hand van de in artikel 42, lid 3, onder a), van deze richtlijn genoemde prestatie‑ of functionele eisen of de in artikel 42, lid 3, onder b), ervan genoemde specificaties of een combinatie ervan. In dat geval vereist de derde volzin van artikel 42, lid 4, van deze richtlijn dat de aanbestedende dienst die vermelding of verwijzing vergezeld doet gaan van de woorden „of gelijkwaardig”.
51 Zoals overigens blijkt uit de zinsnede „[b]ehalve indien dit door het voorwerp van de opdracht gerechtvaardigd is” in de eerste volzin van artikel 42, lid 4, van richtlijn 2014/24, zijn de in deze bepaling genoemde vermeldingen ook mogelijk wanneer dit gelet op het voorwerp van de opdracht gerechtvaardigd is. Gelet op de plaats ervan aan het begin van lid 4 en de woorden „behalve indien”, moet deze hypothese, die verschilt van die in lid 4, tweede volzin, van artikel 42, worden opgevat als een geval waarin de aanbestedende dienst de normatieve inhoud van lid 4 buiten toepassing mag laten. Deze normatieve inhoud omvat het principiële verbod in de eerste volzin van lid 4, de uitzondering op dit verbod in de tweede volzin ervan en de verplichting in de derde volzin ervan om, wanneer deze uitzondering aan de orde is, de woorden „of gelijkwaardig” toe te voegen.
52 Wanneer een in artikel 42, lid 4, van richtlijn 2014/24 bedoelde vermelding gerechtvaardigd is gelet op het voorwerp van de opdracht, mag zij dus in de technische specificaties voorkomen, en zijn het verbod in de eerste volzin van dit lid en de voorwaarden in de tweede en de derde volzin ervan niet van toepassing.
53 Deze met de woorden „[b]ehalve indien dit door het voorwerp van de opdracht gerechtvaardigd is” bedoelde hypothese moet, op straffe van ondermijning van de doelstelling van openstelling van overheidsopdrachten voor mededinging, restrictief worden uitgelegd, zodat het alleen gaat om situaties waarin een vereiste over het gebruik van een product van een bepaald type, een bepaald merk of een bepaalde oorsprong of dat verkregen is op basis van een bepaald octrooi of een bepaalde werkwijze, onvermijdelijk voortvloeit uit het voorwerp van de opdracht.
54 De verwijzende rechter dient in het licht van alle hierboven verstrekte preciseringen over de draagwijdte van artikel 42 van richtlijn 2014/24 te beoordelen of Fluvius met de technische specificaties die zij bij het plaatsen van overheidsopdrachten voor rioleringswerken hanteert, deze overheidsopdrachten al dan niet mag beperken tot ondernemers die rioleringsbuizen uit gres (voor de afvoer van afvalwater) en beton (voor de afvoer van regenwater) leveren.
55 Hoewel het uitsluitend aan de verwijzende rechter staat om de in voormeld artikel 42 neergelegde regels, zoals uitgelegd door het Hof, toe te passen, kan het Hof niettemin aanwijzingen geven om te kunnen bepalen in hoeverre deze regels gelden voor een vermelding als die in het hoofdgeding waarbij wordt vereist dat buizen „uit gres” en „uit beton” worden gebruikt.
56 In dit verband moet ten eerste worden opgemerkt dat het materiaal waarvan een product vervaardigd is, niet kan worden aangemerkt als een „prestatie-eis” of „functionele eis” in de zin van artikel 42, lid 3, onder a), van richtlijn 2014/24. Een materiaal kan weliswaar bijdragen aan de prestaties van een product of aan de geschiktheid ervan om te voldoen aan een functionele eis, maar vormt op zich geen „prestatie-eis” of „functionele eis”.
57 In een geval als in het hoofdgeding, waarin er in de desbetreffende economische sector producten bestaan die kunnen worden onderscheiden naargelang van hun fabricaat en in het bijzonder van het materiaal waarvan zij zijn vervaardigd, moet de eis dat producten uit een bepaald materiaal worden gebruikt, zoals de advocaat-generaal in de punten 72 en 73 van zijn conclusie heeft opgemerkt, worden aangemerkt als een vermelding van een „type” of een „bepaalde productie”„waardoor bepaalde ondernemingen of bepaalde producten worden bevoordeeld of geëlimineerd” in de zin van artikel 42, lid 4, eerste volzin, van richtlijn 2014/24, aangezien deze vermelding ertoe leidt dat ondernemingen die producten leveren die van een ander dan het vereiste materiaal zijn vervaardigd, worden geëlimineerd.
58 Ten tweede zij erop gewezen dat Fluvius in antwoord op een vraag van het Hof ter terechtzitting heeft verklaard dat zij de in het hoofdgeding aan de orde zijnde technische specificatie dat buizen voor de afvoer van afvalwater uit gres en buizen voor de afvoer van regenwater uit beton moeten zijn, niet vergezeld had doen gaan van de woorden „of gelijkwaardig”.
59 Indien dit het geval is, hetgeen de verwijzende rechter dient na te gaan, betekent dit dat, zonder dat hoeft te worden onderzocht of een voldoende nauwkeurige en begrijpelijke omschrijving van het voorwerp van de in het hoofdgeding aan de orde zijnde opdrachten krachtens artikel 42, lid 3, van richtlijn 2014/24 mogelijk is, Fluvius zich niet met succes kan beroepen op de uitzondering in artikel 53, § 4, tweede alinea, onder 1°, van de overheidsopdrachtenwet, dat de omzetting in Belgisch recht vormt van artikel 42, lid 4, tweede volzin, van die richtlijn, aangezien dan niet voldaan is aan het vereiste in de derde volzin van dat artikel 42, lid 4, dat in Belgisch recht is omgezet bij artikel 53, § 4, derde alinea, van de overheidsopdrachtenwet.
60 Wat ten derde de hypothese in het begin van artikel 42, lid 4, van richtlijn 2014/24 betreft, die in de punten 51 tot en met 53 van het onderhavige arrest wordt uitgelegd en die in Belgisch recht is omgezet bij artikel 53, § 4, tweede alinea, onder 2°, van die wet, moet worden geoordeeld dat het vereiste dat voor een overheidsopdracht of een deel daarvan een bepaald materiaal wordt gebruikt, met name onvermijdelijk kan voortvloeien uit het voorwerp van de opdracht wanneer dit vereiste is gebaseerd op het esthetische effect dat de aanbestedende dienst zoekt of op de noodzaak dat een werk aangepast is aan zijn omgeving, of wanneer het in het licht van een prestatie‑ of functionele eis in de zin van artikel 42, lid 3, onder a), van deze richtlijn, onvermijdelijk is dat producten uit dat materiaal worden gebruikt. In deze situaties is immers geen enkel alternatief op basis van een andere technische oplossing denkbaar.
61 Buiten de gevallen waarin het gebruik van een materiaal onvermijdelijk voortvloeit uit het voorwerp van de opdracht, kan de aanbestedende dienst niet zonder toevoeging van de woorden „of gelijkwaardig” eisen dat een bepaald materiaal wordt gebruikt. Hij moet er dan in de technische specificaties van afzien een bepaald materiaal op te leggen, door in de aanbestedingsstukken hetzij geen materiaal te vermelden, hetzij een of meer materialen te vermelden met de woorden „of gelijkwaardig”. Zodoende zal de aanbestedende dienst ertoe gebracht worden om, overeenkomstig de met richtlijn 2014/24 nagestreefde doelstelling van openstelling voor mededinging, een verscheidenheid aan inschrijvingen te toetsen aan de gunningscriteria, waaronder dus inschrijvingen waarin producten worden aangeboden die zijn vervaardigd van materialen die in de betrokken sector courant worden gebruikt, maar ook inschrijvingen waarin producten worden aangeboden die van minder gebruikelijke of zelfs innovatieve materialen zijn vervaardigd. Op die manier geeft de aanbestedende dienst belangstellende ondernemers de mogelijkheid om de gelijkwaardigheid van die materialen aan te tonen.
62 Gelet op het voorgaande dient op de tweede en de derde vraag te worden geantwoord dat artikel 42, lid 4, van richtlijn 2014/24 aldus moet worden uitgelegd dat aanbestedende diensten in de technische specificaties van een overheidsopdracht voor werken niet zonder toevoeging van de woorden „of gelijkwaardig” mogen preciseren van welk materiaal de door inschrijvers aangeboden producten moeten zijn vervaardigd, tenzij het gebruik van een bepaald materiaal onvermijdelijk voortvloeit uit het voorwerp van de opdracht omdat er geen alternatief op basis van een andere technische oplossing denkbaar is.
Vierde vraag
63 Met zijn vierde vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 42, lid 2, van richtlijn 2014/24, gelezen in samenhang met artikel 18, lid 1, van deze richtlijn, aldus moet worden uitgelegd dat de in laatstgenoemde bepaling neergelegde verplichting om ondernemers gelijke toegang tot aanbestedingsprocedures te bieden en het daarin neergelegde verbod om ongerechtvaardigde belemmeringen voor de openstelling van overheidsopdrachten voor mededinging op te werpen, noodzakelijkerwijs worden geschonden wanneer een aanbestedende dienst via een technische specificatie die onverenigbaar is met de regels van artikel 42, leden 3 en 4, van die richtlijn bepaalde ondernemingen of producten elimineert.
64 Uit de bewoordingen van artikel 42, lid 2, van richtlijn 2014/24 blijkt duidelijk dat deze bepaling tot doel heeft om met het oog op de formulering van technische specificaties bepaalde regels van artikel 18, lid 1, van deze richtlijn in herinnering te brengen, namelijk de verplichting om inschrijvers op gelijke voet te behandelen en het verbod om de mededinging kunstmatig te beperken (zie in die zin arrest van 25 oktober 2018, Roche Lietuva, C‑413/17, EU:C:2018:865, punten 32 en 33 ).
65 Deze teneur van artikel 42, lid 2, van richtlijn 2014/24 wordt geconcretiseerd in de leden 3 en 4 van dat artikel. Zoals uit het onderzoek van de eerste tot en met de derde prejudiciële vraag blijkt en zoals wordt bevestigd door overweging 74 van deze richtlijn, berusten ook deze leden op die verplichting en dat verbod.
66 Wanneer bepaalde ondernemingen of producten worden geëlimineerd door een technische specificatie die onverenigbaar is met de regels van artikel 42, leden 3 en 4, van richtlijn 2014/24, doet die eliminatie dus noodzakelijkerwijs afbreuk aan de in artikel 42, lid 2, neergelegde verplichting om ervoor te zorgen dat de technische specificaties gelijke toegang tot de aanbestedingsprocedure bieden en de mededinging niet onrechtmatig beperken.
67 Bijgevolg dient op de vierde vraag te worden geantwoord dat artikel 42, lid 2, van richtlijn 2014/24, gelezen in samenhang met artikel 18, lid 1, van deze richtlijn, aldus moet worden uitgelegd dat de in laatstgenoemde bepaling neergelegde verplichting om ondernemers gelijke toegang tot aanbestedingsprocedures te bieden en het daarin neergelegde verbod om ongerechtvaardigde belemmeringen voor de openstelling van overheidsopdrachten voor mededinging op te werpen, noodzakelijkerwijs worden geschonden wanneer een aanbestedende dienst via een technische specificatie die onverenigbaar is met de regels van artikel 42, leden 3 en 4, van die richtlijn bepaalde ondernemingen of producten elimineert.
Kosten
68 Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.
-
Artikel 42, lid 3, van richtlijn 2014/24/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 februari 2014 betreffende het plaatsen van overheidsopdrachten en tot intrekking van richtlijn 2004/18/EG
moet aldus worden uitgelegd dat
de daarin opgenomen lijst van wijzen waarop technische specificaties moeten worden opgesteld, een limitatief karakter heeft, onverminderd dwingende nationale technische voorschriften die verenigbaar zijn met het Unierecht in de zin van die bepaling, en onverminderd artikel 42, lid 4, van die richtlijn.
-
Artikel 42, lid 4, van richtlijn 2014/24
moet aldus worden uitgelegd dat
aanbestedende diensten in de technische specificaties van een overheidsopdracht voor werken niet zonder toevoeging van de woorden „of gelijkwaardig” mogen preciseren van welk materiaal de door inschrijvers aangeboden producten moeten zijn vervaardigd, tenzij het gebruik van een bepaald materiaal onvermijdelijk voortvloeit uit het voorwerp van de opdracht omdat er geen alternatief op basis van een andere technische oplossing denkbaar is.
-
Artikel 42, lid 2, van richtlijn 2014/24, gelezen in samenhang met artikel 18, lid 1, van deze richtlijn,
moet aldus worden uitgelegd dat
de in laatstgenoemde bepaling neergelegde verplichting om ondernemers gelijke toegang tot aanbestedingsprocedures te bieden en het daarin neergelegde verbod om ongerechtvaardigde belemmeringen voor de openstelling van overheidsopdrachten voor mededinging op te werpen, noodzakelijkerwijs worden geschonden wanneer een aanbestedende dienst via een technische specificatie die onverenigbaar is met de regels van artikel 42, leden 3 en 4, van die richtlijn bepaalde ondernemingen of producten elimineert.
Lenaerts
Lycourgos
Rodin
Gratsias
Spineanu-Matei
Uitgesproken ter openbare terechtzitting te Luxemburg op 16 januari 2025.
De griffier
A. Calot Escobar
De president
K. Lenaerts