Home

Arrest van het Hof (Negende kamer) van 24 oktober 2024

Arrest van het Hof (Negende kamer) van 24 oktober 2024

Gegevens

Instantie
Hof van Justitie EU
Datum uitspraak
24 oktober 2024

Uitspraak

Arrest van het Hof (Negende kamer)

24 oktober 2024(*)

"„Prejudiciële verwijzing - Procedures voor het plaatsen van overheidsopdrachten voor werken, leveringen en diensten - Richtlijn 2014/24/EU - Overheidsopdrachten voor werken - Artikel 42, lid 3, onder b) - Technische specificaties - Woorden ,of gelijkwaardig’ - Verwijzing naar technische normen - Verordening (EU) nr. 305/2011 - Richtlijn 2014/35/EU”"

In zaak C‑513/23,

betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de Аdministrativen sad Pleven (bestuursrechter Pleven, Bulgarije) bij beslissing van 28 juli 2023, ingekomen bij het Hof op 9 augustus 2023, in de procedure

Obshtina Pleven

tegen

Rakovoditel na Upravlyavashtia organ na Operativna programa „Regioni v rastezh” 2014‑2020,

HET HOF (Negende kamer),

samengesteld als volgt: C. Lycourgos (rapporteur), president van de Derde kamer, waarnemend voor de president van de Negende kamer, S. Rodin en O. Spineanu-Matei, rechters,

advocaat-generaal: M. Campos Sánchez-Bordona,

griffier: A. Calot Escobar,

gezien de stukken,

  1. gelet op de opmerkingen van:

    • Obshtina Pleven, vertegenwoordigd door M. Manolova-Naydenova, advokat,

    • de Oostenrijkse regering, vertegenwoordigd door A. Posch en J. Schmoll als gemachtigden,

    • de Europese Commissie, vertegenwoordigd door A. Spina, G. Wils en I. Zaloguin als gemachtigden,

gelet op de beslissing, de advocaat-generaal gehoord, om de zaak zonder conclusie te berechten,

het navolgende

Arrest

1 Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 42, lid 3, onder b), van richtlijn 2014/24/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 februari 2014 betreffende het plaatsen van overheidsopdrachten en tot intrekking van richtlijn 2004/18/EG (PB 2014, L 94, blz. 65), zoals gewijzigd bij gedelegeerde verordening (EU) 2019/1828 van de Commissie van 30 oktober 2019 (PB 2019, L 279, blz. 25; hierna: „richtlijn 2014/24”), gelezen in samenhang met punt 2 van bijlage VII bij deze richtlijn.

2 Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen de Obshtina Pleven (gemeente Pleven, Bulgarije) en de rakovoditel na Upravliavashtia organ na Operativna programa „Regioni v rastezh” 2014‑2020 (hoofd van de beheersautoriteit voor het operationele programma „Regio’s in ontwikkeling” 2014‑2020, Bulgarije) over een besluit waarbij dat hoofd aan die gemeente een correctie heeft opgelegd van de uitgaven die in aanmerking komen voor financiering van een project betreffende een duurzame stadsstructuur uit dit operationele programma, wegens vermeende schending van de regels inzake overheidsopdrachten.

Toepasselijke bepalingen

Unierecht

Richtlijn 98/34

3 Richtlijn 98/34/EG van het Europees Parlement en de Raad van 22 juni 1998 betreffende een informatieprocedure op het gebied van normen en technische voorschriften en regels betreffende de diensten van de informatiemaatschappij (PB 1998, L 204, blz. 37), die op de datum van de feiten in het hoofdgeding niet meer van kracht was, is relevant in het licht van de toepasselijke EU-wetgeving. Bijlage I bij deze richtlijn, met als opschrift „Europese normalisatie-instellingen”, bevatte de volgende lijst:

„CEN

Europees Comité voor normalisatie

Cenelec

Europees Comité voor elektrotechnische normalisatie

ETSI

Europees Normalisatie-instituut voor Telecommunicatie”.

4 Artikel 6, lid 3, van die richtlijn bepaalde dat de Europese Commissie de Europese normalisatie-instellingen kan verzoeken binnen een bepaalde termijn een Europese norm vast te stellen.

Verordening nr. 305/2011

5 Artikel 2 van verordening (EU) nr. 305/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 9 maart 2011 tot vaststelling van geharmoniseerde voorwaarden voor het verhandelen van bouwproducten en tot intrekking van richtlijn 89/106/EEG van de Raad (PB 2011, L 88, blz. 5) bepaalt:

„Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder:

[…]

  1. ‚geharmoniseerde norm’: een norm die door een van de in bijlage I bij richtlijn 98/34/EG genoemde Europese normalisatie-instellingen is vastgesteld op grond van een verzoek dat door de Commissie overeenkomstig artikel 6 van die richtlijn is ingediend;

[…]”

6 Artikel 17, lid 5, van deze verordening luidt als volgt:

„De Commissie beoordeelt de conformiteit van de door de Europese normalisatie-instellingen vastgestelde geharmoniseerde normen met de betrokken mandaten.

De Commissie maakt in het Publicatieblad van de Europese Unie de lijst bekend met de referentienummers van de geharmoniseerde normen die conform de betrokken mandaten zijn.

Voor elke geharmoniseerde norm in de lijst wordt het volgende vermeld:

  1. in voorkomend geval, referentienummers van achterhaalde geharmoniseerde technische specificaties;

  2. begindatum van de co-existentieperiode;

  3. einddatum van de co-existentieperiode.

De Commissie maakt alle bijwerkingen van die lijst bekend.

Vanaf de begindatum van de co-existentieperiode kan een geharmoniseerde norm worden gebruikt voor het opstellen van een prestatieverklaring voor een bouwproduct dat onder deze norm valt. Nationale normalisatie-instellingen zijn verplicht de geharmoniseerde normen om te zetten overeenkomstig richtlijn 98/34/EG.

Onverminderd de artikelen 36 tot en met 38, [tot vaststelling van vereenvoudigde procedures,] is vanaf de einddatum van de co-existentieperiode de geharmoniseerde norm de enige wijze voor het opstellen van een prestatieverklaring voor een bouwproduct dat onder deze norm valt.

Na afloop van de co-existentieperiode worden met elkaar strijdige nationale normen ingetrokken en beëindigen de lidstaten de geldigheid van alle met elkaar strijdige nationale bepalingen.”

Verordening nr. 1025/2012

7 Artikel 2 van verordening (EU) nr. 1025/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 betreffende Europese normalisatie, tot wijziging van de richtlijnen 89/686/EEG en 93/15/EEG van de Raad alsmede de richtlijnen 94/9/EG, 94/25/EG, 95/16/EG, 97/23/EG, 98/34/EG, 2004/22/EG, 2007/23/EG, 2009/23/EG en 2009/105/EG van het Europees Parlement en de Raad en tot intrekking van beschikking 87/95/EEG van de Raad en besluit nr. 1673/2006/EG van het Europees Parlement en de Raad (PB 2012, L 316, blz. 12) bepaalt:

„Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder:

  1. ‚norm’: een door een erkende normalisatie-instelling vastgestelde technische specificatie voor herhaalde of voortdurende toepassing, waarvan de naleving niet verplicht is en die tot een van de volgende categorieën behoort:

    1. ‚internationale norm’: een door een internationale normalisatie-instelling vastgestelde norm;

    2. ‚Europese norm’: een door een Europese normalisatieorganisatie vastgestelde norm;

    3. ‚geharmoniseerde norm’: een Europese norm die op verzoek van de Commissie is vastgesteld met het oog op de toepassing van harmonisatiewetgeving van de Unie;

    4. ‚nationale norm’: een door een nationale normalisatie-instelling vastgestelde norm;

    […]”

Richtlijn 2014/24

8 Overweging 74 van richtlijn 2014/24 luidt als volgt:

  • „De door de aanbestedende diensten opgestelde technische specificaties moeten de openstelling van overheidsopdrachten voor mededinging en de verwezenlijking van duurzaamheidsdoelstellingen mogelijk maken. Daarom moet het mogelijk zijn inschrijvingen in te dienen waarin de diversiteit van technische oplossingen, normen en technische specificaties op de markt tot uiting komt, met inbegrip van die welke zijn opgesteld aan de hand van prestatiecriteria die zijn gerelateerd aan de levenscyclus en de duurzaamheid van het productieproces van de bewuste werken, leveringen en diensten.

    Bijgevolg moeten de technische specificaties zodanig worden opgesteld dat kunstmatige concurrentiebeperking, die erin bestaat eisen te stellen die een bepaalde ondernemer bevoordelen omdat zij afgestemd zijn op de hoofdkenmerken van de leveringen, diensten of werken zoals deze gewoonlijk door die ondernemer worden aangeboden, wordt voorkomen. Door de technische specificaties als functionele en prestatie-eisen te formuleren, kan deze doelstelling in het algemeen optimaal worden bereikt. Functionele en prestatie-eisen zijn ook geschikt om innovatie in aanbestedingen te stimuleren; zij zouden zo ruim mogelijk moeten worden toegepast. Bij verwijzing naar een Europese norm, of bij gebreke daarvan naar een nationale norm, moeten inschrijvingen op basis van gelijkwaardige oplossingen door de aanbestedende diensten in overweging worden genomen. Het is aan de ondernemer om het bewijs te leveren van gelijkwaardigheid aan het gevraagde keurmerk.

    De inschrijvers moeten kunnen worden verplicht de gelijkwaardigheid te staven met door derden geverifieerde bewijsmiddelen. Andere passende bewijsmiddelen zoals een technisch dossier van de fabrikant moeten echter ook worden aanvaard als de betrokken ondernemer geen toegang heeft tot dergelijke certificaten of testverslagen, of deze niet binnen de toepasselijke termijnen kan verkrijgen, mits de betrokken ondernemer hierbij aantoont dat de werken, leveringen of diensten voldoen aan de eisen of criteria die zijn vastgelegd in de technische specificaties, de gunningscriteria of de contractvoorwaarden.”

  • 9 Artikel 4 van deze richtlijn bepaalt:

    „Deze richtlijn is van toepassing op opdrachten waarvan de geraamde waarde exclusief belasting over de toegevoegde waarde (btw) gelijk is aan of groter dan de volgende drempelbedragen:

    1. 5 350 000 [EUR] voor overheidsopdrachten voor werken;

    […]”

    10 Artikel 42 van die richtlijn bepaalt:

    „[…]

    2.

    De technische specificaties bieden inschrijvers gelijke toegang tot de aanbestedingsprocedures en mogen er niet toe leiden dat ongerechtvaardigde belemmeringen voor de openstelling van overheidsopdrachten voor mededinging worden opgeworpen.

    3.

    Onverminderd dwingende nationale technische voorschriften, voor zover deze met het recht van de Unie verenigbaar zijn, worden de technische specificaties opgesteld op een van de volgende wijzen:

    […]

    1. onder verwijzing naar de technische specificaties en, in volgorde van voorkeur, de nationale normen waarin Europese normen zijn omgezet, de Europese technische beoordelingen, de gemeenschappelijke technische specificaties, internationale normen, andere door de Europese normalisatie-instellingen opgestelde technische referentiesystemen, of, bij gebreke van dit alles, de nationale normen, de nationale technische goedkeuringen dan wel de nationale technische specificaties inzake het ontwerpen, het berekenen en het uitvoeren van de werken en het gebruik van de leveringen; elke verwijzing gaat vergezeld van de woorden ,of gelijkwaardig’;

    […]

    5.

    Wanneer een aanbestedende dienst gebruikmaakt van de mogelijkheid te verwijzen naar de in lid 3, onder b), genoemde technische specificaties, wijst hij een inschrijving niet af op grond van het feit dat de aangeboden werken, leveringen of diensten niet overeenstemmen met de betrokken technische specificaties, wanneer de inschrijver in zijn inschrijving met elk passend middel, inclusief de in artikel 44 bedoelde bewijsmiddelen, aantoont dat de voorgestelde oplossingen op gelijkwaardige wijze voldoen aan de in de technische specificaties gestelde eisen.

    […]”

    11 Artikel 44 van die richtlijn bepaalt:

    „1.

    De aanbestedende diensten kunnen eisen dat ondernemers een testverslag of certificaat van een conformiteitsbeoordelingsinstantie verstrekken als bewijs van overeenstemming met de voorschriften of criteria die zijn neergelegd in de technische specificaties, de gunningscriteria of de contractvoorwaarden.

    Wanneer aanbestedende diensten eisen dat certificaten van een specifieke conformiteitsbeoordelingsinstantie worden overgelegd, worden door hen ook certificaten van andere gelijkwaardige conformiteitsbeoordelingsinstanties aanvaard.

    […]

    2.

    Aanbestedende diensten aanvaarden andere dan de in lid 1 bedoelde geschikte bewijsmiddelen, zoals een technisch dossier van de fabrikant, wanneer de betrokken ondernemer geen toegang had tot de in lid 1 bedoelde certificaten of testverslagen of deze niet binnen de desbetreffende termijnen kon verkrijgen, mits het ontbreken van toegang de betrokken ondernemer niet valt aan te rekenen, op voorwaarde dat de betrokken ondernemer daarbij aantoont dat de door hem geleverde werken, leveringen of diensten voldoen aan de voorschriften of criteria van de technische specificaties, de gunningscriteria of de contractvoorwaarden.

    3.

    De lidstaten verstrekken andere lidstaten op hun verzoek alle informatie met betrekking tot de middelen en documenten die overeenkomstig […] de leden 1 en 2 van dit artikel zijn overgelegd. […]”

    12 Bijlage VII bij richtlijn 2014/24 luidt:

    „In deze richtlijn wordt verstaan onder:

    […]

    1. ‚norm’: een door een erkende normalisatie-instelling vastgestelde technische specificatie voor herhaalde of voortdurende toepassing, waarvan de naleving niet verplicht is en die tot een van de volgende categorieën behoort

      1. ‚internationale norm’: een door een internationale normalisatie-instelling vastgestelde norm die ter beschikking van het publiek wordt gesteld;

      2. ‚Europese norm’: een door een Europese normalisatie-instelling vastgestelde norm die ter beschikking van het publiek wordt gesteld;

      3. ‚nationale norm’: een door een nationale normalisatie-instelling vastgestelde norm die ter beschikking van het publiek wordt gesteld;

    […]”

    Richtlijn 2014/35

    13 Artikel 2 van richtlijn 2014/35/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 februari 2014 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen van de lidstaten inzake het op de markt aanbieden van elektrisch materiaal bestemd voor gebruik binnen bepaalde spanningsgrenzen (PB 2014, L 96, blz. 357) bepaalt:

    „Voor de toepassing van deze richtlijn wordt verstaan onder:

    […]

    1. ‚geharmoniseerde norm’: een geharmoniseerde norm zoals gedefinieerd in artikel 2, punt 1, onder c), van verordening (EU) nr. 1025/2012;

    […]”

    Bulgaars recht

    14 Krachtens artikel 48, lid 2, van de Zakon za obshtestvenite porachki (wet inzake overheidsopdrachten, DV nr. 13 van 16 februari 2016), in de versie zoals die van toepassing is op het hoofdgeding (hierna: „wet inzake overheidsopdrachten”), wordt elke verwijzing naar een norm, specificatie, technische beoordeling of technische goedkeuring aangevuld met de woorden „of gelijkwaardig”.

    Hoofdgeding en prejudiciële vraag

    15 Op 10 juli 2020 heeft de gemeente Pleven een beheersovereenkomst gesloten met het Ministerstvo na regionalnoto razvitie i blagoustroystvoto (ministerie van Regionale Ontwikkeling en Openbare Werken, Bulgarije) voor de verkrijging, in het kader van het Operativna programa „Regioni v rastezh” 2014‑2020 (operationeel programma „Regio’s in ontwikkeling” 2014‑2020), van een subsidie voor de financiering van een project dat bijdraagt aan een duurzame stadsstructuur.

    16 In dat kader heeft deze gemeente een aanbestedingsprocedure georganiseerd met de benaming „Uitvoering van bouwwerken voor de renovatie van lineaire objecten in de stedelijke omgeving van Pleven, bestaande uit drie percelen”. In de technische specificaties van perceel nr. 1 werd verwezen naar de normen BDS 624:87 (Betonnen stoepranden), BDS EN 1340:2005 (Betonnen stoepranden voor ondergronden. Eisen en testmethode) en EN 60332‑1‑2 (Beproeving van leidingen, geïsoleerde leidingen en glasvezelkabels op het gedrag bij brand. Deel 1‑2. Beproeving van de verticale brandvoortplanting bij een enkele geïsoleerde draad of enkele leiding. Procedure voor een 1 kW‑vlam met voormengsel). Deze technische specificaties bevatten niet de woorden „of gelijkwaardig”.

    17 Op 19 februari 2021 is voor elk van de percelen van de overheidsopdracht een opdrachtnemer aangewezen. Op 23 maart 2021 is met de opdrachtnemer van perceel nr. 1 een overeenkomst gesloten voor een waarde van 1 449 180,17 Bulgaarse lev (BGN) (ongeveer 740 000 EUR) exclusief btw.

    18 Bij besluit van 20 maart 2023 heeft het hoofd van de beheersautoriteit voor het operationele programma „Regio’s in ontwikkeling” 2014‑2020 een financiële correctie opgelegd van de uitgaven die in aanmerking komen voor financiering door de Bulgaarse Staat, overeenkomend met 25 % van de waarde van het contract. Deze financiële correctie is met name opgelegd op grond dat de procedure voor het plaatsen van de betrokken overheidsopdracht niet was gevoerd in overeenstemming met artikel 48, lid 2, van de wet inzake overheidsopdrachten, dat artikel 42 van richtlijn 2014/24 omzet en met name bepaalt dat elke technische specificatie van een overheidsopdracht die naar een norm verwijst, moet worden aangevuld met de woorden „of gelijkwaardig”. Door een dergelijke vermelding achterwege te laten, heeft de gemeente Pleven de mogelijkheid tot deelname aan deze procedure voor alle belangstellende ondernemers op ongerechtvaardigde wijze beperkt, hetgeen financiële gevolgen heeft, aangezien daardoor een risico van schade voor de begroting van de Europese Unie ontstaat.

    19 De gemeente Pleven heeft bij de Administrativen sad Pleven (bestuursrechter Pleven, Bulgarije), de verwijzende rechter, beroep ingesteld tot nietigverklaring van dit besluit. Zij betoogt dat het weglaten van de woorden „of gelijkwaardig” er niet toe heeft geleid dat de potentiële deelnemers aan die procedure zijn ontmoedigd. Bouwproducten moeten immers in overeenstemming zijn met de in verordening nr. 305/2011 neergelegde essentiële voorschriften. De normen BDS EN 1340:2005 en EN 60332‑1‑2 vormen „geharmoniseerde normen” in de zin van deze verordening. Bijgevolg zijn er geen normen die gelijkwaardig zijn aan deze normen en elke andere norm is in strijd met de toepasselijke regeling.

    20 In dit verband is volgens de uitleg in een aan de verwijzende rechter overgelegde brief van het Balgarski institut po standartizatsia (Bulgaars normalisatie-instituut) in 2005 de Bulgaarse norm BDS EN 1340:2005, die ten tijde van de opstelling van die brief van kracht was, in de plaats gekomen van de Bulgaarse norm BDS 624:1987. De norm BDS EN 60332‑1‑2:2006 is de Bulgaarse norm waarbij de Europese norm wordt ingevoerd die identiek is aan de internationale norm IEC 60332‑1‑2:2004. Het begrip „gelijkwaardigheid” heeft geen betekenis op het gebied van de internationale, Europese of nationale normalisatie, waarvan het beginsel juist is om voor elk voorwerp één norm vast te stellen.

    21 Gelet op het feit dat de betrokken overheidsopdracht wordt gefinancierd uit de begroting van de Unie, merkt de verwijzende rechter op dat volgens punt 2 van bijlage VII bij richtlijn 2014/24 een „norm” een technische specificatie is waarvan de naleving niet verplicht is.

    22 Volgens deze rechter zijn de bij hem aan de orde zijnde normen geharmoniseerde normen in de zin van verordening nr. 305/2011. In het licht van punt 40 van het arrest van 27 oktober 2016, James Elliott Construction (C‑613/14, EU:C:2016:821 ), en de punten 65 en 66 van het arrest van 17 december 2020, Duitsland/Commissie (C‑475/19 P en C‑688/19 P, EU:C:2020:1036 ), is deze rechter van oordeel dat dergelijke normen als bindend kunnen worden beschouwd.

    23 Op basis daarvan vraagt deze rechter zich af of deze normen binnen de werkingssfeer van artikel 42, lid 3, onder b), van richtlijn 2014/24 vallen en of een aanbestedende dienst verplicht is of het recht heeft om een gelijkwaardige norm te eisen.

    24 In die omstandigheden heeft de Administrativen sad Pleven de behandeling van de zaak geschorst en het Hof de volgende prejudiciële vraag gesteld:

    „Moet artikel 42, lid 3, onder b), gelezen in samenhang met bijlage VII, punt 2, bij [richtlijn 2014/24] aldus worden uitgelegd dat een nationale regeling en rechtspraak toelaatbaar is volgens welke de aanbestedende dienst er steeds voor moet zorgen dat elke verwijzing naar een na te leven norm in de aankondiging van de opdracht vergezeld gaat van de woorden ‚of gelijkwaardig’, ook wanneer moet worden voldaan aan een geharmoniseerde norm die is vastgesteld krachtens [verordening nr. 305/2011] of krachtens de ingetrokken richtlijn 89/106/EEG van de Raad [van 21 december 1988 betreffende de onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen der lidstaten inzake voor de bouw bestemde producten (PB 1989, L 40, blz. 12)]?”

    Beantwoording van de prejudiciële vraag

    25 Met zijn prejudiciële vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 42, lid 3, onder b), van richtlijn 2014/24 aldus moet worden uitgelegd dat het zich niet verzet tegen een nationale regeling die van de aanbestedende diensten verlangt dat zij de woorden „of gelijkwaardig” toevoegen in alle gevallen waarin de technische specificaties in de aanbestedingsstukken zijn geformuleerd onder verwijzing naar nationale normen waarin Europese normen zijn omgezet, met inbegrip van geharmoniseerde normen die vallen onder verordening nr. 305/2011.

    26 Om te beginnen moet worden opgemerkt dat uit het verzoek om een prejudiciële beslissing niet kan worden afgeleid dat de geraamde waarde van de in het hoofdgeding aan de orde zijnde opdracht gelijk is aan of hoger is dan de in artikel 4, onder a), van richtlijn 2014/24 vastgestelde drempel van 5 350 000 EUR met betrekking tot overheidsopdrachten voor werken, en dat deze opdracht dus binnen de werkingssfeer van deze richtlijn valt.

    27 Hoe dan ook blijkt uit vaste rechtspraak van het Hof dat wanneer een nationale regeling zich voor haar oplossingen voor situaties waarop een handeling van de Unie niet van toepassing is, rechtstreeks en onvoorwaardelijk conformeert aan de in die handeling gekozen oplossingen, de Unie er stellig belang bij heeft dat de overgenomen bepalingen van die handeling op eenvormige wijze worden uitgelegd. Daardoor kunnen immers uiteenlopende uitleggingen in de toekomst worden vermeden en kunnen deze situaties op dezelfde wijze worden behandeld als situaties die wel binnen de werkingssfeer van die bepalingen vallen (arrest van 7 december 2023, Obshtina Razgrad, C‑441/22 en C‑443/22, EU:C:2023:970, punt 39 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

    28 In dit verband heeft het Hof reeds geoordeeld dat de wet inzake overheidsopdrachten, waarbij richtlijn 2014/24 in Bulgaars recht is omgezet, algemeen van toepassing is op alle procedures voor het plaatsen van met Europese middelen gesubsidieerde overheidsopdrachten, ongeacht de waarde van de opdrachten (arrest van 7 december 2023, Obshtina Razgrad, C‑441/22 en C‑443/22, EU:C:2023:970, punt 40 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

    29 Uit het verzoek om een prejudiciële beslissing blijkt dat de in het hoofdgeding aan de orde zijnde overheidsopdracht wordt gefinancierd uit de begroting van de Unie en dat de wet inzake overheidsopdrachten artikel 42, lid 3, onder b), van richtlijn 2014/24 in Bulgaars recht omzet, zodat de in die bepaling neergelegde regels van toepassing zijn op deze overheidsopdracht.

    30 In die omstandigheden staat het feit dat de geraamde waarde van de in het hoofdgeding aan de orde zijnde opdracht niet uit dit verzoek blijkt, er niet aan in de weg dat het Hof de prejudiciële vraag beantwoordt.

    31 Tegen de achtergrond van deze voorafgaande verduidelijkingen moet worden opgemerkt dat artikel 42, lid 3, onder b), van richtlijn 2014/24 bepaalt dat de technische specificaties met name worden geformuleerd door verwijzing, in volgorde van voorkeur, naar nationale normen waarin Europese normen zijn omgezet, internationale normen of nationale normen. Deze bepaling bepaalt ook dat „elke verwijzing” vergezeld gaat van de woorden „of gelijkwaardig”.

    32 Uit de bewoordingen van deze bepaling blijkt dat de woorden „of gelijkwaardig” altijd moeten worden toegevoegd wanneer technische specificaties worden geformuleerd onder verwijzing naar normen, met inbegrip van nationale normen waarin Europese normen zijn omgezet. Deze bepaling voorziet niet in een uitzondering voor geharmoniseerde normen in de zin van artikel 2, punt 11, van verordening nr. 305/2011.

    33 Een dergelijk vereiste is overigens in overeenstemming met bijlage VII, punt 2, bij richtlijn 2014/24, waarin de term „norm” wordt gedefinieerd als een technische specificatie die door een erkende internationale, Europese of nationale normalisatie-instelling is vastgesteld voor herhaalde of voortdurende toepassing, waarvan de naleving niet verplicht is en die ter beschikking van het publiek is gesteld.

    34 Derhalve kan een nationale regeling niet worden bekritiseerd op grond dat zij van de aanbestedende diensten verlangt dat zij de woorden „of gelijkwaardig” toevoegen in alle gevallen waarin technische specificaties worden geformuleerd onder verwijzing naar normen.

    35 Deze uitlegging wordt bevestigd door de vaststelling dat de inschrijver overeenkomstig artikel 42, lid 5, van deze richtlijn, wanneer de aangeboden werken, leveringen of diensten niet in overeenstemming zijn met technische specificaties die overeenkomstig artikel 42, lid 3, onder b), van die richtlijn zijn geformuleerd onder verwijzing naar normen, in zijn inschrijving kan aantonen dat de voorgestelde oplossingen op gelijkwaardige wijze voldoen aan de in die technische specificaties gestelde eisen.

    36 De beoordeling in punt 34 van het onderhavige arrest vindt ook steun in het in overweging 74 van richtlijn 2014/24 genoemde doel van deze richtlijn, namelijk dat de door aanbestedende diensten opgestelde technische specificaties het mogelijk maken overheidsopdrachten open te stellen voor mededinging en met name de diversiteit van technische oplossingen op de markt tot uiting te brengen.

    37 Uit een en ander volgt dat het in casu irrelevant is dat de norm EN 1340:2003, die is omgezet bij de door de verwijzende rechter vermelde norm BDS EN 1340:2005, zonder nadien te zijn vervangen of achterhaald, voorkomt op de lijst van geharmoniseerde normen die is opgenomen in de laatste mededeling van de Commissie die in het kader van de uitvoering van verordening nr. 305/2011 is bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie (PB 2018, C 92, blz. 139). Evenmin is relevant dat de norm EN 60332‑1‑2:2004 ten tijde van de feiten die aan het hoofdgeding ten grondslag liggen, voorkwam op de lijst van geharmoniseerde normen die in het Publicatieblad van de Europese Unie was bekendgemaakt bij een mededeling van de Commissie in het kader van de uitvoering van richtlijn 2014/35 (PB 2018, C 326, blz. 4).

    38 Gelet op een en ander moet op de gestelde vraag worden geantwoord dat artikel 42, lid 3, onder b), van richtlijn 2014/24 aldus moet worden uitgelegd dat het zich niet verzet tegen een nationale regeling die van de aanbestedende diensten verlangt dat zij de woorden „of gelijkwaardig” toevoegen in alle gevallen waarin de technische specificaties in de aanbestedingsstukken zijn geformuleerd onder verwijzing naar nationale normen waarin Europese normen zijn omgezet, met inbegrip van geharmoniseerde normen die vallen onder verordening nr. 305/2011.

    Kosten

    39 Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.

    Het Hof (Negende kamer) verklaart voor recht:

    Artikel 42, lid 3, onder b), van richtlijn 2014/24/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 februari 2014 betreffende het plaatsen van overheidsopdrachten en tot intrekking van richtlijn 2004/18/EG, zoals gewijzigd bij gedelegeerde verordening (EU) 2019/1828 van de Commissie van 30 oktober 2019,

    moet aldus worden uitgelegd dat

    het zich niet verzet tegen een nationale regeling die van de aanbestedende diensten verlangt dat zij de woorden „of gelijkwaardig” toevoegen in alle gevallen waarin de technische specificaties in de aanbestedingsstukken zijn geformuleerd onder verwijzing naar nationale normen waarin Europese normen zijn omgezet, met inbegrip van geharmoniseerde normen die vallen onder verordening (EU) nr. 305/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 9 maart 2011 tot vaststelling van geharmoniseerde voorwaarden voor het verhandelen van bouwproducten en tot intrekking van richtlijn 89/106/EEG van de Raad.

    ondertekeningen