Home

Arrest van het Hof (Achtste kamer) van 3 juli 2025

Arrest van het Hof (Achtste kamer) van 3 juli 2025

Gegevens

Instantie
Hof van Justitie EU
Datum uitspraak
3 juli 2025

Uitspraak

Arrest van het Hof (Achtste kamer)

3 juli 2025(*)

"„Hogere voorziening - Overheidsopdrachten gegund door de Europese Unie - Verordening (EU, Euratom) 2018/1046 - Overeenkomst voor diensten op het gebied van taalonderwijs - Verplichting om inschrijvingen in te dienen via de elektronische toepassing eSubmission - Gebruik, door een inschrijver, van een snelkoppeling naar een website met beschrijvende documenten van de inschrijving - Weigering van de autoriteiten om rekening te houden met deze documenten - Rechtszekerheidsbeginsel en vertrouwensbeginsel - Artikel 41 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie - Objectieve onpartijdigheid - Motiveringsplicht - Vergelijkende methode voor de evaluatie van inschrijvingen”"

In de gevoegde zaken C‑534/23 P en C‑539/23 P,

betreffende twee hogere voorzieningen krachtens artikel 56 van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie, respectievelijk ingesteld op 18 en 23 augustus 2023,

Instituto Cervantes, gevestigd te Madrid (Spanje), vertegenwoordigd door E. Van Nuffel d’Heynsbroeck, avocat,

rekwirant in zaak C‑534/23 P, andere partijen in de procedure:

Europese Commissie, vertegenwoordigd door M. Ilkova en P. Ortega Sánchez de Lerín als gemachtigden,

verweerster in eerste aanleg,

Koninkrijk Spanje, aanvankelijk vertegenwoordigd door I. Herranz Elizalde en A. Pérez-Zurita Gutiérrez, vervolgens door M. Morales Puerta en A. Pérez-Zurita Gutiérrez als gemachtigden,

interveniënt in eerste aanleg,

en

Koninkrijk Spanje, aanvankelijk vertegenwoordigd door I. Herranz Elizalde en A. Pérez-Zurita Gutiérrez, vervolgens door M. Morales Puerta en A. Pérez-Zurita Gutiérrez als gemachtigden,

rekwirant in zaak C‑539/23 P, andere partijen in de procedure:

Instituto Cervantes, gevestigd te Madrid (Spanje), vertegenwoordigd door E. Van Nuffel d’Heynsbroeck, avocat,

verzoeker in eerste aanleg,

Europese Commissie, vertegenwoordigd door M. Ilkova en P. Ortega Sánchez de Lerín als gemachtigden,

verweerster in eerste aanleg,

HET HOF (Achtste kamer),

samengesteld als volgt: S. Rodin, kamerpresident, C. Lycourgos (rapporteur), president van de Derde kamer, waarnemend rechter van de Achtste kamer, en O. Spineanu-Matei, rechter,

advocaat-generaal: R. Norkus,

griffier: A. Calot Escobar,

gezien de stukken,

gelet op de beslissing, de advocaat-generaal gehoord, om de zaak zonder conclusie te berechten,

het navolgende

Arrest

1 Met hun hogere voorzieningen verzoeken Instituto Cervantes (hierna: „IC”) en het Koninkrijk Spanje om vernietiging van het arrest van het Gerecht van de Europese Unie van 14 juni 2023, Instituto Cervantes/Commissie (T‑376/21, EU:T:2023:331 ; hierna: „bestreden arrest”), waarbij het Gerecht het beroep van IC tot nietigverklaring van het besluit van de Europese Commissie van 19 april 2021 om perceel 3 (taalonderwijs in het Spaans) van de opdracht betreffende de raamovereenkomsten inzake taalopleidingen voor de instellingen, organen en agentschappen van de Europese Unie (HR/2020/OP/0014) in de eerste plaats te gunnen aan het consortium CLL Centre de Langues-Allingua (hierna: „CLL”) en in de tweede plaats aan IC (hierna: „litigieus besluit”), heeft verworpen.

Toepasselijke bepalingen

Richtlijn 2014/24

2 Overweging 90 van richtlijn 2014/24/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 februari 2014 betreffende het plaatsen van overheidsopdrachten en tot intrekking van richtlijn 2004/18/EG (PB 2014, L 94, blz. 65) luidt als volgt:

„Om tot een objectieve vergelijking van de relatieve waarde van de inschrijvingen te kunnen komen en aldus, onder omstandigheden van effectieve mededinging, te kunnen bepalen welke inschrijving de economisch meest voordelige is, dient de gunning van de opdracht te geschieden op basis van objectieve criteria die ervoor zorgen dat de beginselen transparantie, non-discriminatie en gelijke behandeling in acht worden genomen. [...]

[...]”

3 Artikel 67 van deze richtlijn bepaalt:

„1.

[...] De aanbestedende diensten [baseren] de gunning van overheidsopdrachten op de economisch meest voordelige inschrijving.

2.

De economisch meest voordelige inschrijving uit het oogpunt van de aanbestedende dienst wordt vastgesteld op basis van de prijs of de kosten, op basis van kosteneffectiviteit [...], waarbij onder meer de beste prijs-kwaliteitsverhouding in aanmerking kan worden genomen, te bepalen op basis van criteria, waaronder kwalitatieve, milieu‑ en/of sociale aspecten, die verband houden met het voorwerp van de betrokken opdracht. [...]

[...]”

Verordening 2018/1046

4 Verordening (EU, Euratom) 2018/1046 van het Europees Parlement en de Raad van 18 juli 2018 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie, tot wijziging van verordeningen (EU) nr. 1296/2013, (EU) nr. 1301/2013, (EU) nr. 1303/2013, (EU) nr. 1304/2013, (EU) nr. 1309/2013, (EU) nr. 1316/2013, (EU) nr. 223/2014, (EU) nr. 283/2014 en besluit nr. 541/2014/EU en tot intrekking van verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 (PB 2018, L 193, blz. 1), is ingetrokken bij verordening (EU, Euratom) 2024/2509 van het Europees Parlement en de Raad van 23 september 2024 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie (PB L, 2024/2509). Verordening 2018/1046 was evenwel van toepassing op de aanbestedingsprocedure die in de onderhavige zaken aan de orde is.

5 Overweging 106 van deze verordening luidde als volgt:

„Overeenkomsten moeten, conform artikel 67 van richtlijn 2014/24/EU, worden gegund op basis van de economisch meest voordelige inschrijving.”

6 Artikel 149 („Indiening van aanvraagdocumenten”) van die verordening, dat viel onder afdeling 3 („Computersystemen en e-bestuur”) van hoofdstuk 2 („Regels betreffende direct en indirect beheer”) van titel V („Gemeenschappelijke regels”) van diezelfde verordening, bepaalde in lid 1:

„De voorwaarden inzake de indiening van aanvraagdocumenten worden bepaald door de bevoegde ordonnateur, die voor één enkele wijze van indiening kan kiezen.

De gekozen communicatiemiddelen waarborgen een werkelijke mededinging en zorgen ervoor dat aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:

  1. elke aanvraag bevat alle nodige informatie voor de beoordeling ervan;

  2. de integriteit van de gegevens blijft behouden;

  3. de vertrouwelijkheid van de aanvraagdocumenten wordt gewaarborgd;

  4. de bescherming van persoonsgegevens [...] wordt gewaarborgd.”

7 Artikel 160 („Op overeenkomsten toepasselijke beginselen en toepassingsgebied”) van verordening 2018/1046 stond in hoofdstuk 1 („Gemeenschappelijke bepalingen”) van titel VII („Aanbestedingen en concessies”) van die verordening, en bepaalde in lid 1 het volgende:

„Bij alle geheel of gedeeltelijk uit de begroting gefinancierde overeenkomsten worden het transparantiebeginsel, het evenredigheidsbeginsel, het beginsel van gelijke behandeling en het beginsel van non-discriminatie in acht genomen.”

8 Artikel 167 („Gunning van overeenkomsten”) van deze verordening, dat ook in hoofdstuk 1 stond, bepaalde in lid 4:

„Voor de gunning van overeenkomsten baseert de aanbestedende dienst zich op de economisch meest voordelige inschrijving, die wordt bepaald volgens een van deze drie gunningsmethoden: laagste prijs, laagste kosten of beste prijs-kwaliteitverhouding.

[...]

Voor de beste prijs-kwaliteitverhouding houdt de aanbestedende dienst rekening met de prijs of de kosten en andere kwaliteitscriteria in verband met het voorwerp van de overeenkomst.”

9 Artikel 170 („Gunningsbesluit en informatieverstrekking aan gegadigden en inschrijvers”) van die verordening, dat was opgenomen in datzelfde hoofdstuk 1, bepaalde in lid 3:

„De aanbestedende dienst stelt op schriftelijk verzoek elke inschrijver [...] waarvan de inschrijving conform is met de aanbestedingsstukken, in kennis van:

  1. de naam van de inschrijver, of inschrijvers in het geval van een raamovereenkomst, aan wie de overeenkomst wordt gegund en, behalve in het geval van een specifieke overeenkomst in het kader van een raamovereenkomst met hernieuwde oproep tot mededinging, de kenmerken en relatieve voordelen van de geselecteerde inschrijving, de betaalde prijs of de waarde van de overeenkomst, naargelang wat passend is;

  2. de voortgang bij de onderhandelingen en de dialoog met de inschrijvers.

[...]”

10 Punt 16 („Aanbestedingsstukken”) van bijlage I bij deze verordening luidde als volgt:

„[...]

16.2. De uitnodiging tot inschrijving vermeldt:

  1. de regels voor de indiening van de inschrijvingen, in het bijzonder voor de geheimhouding tot het moment van opening, de uiterste datum en het uiterste tijdstip voor de ontvangst van de inschrijvingen en het adres waar deze naartoe moeten worden gezonden of afgeleverd, of het internetadres in geval van elektronische indiening;

    [...]

    16.3. Het bestek vermeldt:

  1. de uitsluitings‑ en selectiecriteria;

  2. de gunningscriteria van de overeenkomst en het relatieve gewicht ervan [...]

[...]”

Reglement voor de procesvoering van het Gerecht

11 Artikel 88, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht bepaalt:

„De maatregelen tot organisatie van de procesgang en de maatregelen van instructie worden, ambtshalve dan wel op verzoek van een hoofdpartij, in elke stand van het geding getroffen of gewijzigd.”

12 In artikel 145 van dit Reglement voor de procesvoering is bepaald:

„1.

De interveniënt kan binnen de door de president bepaalde termijn een memorie in interventie indienen.

2.

De memorie in interventie bevat:

[...]

c) zo nodig, het bewijs en de bewijsaanbiedingen.

[...]”

Voorgeschiedenis van het geding

13 De in de punten 2 tot en met 20 van het bestreden arrest uiteengezette voorgeschiedenis van het geding kan als volgt worden samengevat.

14 Op 20 november 2020 heeft de Europese Commissie volgens de openbare procedure opdracht HR/2020/OP/0014 aangekondigd, met de titel „Raamovereenkomsten voor taalopleiding voor de instellingen, organen en agentschappen van de Europese Unie”. De opdracht was in acht percelen verdeeld, waaronder perceel 3 („taalonderwijs in het Spaans”).

15 Het bestek gaf aan dat de aanbestedende dienst de opdracht zou gunnen aan de economisch meest voordelige inschrijving op basis van de prijs (met een gewicht van 30 %) en de kwaliteit (met een gewicht van 70 %).

16 De kwaliteit, waarvoor de maximumscore 100 punten bedroeg, moest worden beoordeeld op basis van twee criteria, namelijk criterium nr. 1: „Kwaliteit van de aangeboden opleidingen” (maximumscore: 70 punten), en criterium nr. 2: „Bewaking van kwaliteit en uitvoering” (maximumscore: 30 punten).

17 Deze twee criteria hadden elk drie subcriteria:

  • subcriterium 1.1: „Inhoud” (30 punten);

  • subcriterium 1.2: „Didactiek” (30 punten);

  • subcriterium 1.3: „Internetplatforms” (10 punten);

  • subcriterium 2.1: „Methode voor personeelsselectie” (6 punten);

  • subcriterium 2.2: „Kwaliteitsbewaking” (15 punten), en

  • subcriterium 2.3: „Procesbeheer” (9 punten).

18 Het bestek bepaalde dat de inschrijvingen, om te voldoen aan de minimumvereisten, ten minste één „minimumscore”, die in dit bestek was vermeld, moesten behalen voor elk criterium en subcriterium. Daarnaast moesten de inschrijvingen in totaal ten minste 70 van de 100 punten behalen.

19 Volgens dat bestek moesten de inschrijvingen worden gerangschikt volgens de beste prijs-kwaliteitverhouding. Voorts moest de opdracht worden gegund aan de twee hoogst gerangschikte inschrijvingen die, ten eerste, voldeden aan de minimumvereisten volgens de aanbestedingsstukken en waren ingediend door inschrijvers die toegang hadden tot de aanbestedingsprocedure, ten tweede, niet waren uitgesloten en, ten derde, voldeden aan de selectiecriteria. De rangschikking diende te bepalen in welke volgorde de specifieke overeenkomsten tijdens de uitvoering van de raamovereenkomst aan de contractanten werden aangeboden.

20 Voor de wijze van indiening schreef het bestek met name voor dat de inschrijvingen moesten worden ingediend via de elektronische toepassing eSubmission.

21 Zes inschrijvers, waaronder IC, hebben een inschrijving ingediend voor perceel 3.

22 Op 10 maart 2021 is het evaluatieverslag van de inschrijvingen opgesteld door het daartoe ingestelde comité. De voor perceel 3 voorgestelde contractanten waren in de eerste plaats CLL en in de tweede plaats IC.

23 Op 19 april 2021 heeft de Commissie overeenkomstig de aanbevelingen van het evaluatiecomité het litigieuze besluit vastgesteld. Op dezelfde dag heeft zij IC per brief op de hoogte gesteld en daarin IC onder meer meegedeeld dat zijn inschrijving voor perceel 3 was geselecteerd en dat hij als tweede was gerangschikt met een kwalitatieve score van 82/100, een prijs van 2 670 560 EUR en een totaalscore van 87,40/100. De Commissie gaf voorts aan dat zij de raamovereenkomst na een wachttermijn van tien dagen zou ondertekenen.

24 Een bijlage bij deze brief bevatte, in de vorm van een evaluatieschema, de motivering voor de beoordeling van de inschrijving van IC aan de hand van de kwaliteitscriteria in het bestek.

25 Na ontvangst van die brief heeft IC de Commissie gevraagd om hem de identiteit, de kenmerken en de relatieve voordelen van de als beste gerangschikte entiteit mee te delen.

26 De Commissie heeft IC in antwoord op dit verzoek per e‑mail van 26 april 2021 aangegeven dat CLL als eerste was gerangschikt met een kwalitatieve score van 94/100, een prijs van 3 469 020 EUR en een totaalscore van 88,89/100.

27 In deze mededelingen van 19 en 26 april 2021 werd bekendgemaakt dat bij de subcriteria de punten als volgt waren toegekend:

  • subcriterium 1.1: 28/30 voor CLL en 22/30 voor IC;

  • subcriterium 1.2: 27/30 voor CLL en 21/30 voor IC;

  • subcriterium 1.3: 10/10 voor CLL en 10/10 voor IC;

  • subcriterium 2.1: 6/6 voor CLL en 6/6 voor IC;

  • subcriterium 2.2: 14/15 voor CLL en 15/15 voor IC, en

  • subcriterium 2.3: 9/9 voor CLL en 8/9 voor IC.

28 In antwoord op een vraag van IC, die stelde dat vanuit het oogpunt van de vereisten in artikel 170, lid 3, van verordening 2018/1046 onvoldoende informatie was meegedeeld, heeft de Commissie per e‑mail van 10 mei 2021 verduidelijkt wat de gronden waren voor beoordeling van de inschrijving van CLL aan de hand van de kwaliteitscriteria. Bij deze e‑mail was het evaluatieschema van de inschrijving van dit consortium gevoegd. In dit schema waren de opmerkingen van het evaluatiecomité vermeld voor elk van de criteria en subcriteria die in het bestek waren opgenomen. In deze e‑mail heeft de Commissie zich er tevens toe verbonden een nieuwe wachttermijn van tien dagen tot de ondertekening van de raamovereenkomst in acht te nemen.

29 Bij brief van 25 mei 2021 heeft de Commissie verdere toelichtingen gegeven en, voor het overige, verwezen naar de reeds verstrekte informatie en erop gewezen dat de wachttermijn inmiddels verstreken was.

30 In het op 19 april 2021 toegezonden evaluatieschema en in de mededelingen van 10 en 25 mei 2021 heeft de Commissie IC ervan op de hoogte gebracht dat zij de onderdelen die IC ter beschrijving van zijn inschrijving uitsluitend toegankelijk had gemaakt via in deze inschrijving opgenomen snelkoppelingen, niet had geëvalueerd. De Commissie heeft verduidelijkt dat zij deze onderdelen had geweigerd omdat het gebruik van snelkoppelingen niet in overeenstemming was met het bestek en er bij het gebruik van dergelijke snelkoppelingen een risico bestond dat de inschrijving na de uiterste indieningsdatum werd gewijzigd. Aangezien de via snelkoppelingen toegankelijke onderdelen overeenstemden met documenten die volgens het bestek moesten worden ingediend, was de Commissie van mening dat deze documenten ontbraken (hierna: „ontbrekende documentatie”).

Procedure bij het Gerecht en bestreden arrest

31 Bij beroep van 2 juli 2021 heeft IC verzocht om nietigverklaring van het litigieuze besluit.

32 Bij besluit van 3 februari 2022 is het Koninkrijk Spanje toegelaten tot interventie aan de zijde van IC.

33 Bij afzonderlijke akte, neergelegd op 29 september 2021, heeft de Commissie een exceptie van niet-ontvankelijkheid wegens te late indiening van het beroep opgeworpen.

34 Deze exceptie werd in het bestreden arrest afgewezen, aangezien IC pas bij de mededeling van 10 mei 2021 gegevens heeft ontvangen over de kwalitatieve evaluatie van de inschrijving van CLL. Pas vanaf die datum heeft IC dus zijn recht op beroep doeltreffend kunnen uitoefenen en begon de in artikel 263, zesde alinea, VWEU bepaalde beroepstermijn te lopen.

35 Ten gronde heeft IC, ondersteund door het Koninkrijk Spanje, tot staving van zijn beroep vijf middelen aangevoerd.

36 Met zijn eerste middel heeft hij de Commissie een ontoereikende motivering van het litigieuze besluit verweten, omdat de relatieve voordelen van de inschrijving van CLL niet kunnen worden gekend.

37 Met zijn tweede middel heeft IC de Commissie verweten dat zij artikel 167, lid 4, van verordening 2018/1046 heeft geschonden omdat zij elke inschrijving afzonderlijk heeft beoordeeld, in plaats van deze rechtstreeks met elkaar te vergelijken.

38 Met zijn derde middel heeft IC de Commissie een kennelijke beoordelingsfout verweten doordat zij geen rekening heeft gehouden met de via snelkoppelingen toegankelijke beschrijvende onderdelen van de inschrijving.

39 Het vierde middel was subsidiair ten opzichte van het eerste middel en bestond uit drie onderdelen. Ten eerste is het litigieuze besluit ontoereikend gemotiveerd in het kader van de individuele evaluatie van de inschrijving van IC, omdat niet kan worden begrepen hoe de geformuleerde opmerkingen zich verhouden tot de toegekende score, en er sprake is van een kennelijke beoordelingsfout omdat er geen logisch verband is tussen de evaluatie en de toegekende score bij de subcriteria 1.1 en 1.2. Ten tweede heeft de Commissie in het litigieuze besluit een kennelijke beoordelingsfout gemaakt doordat zij een onevenredig belang heeft gehecht aan de ontbrekende documentatie. Ten derde heeft de Commissie, door aan de ontbrekende documentatie een onevenredig groot belang te hechten, a posteriori een nieuwe evaluatieregel opgesteld.

40 Het vijfde middel was gebaseerd op schending van verschillende beginselen aangaande het plaatsen van overheidsopdrachten, namelijk het beginsel van openstelling van overheidsopdrachten voor een zo ruim mogelijke mededinging, het transparantiebeginsel en het beginsel van gelijke behandeling, doordat de Commissie alle percelen heeft toegewezen aan dezelfde inschrijver, namelijk CLL.

41 Bij het bestreden arrest heeft het Gerecht al deze middelen afgewezen, zodat het beroep in zijn geheel is verworpen.

Conclusies van partijen en procedure bij het Hof

42 Met zijn hogere voorziening in zaak C‑534/23 P verzoekt IC het Hof:

  • het bestreden arrest te vernietigen;

  • het litigieuze besluit nietig te verklaren, en

  • de Commissie te verwijzen in de kosten.

43 Met zijn hogere voorziening in zaak C‑539/23 P verzoekt het Koninkrijk Spanje het Hof:

  • het bestreden arrest te vernietigen;

  • het litigieuze besluit nietig te verklaren,

  • subsidiair, de zaak na de vernietiging van het bestreden arrest terug te verwijzen naar het Gerecht opdat het Gerecht overgaat tot onderzoek van het onrechtmatig geweigerde bewijs en uitspraak doet over de zaak ten gronde.

44 De Commissie verzoekt het Hof:

  • de hogere voorzieningen af te wijzen, en

  • IC en het Koninkrijk Spanje te verwijzen in de kosten.

45 Bij beslissing van de president van het Hof van 20 november 2023 zijn de zaken C‑534/23 P en C‑539/23 P gevoegd.

Hogere voorzieningen

46 Ter ondersteuning van zijn hogere voorziening voert IC twee middelen aan: ten eerste, een onjuiste opvatting van de feiten en een ontoereikende motivering bij de beoordeling van het derde middel van het beroep bij het Gerecht en, ten tweede, een onjuiste rechtsopvatting en een onjuiste opvatting van de feiten bij de beoordeling van het tweede middel van dat beroep.

47 Het Koninkrijk Spanje voert ter ondersteuning van zijn hogere voorziening vier middelen aan: ten eerste, schending van artikel 41, lid 2, onder c), van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: „Handvest”) en het verzuim van het Gerecht om vast te stellen dat het litigieuze besluit ontoereikend was gemotiveerd, ten tweede, schending van het rechtszekerheidsbeginsel en van het vertrouwensbeginsel, ten derde, schending van het beginsel van gelijke behandeling en van het verbod van willekeur bij de beoordeling van de inschrijvingen, alsmede schending van artikel 145, onder c), van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht en, ten vierde, schending van het vereiste van objectieve onpartijdigheid en van het transparantiebeginsel.

48 Om te beginnen moeten het eerste middel in hogere voorziening van IC en het tweede middel in hogere voorziening van het Koninkrijk Spanje samen worden onderzocht. Bij dit onderzoek zal rekening worden gehouden met het feit dat het eerste middel van IC, dat volgens het opschrift ervan is gebaseerd op een onjuiste opvatting van de feiten en een ontoereikende motivering, in feite argumenten inzake onjuiste rechtsopvattingen bevat die grotendeels overlappen met de argumenten die zijn aangevoerd in het tweede middel in hogere voorziening van het Koninkrijk Spanje, dat is ontleend aan schending van het rechtszekerheidsbeginsel en het vertrouwensbeginsel.

Eerste middel in hogere voorziening van IC en tweede middel in hogere voorziening van het Koninkrijk Spanje

Argumenten van partijen

49 Vooraf brengt IC in herinnering dat hij in het kader van het derde middel van zijn beroep bij het Gerecht heeft betoogd dat hij er rechtmatig van uit kon gaan dat elke via de toepassing eSubmission ingediende inschrijving snelkoppelingen mocht bevatten naar beschrijvende documenten van de inschrijving op een website. Op basis van dit gewettigd vertrouwen heeft hij via snelkoppelingen verwezen naar verschillende documenten die relevant waren voor de beoordeling van zijn inschrijving, zoals documenten waarin wordt beschreven hoe, bij de uitvoering van deze opdracht voor diensten op het gebied van taalonderwijs, de interactie op afstand tussen de leerling en de docent zou worden verzekerd.

50 IC merkt tevens op dat hij in antwoord op een vraag van het Gerecht bewijzen heeft overgelegd waaruit blijkt dat ook andere inschrijvers snelkoppelingen in hun inschrijving hadden opgenomen.

51 IC betwist de beoordeling van het Gerecht in punt 142 van het bestreden arrest, die berust op het verbod om die documenten te wijzigen na afloop van de indieningstermijn van de inschrijvingen en volgens welke een redelijk geïnformeerde en normaal zorgvuldige inschrijver er niet van uit kon gaan dat hij in zijn inschrijving snelkoppelingen mocht opnemen naar een document op een website waarover hij controle uitoefent. Volgens IC kon noch uit verordening 2018/1046, noch uit het bestek worden afgeleid dat het gebruik van snelkoppelingen onregelmatig was.

52 IC benadrukt dat de documenten die hij via snelkoppelingen ter beschikking had gesteld zich in een gesloten elektronische ruimte bevonden, die uitsluitend bestemd was voor de opdracht in kwestie. De Commissie had zich er dus van kunnen vergewissen – door IC te verzoeken daarvoor bewijzen aan te dragen – dat die documenten vóór de uiterste indieningsdatum van de inschrijvingen bij deze snelkoppelingen waren gevoegd en daarna niet meer waren gewijzigd. Het Gerecht heeft dus blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door in punt 142 van het bestreden arrest te oordelen dat bij het gebruik van snelkoppelingen niet kan worden gewaarborgd dat de betrokken documenten na afloop van die termijn ongewijzigd blijven.

53 IC betwist dus ook de in punt 143 van dat arrest gemaakte beoordeling dat de Commissie kon weigeren rekening te houden met documenten die toegankelijk waren gemaakt via snelkoppelingen, zelfs in gevallen waarin na controle blijkt dat deze documenten na afloop van de indieningstermijn van de inschrijvingen niet zijn gewijzigd.

54 IC uit tevens kritiek op punt 144 van het bestreden arrest, waarin sprake is van de presentatie die de ICT-manager van IC ter terechtzitting voor het Gerecht heeft gegeven, en waaruit naar voren zou zijn gekomen dat IC de beschrijvende documenten van de inschrijving vanuit technisch oogpunt wel nog kon wijzigen. Volgens IC is dit niet relevant, aangezien het alleen van belang is vast te stellen of die documenten zijn gewijzigd, en niet of zij gewijzigd konden worden. Aangezien iedere wijziging een spoor in het computersysteem zou hebben nagelaten, had IC kunnen aantonen dat hij deze documenten na afloop van de indieningstermijn van de inschrijvingen niet heeft gewijzigd.

55 Volgens IC is het hoe dan ook onaanvaardbaar dat een aanbestedende dienst documenten buiten beschouwing laat op de enkele grond dat hij niet kan vaststellen of die documenten integer zijn. Documenten die ter ondersteuning van een inschrijving zijn ingediend kunnen alleen buiten beschouwing worden gelaten wanneer er een onregelmatigheid aan het licht is gebracht, en niet louter op basis van een veronderstelde onregelmatigheid.

56 IC wijst erop dat hij eerder heeft deelgenomen aan aanbestedingsprocedure HR/2020/OP/0004, waarbij in het bestek was vereist – in dezelfde bewoordingen als die van het in casu aan de orde zijnde bestek – dat inschrijvingen moesten worden ingediend via de toepassing eSubmission. In die procedure was in de door IC via deze toepassing ingediende inschrijving een snelkoppeling naar bijlagen opgenomen. In de beoordeling van deze inschrijving, waarvan de Commissie op 7 september 2020 aan IC kennis heeft gegeven, werd de inhoud van die bijlagen beschreven en geëvalueerd.

57 IC betoogt dat hij als gevolg van deze kennisgeving van de Commissie, die hij heeft ontvangen terwijl hij zijn inschrijving voor de in casu aan de orde zijnde opdracht aan het voorbereiden was, en van het feit dat er in de aanbestedingsstukken geen uitdrukkelijke verduidelijking was opgenomen dat het gebruik van snelkoppelingen voortaan verboden was, er rechtmatig van uit kon gaan dat het gebruik ervan was toegestaan. Anders dan het Gerecht in punt 148 van het bestreden arrest heeft geoordeeld, moet worden aangenomen dat IC zich in dergelijke omstandigheden kan beroepen op een gewettigd vertrouwen.

58 IC merkt in dit verband om te beginnen op dat de verplichting om de toepassing eSubmission te gebruiken recent was ten tijde van de feiten van de zaak. Derhalve heeft het Gerecht in punt 148 van het bestreden arrest ten onrechte verlangd dat wordt aangetoond dat de Commissie IC „onderling overeenstemmende” toezeggingen had gedaan. Dienaangaande heeft het Gerecht de feiten onjuist opgevat door voorbij te gaan aan de omstandigheid dat aanbestedingsprocedure HR/2020/OP/0004 het enige geval was waarin de kwestie van het gebruik van snelkoppelingen in een via de toepassing eSubmission ingediende inschrijving in het verleden aan de orde was geweest.

59 Vervolgens is punt 148 van het bestreden arrest ten onrechte gebaseerd op rechtspraak die betrekking heeft op het geval waarin een toezegging van de Commissie niet overeenstemt met de voorschriften. In casu ontbreekt een dergelijk „voorschrift”, aangezien noch verordening 2018/1046, noch enig ander wetgevingsinstrument van de Unie vereist dat inschrijvingen via de toepassing eSubmission worden ingediend.

60 Ten slotte erkent IC weliswaar dat in casu het gebruik van snelkoppelingen in de inschrijving als onjuist kan worden beschouwd, maar voert hij aan dat een aanzienlijk aantal inschrijvers er met name door de eerdere praktijk van de Commissie toe is gebracht deze fout te begaan. Dit element is essentieel om te kunnen spreken van een „gewettigd vertrouwen”, in de zin van de rechtspraak van het Hof.

61 IC voegt hieraan toe dat hij het Gerecht heeft verzocht om van de Commissie informatie te eisen aan de hand waarvan kan worden vastgesteld of andere inschrijvers eveneens gebruik hadden gemaakt van snelkoppelingen in het kader van hun inschrijving en of de Commissie systematisch had geweigerd rekening te houden met de documenten waarnaar die snelkoppelingen verwezen. Anders dan hetgeen het Gerecht in punt 150 van het bestreden arrest heeft uiteengezet om de afwijzing van dit verzoek om een maatregel van instructie te motiveren, was volgens IC deze informatie onontbeerlijk om uitspraak te doen over het argument dat het vertrouwensbeginsel is geschonden.

62 Dienaangaande merkt IC op dat het vertrouwensbeginsel een uitvloeisel is van het rechtszekerheidsbeginsel. Het is dan ook absoluut noodzakelijk dat de door de aanbestedende dienst voor het plaatsen van een overheidsopdracht geformuleerde regels duidelijk en nauwkeurig zijn en dat hun toepassing voorzienbaar is voor de inschrijvers. Aan dit vereiste kan echter niet worden geacht te zijn voldaan wanneer verschillende inschrijvers een regel, zoals de verplichting om de inschrijvingen in te dienen via de toepassing eSubmission, anders hebben geïnterpreteerd dan de Commissie voorstaat.

63 IC is overigens van mening dat het Gerecht niet rechtens genoegzaam heeft gemotiveerd waarom het derde middel van het beroep is afgewezen.

64 Volgens het Koninkrijk Spanje is de afwijzing van het derde middel van het beroep van IC bij het Gerecht onverenigbaar met het rechtszekerheidsbeginsel en met het vertrouwensbeginsel.

65 Deze lidstaat merkt op dat er sprake was van, ten eerste, onzekerheid doordat er in het bestek niets was vermeld over de mogelijkheid om documenten bij een inschrijving te voegen door middel van snelkoppelingen en, ten tweede, een administratieve praktijk van de Commissie, die zij aan IC heeft meegedeeld en die bij deze laatste een gewettigd vertrouwen heeft gewekt dat op die wijze mocht worden gehandeld.

66 Het Koninkrijk Spanje verwijt het Gerecht om te beginnen dat het zijn analyse heeft beperkt tot de mogelijkheid dat documenten die door middel van snelkoppelingen bij een inschrijving zijn gevoegd, na afloop van de indieningstermijn van de inschrijvingen worden gewijzigd. Zo zou het Gerecht het geval van een mogelijk risico op onrechtmatig gedrag hebben omgevormd tot een onoverkomelijke hindernis, die volledig zou beletten dat er voor de indiening van de beschrijvende documenten van een inschrijving snelkoppelingen worden gebruikt.

67 Zelfs in de veronderstelling dat het gebruik van dergelijke snelkoppelingen onregelmatig is, heeft het Gerecht in punt 147 van het bestreden arrest uit het arrest van 10 oktober 2013, Manova (C‑336/12, EU:C:2013:647 ), dat betrekking heeft op de mogelijkheid om een inschrijving te verbeteren of aan te vullen om een verduidelijking aan te brengen of kennelijke materiële vergissingen te herstellen, ten onrechte afgeleid dat de Commissie IC niet hoefde te verzoeken de documenten opnieuw in te dienen door ze te uploaden via de toepassing eSubmission. Anders dan het Gerecht heeft geoordeeld, had deze rechtspraak naar analogie kunnen worden toegepast om te concluderen dat IC de gelegenheid moest krijgen om de documenten die hij aanvankelijk via snelkoppelingen toegankelijk had gemaakt, rechtstreeks, via de toepassing eSubmission, over te leggen of om aan te tonen dat die documenten na afloop van de indieningstermijn van de inschrijvingen niet waren gewijzigd.

68 Vervolgens heeft het Gerecht ten onrechte geoordeeld dat het niet relevant was dat de Commissie, ten eerste, in het kader van aanbestedingsprocedure HR/2020/OP/0004 de indiening van documenten door middel van snelkoppelingen had geaccepteerd en, ten tweede – zoals naar voren komt uit punt 133 van het bestreden arrest – de internetplatforms van de inschrijvers, die op externe servers worden gehost en toegankelijk zijn via dergelijke snelkoppelingen, had geëvalueerd op grond van subcriterium 1.3. Wat dit laatste betreft, heeft het Gerecht in punt 145 van het bestreden arrest tevens ten onrechte enkel aangegeven dat IC voor subcriterium 1.3 het maximumaantal punten heeft gekregen.

69 Ten slotte herinnert het Koninkrijk Spanje eraan dat het voor het Gerecht erop heeft gewezen dat bepaalde via snelkoppelingen toegankelijke documenten voorzien waren van een ISBN-nummer (International Standard Book Number) en dus niet konden worden gewijzigd. In punt 131 van het bestreden arrest heeft het Gerecht dit argument onjuist opgevat en geen uitspraak gedaan over de omstandigheid dat dergelijke documenten niet zijn geëvalueerd.

70 De Commissie betwist het betoog van IC en van het Koninkrijk Spanje.

Beoordeling door het Hof

71 Om te beginnen zij eraan herinnerd dat iedere persoon bij wie de autoriteiten van de Unie gegronde verwachtingen hebben gewekt, zich op het vertrouwensbeginsel kan beroepen. Nauwkeurige, onvoorwaardelijke, onderling overeenstemmende en van bevoegde en betrouwbare bronnen afkomstige inlichtingen zijn toezeggingen die dergelijke verwachtingen kunnen wekken, ongeacht de vorm waarin zij worden meegedeeld (zie in die zin arrest van 19 september 2024, Coppo Gavazzi e.a./Parlement, C‑725/20 P, EU:C:2024:766, punt 95 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

72 Wanneer een voorzichtige en bezonnen persoon in staat is de vaststelling van een voor zijn belangen nadelige maatregel van de Unie te voorzien, kan hij zich daarentegen niet op het vertrouwensbeginsel beroepen wanneer die maatregel wordt vastgesteld (arrest van 19 september 2024, Coppo Gavazzi e.a./Parlement, C‑725/20 P, EU:C:2024:766, punt 96 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

73 In casu heeft het Gerecht in punt 142 van het bestreden arrest vastgesteld dat, in de betrokken aanbestedingsprocedure, elke redelijk geïnformeerde en normaal oplettende inschrijver kon weten dat hij ter ondersteuning van zijn inschrijving geen snelkoppelingen mocht opnemen naar documenten die toegankelijk zijn op een website waarover hij controle bleef uitoefenen en die dus, vanuit technisch oogpunt, konden worden gewijzigd na de indieningstermijn van de inschrijvingen.

74 Deze beoordeling berust op de in de punten 138 tot en met 141 van dat arrest uiteengezette elementen, die door IC niet worden betwist.

75 Een van deze elementen is het citaat, in punt 138 van dat arrest, van een passage op bladzijde 79 van het bestek, waarin is vermeld dat „de inschrijvingen moeten worden ingediend via de toepassing eSubmission, volgens de instructies in de uitnodiging tot het indienen van inschrijvingen en in de praktische gids van eSubmission”.

76 Zoals het Gerecht in punt 139 van het bestreden arrest in essentie heeft opgemerkt, kon uit deze in het bestek opgenomen instructie worden opgemaakt dat de beschrijvende documenten van de inschrijving moesten worden geüpload via de toepassing eSubmission.

77 De door het Koninkrijk Spanje benadrukte omstandigheid dat, op grond van subcriterium 1.3 („Internetplatforms”) in de aanbestedingsstukken, een element moest worden geëvalueerd dat bij uitstek kon worden gewijzigd, namelijk het door de inschrijver voorgestelde onlineplatform voor taalonderwijs, is in dit verband niet relevant. Het onderhavige geding heeft immers geen betrekking op de toepassing van subcriterium 1.3, maar op de vraag of de elementen die in de inschrijving zijn opgenomen om de inhoud en de pedagogie van het voorgestelde taalonderwijs (subcriteria 1.1 en 1.2) te documenteren, moesten worden geüpload via de toepassing eSubmission dan wel via snelkoppelingen toegankelijk konden worden gemaakt.

78 Gelet op de in de punten 138 tot en met 141 van het bestreden arrest uiteengezette elementen en in het bijzonder die welke in de punten 75 en 76 van het onderhavige arrest zijn benadrukt, kan noch de door IC en het Koninkrijk Spanje aangevoerde omstandigheid dat de Commissie in het kader van een eerdere opdracht rekening heeft gehouden met de documenten die via snelkoppelingen toegankelijk waren gemaakt, noch het feit – gesteld al dat dit is aangetoond – dat andere inschrijvers, net als IC, van mening waren dat de ter ondersteuning van hun inschrijving overgelegde documenten op die wijze konden worden ingediend, worden aangemerkt als „gegronde verwachtingen” die voortvloeien uit „nauwkeurige, onvoorwaardelijke, onderling overeenstemmende en van bevoegde en betrouwbare bronnen afkomstige inlichtingen” in de zin van de in punt 71 van het onderhavige arrest aangehaalde rechtspraak. Bijgevolg heeft het Gerecht in punt 150 van het bestreden arrest terecht geoordeeld dat voor de beslechting van het geschil niet hoefde te worden onderzocht in hoeverre de andere inschrijvers in hun inschrijving snelkoppelingen hadden opgenomen die toegang gaven tot de beschrijvende documenten van die inschrijving.

79 Voorts moet worden vastgesteld dat in een situatie als die welke IC heeft beschreven en waarin de Commissie in de eerste en – ten tijde van de aan het onderhavige geding ten grondslag liggende feiten – enige aanbestedingsprocedure sinds het verplichte gebruik van de toepassing eSubmission de via snelkoppelingen toegankelijk gemaakte documenten heeft geëvalueerd, het noodzakelijkerwijs geïsoleerde karakter van een dergelijke eerste praktijk van de autoriteiten in beginsel eraan in de weg staat dat louter op basis van dat element wordt vastgesteld dat er sprake is van onderling overeenstemmende toezeggingen.

80 Gelet op het voorgaande heeft het Gerecht in punt 148 van het bestreden arrest terecht geoordeeld dat IC niet heeft aangetoond dat de Commissie onderling overeenstemmende toezeggingen had gedaan dat snelkoppelingen mochten worden gebruikt.

81 Voor zover IC en het Koninkrijk Spanje zich beroepen op schending van het rechtszekerheidsbeginsel, waarvan het vertrouwensbeginsel het uitvloeisel is, zij er vervolgens aan herinnerd dat het rechtszekerheidsbeginsel vereist dat rechtsregels duidelijk en nauwkeurig zijn, opdat hun toepassing voorzienbaar is voor de justitiabelen. Iedere regeling moet de belanghebbenden in staat stellen hun rechten en plichten ondubbelzinnig te kennen, zodat zij dienovereenkomstig hun voorzieningen kunnen treffen (zie in die zin arrest van 3 juni 2021, Jumbocarry Trading, C‑39/20, EU:C:2021:435, punt 48 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

82 Geoordeeld moet worden dat de regels inzake de indiening van documenten ter ondersteuning van een inschrijving die is ingediend in het kader van een opdracht van de Unie, voldoende duidelijk en nauwkeurig zijn.

83 Dienaangaande zij opgemerkt dat volgens punt 16.2 van bijlage I bij verordening 2018/1046 de regels voor de indiening van de inschrijvingen moeten worden vermeld in de uitnodiging tot inschrijving. In casu staat vast dat in die uitnodiging was bepaald dat de inschrijvingen moesten worden ingediend via de toepassing eSubmission en dat de inschrijvers daartoe de instructies in de praktische gids van deze toepassing moesten volgen. Deze instructie werd herhaald in de bovengenoemde passage op bladzijde 79 van het bestek, waarin werd verwezen naar die instructies, die verduidelijkten dat elk document dat ter ondersteuning van de inschrijving werd ingediend, moet worden geüpload naar de daartoe bestemde ruimte van de toepassing eSubmission.

84 De ondubbelzinnigheid van die instructie wordt versterkt door een vereiste van „integriteit van de gegevens” dat, wat betreft de elektronische indiening van documenten ter ondersteuning van een verzoek aan de autoriteiten van de Unie, is geformuleerd in artikel 149, lid 1, van verordening 2018/1046. Overeenkomstig dit vereiste moet het door de inschrijvers gebruikte systeem voor elektronische indiening zodanig worden opgezet dat de documenten met betrekking tot de aanvraag gedurende de gehele administratieve procedure ongewijzigd blijven. De aanbestedingsprocedures van de Unie vormen geen uitzondering op deze regel. De integriteit van de gegevens moet dus reeds vóór de uiterste indieningsdatum worden gewaarborgd, hetgeen vereist dat elk document dat ter ondersteuning van een inschrijving wordt ingediend, in een zodanige vorm en op zodanige wijze wordt ingediend dat latere wijzigingen van een dergelijk document zijn uitgesloten.

85 Door de opname van het vereiste van integriteit van de gegevens in verordening 2018/1046 wordt tevens het argument van IC ontkracht dat de indiening van documenten ter ondersteuning van een inschrijving in het kader van een aanbestedingsprocedure van de Unie onder geen enkel „voorschrift” valt. Derhalve heeft het Gerecht in punt 148 van het bestreden arrest in essentie terecht vastgesteld dat, gesteld al dat de Commissie IC toezeggingen had gedaan in die zin dat de beschrijvende documenten van de inhoud en van de pedagogie konden worden ingediend via snelkoppelingen, deze toezeggingen niet overeenstemden met de toepasselijke voorschriften. Deze normen omvatten overigens niet alleen het vereiste van integriteit van de gegevens, maar ook de beginselen die gelden voor het plaatsen van overheidsopdrachten, waaronder het transparantiebeginsel en het beginsel van gelijke behandeling, die krachtens artikel 160 van verordening 2018/1046 moeten worden nageleefd.

86 Die normen, alsmede overwegingen van behoorlijk bestuur, kunnen rechtvaardigen dat de instructie om de ter ondersteuning van de inschrijving overgelegde documenten te uploaden geldt voor al deze documenten, zonder dat is voorzien in uitzonderingen voor bepaalde categorieën documenten waarvan de latere wijziging om technische of juridische redenen uiterst moeilijk of zelfs onmogelijk zou zijn. Zelfs in de veronderstelling dat het argument van het Koninkrijk Spanje dat documenten die zijn voorzien van een ISBN-nummer (International Standard Book Number) niet kunnen worden gewijzigd, juist is en – zoals deze lidstaat stelt – door het Gerecht onjuist is uitgelegd, kan een dergelijke omstandigheid geen afbreuk doen aan de op zichzelf doorslaggevende en in het bestreden arrest gevolgde redenering dat IC niet van de Commissie kon verwachten dat zij documenten evalueert die niet zijn geüpload via de toepassing eSubmission maar alleen toegankelijk zijn gemaakt via snelkoppelingen.

87 Aangezien het Gerecht, zonder daarbij het rechtszekerheidsbeginsel en het vertrouwensbeginsel te schenden, tot de slotsom is gekomen dat – gelet op de noodzaak om te waarborgen dat het gehele dossier dat door elke inschrijver is ingediend ongewijzigd blijft – de via snelkoppelingen toegankelijke documenten niet in aanmerking konden worden genomen bij de evaluatie van de inschrijvingen, heeft het Gerecht in de punten 143, 144, 146 en 147 van het bestreden arrest eveneens terecht geoordeeld dat de Commissie niet hoefde te onderzoeken – door inschrijvers die dergelijke snelkoppelingen hadden gebruikt te verzoeken om bewijzen aan te leveren – of de via dergelijke links toegankelijk gemaakte documenten na afloop van de indieningstermijn voor de inschrijvingen ongewijzigd waren gebleven.

88 In dit verband heeft het Gerecht in punt 147 van het bestreden arrest terecht opgemerkt dat de rechtspraak die voortvloeit uit het arrest van 10 oktober 2013, Manova (C‑336/12, EU:C:2013:647 ), niet aldus kon worden opgevat dat de Commissie IC moest verzoeken de betreffende documenten opnieuw in te dienen. Dit arrest heeft immers betrekking op de mogelijkheid voor de aanbestedende dienst om een inschrijver te verzoeken zijn inschrijving aan te vullen door documenten in te dienen waarin de situatie van die inschrijver wordt beschreven. Afgezien van het feit dat de documenten die aan de orde waren in de zaak die tot dat arrest heeft geleid – anders dan in de onderhavige zaak – geen betrekking hadden op de inschrijving zelf, voert datzelfde arrest geen verplichting in voor de aanbestedende dienst om te verzoeken om regularisatie.

89 Ten slotte blijkt uit de voorgaande overwegingen dat het Gerecht zijn oordeel duidelijk en ondubbelzinnig heeft gemotiveerd, zodat de belanghebbenden de rechtvaardigingsgronden van de gegeven beslissing kunnen kennen en het Hof zijn toezicht kan uitoefenen. Derhalve moet de stelling van IC dat het bestreden arrest ontoereikend is gemotiveerd, die uitsluitend is gebaseerd op de inhoudelijke argumenten die zojuist zijn afgewezen en waarmee deze stelling samenvalt, kennelijk ongegrond worden verklaard.

90 Uit een en ander volgt dat het eerste middel in hogere voorziening van IC en het tweede middel in hogere voorziening van het Koninkrijk Spanje moeten worden afgewezen.

Tweede middel in hogere voorziening van IC

Argumenten van partijen

91 IC wijst erop dat hij met zijn tweede voor het Gerecht aangevoerde middel de Commissie heeft verweten dat zij geen vergelijkende beoordeling van de kwaliteit van de concurrerende inschrijvingen heeft verricht. De Commissie heeft immers elke inschrijving louter afzonderlijk beoordeeld en deze inschrijvingen gerangschikt basis van de resultaten die na deze afzonderlijke beoordelingen zijn verkregen.

92 Het Gerecht heeft dit middel afgewezen door, kort gezegd, te stellen dat de vergelijking van de inschrijvingen niet vereist dat de voorstellen van de inschrijvers onderling worden vergeleken om de kenmerken en voordelen van elk voorstel te bepalen.

93 Deze redenering komt met name tot uiting in punt 165 van het bestreden arrest, waarin het Gerecht heeft vastgesteld dat de inschrijving van CLL was geëvalueerd aan de hand van de gunningscriteria in het bestek, net als de inschrijving van IC, zodat nergens uit kon worden opgemaakt dat de Commissie zich niet zou hebben gehouden aan het vereiste om de economisch meest voordelige inschrijving te bepalen op basis van objectieve criteria die de eerbiediging van het transparantiebeginsel en van het beginsel van gelijke behandeling verzekeren.

94 Volgens IC is een dergelijke benadering van de vergelijking van de inschrijvingen rechtens onjuist. Wanneer – zoals in casu – voor de toepassing van het gunningscriterium van de economisch meest voordelige inschrijving moet worden vastgesteld welke inschrijving de beste prijs-kwaliteitverhouding biedt, moet de kwaliteit van de respectieve inschrijvingen worden vergeleken. Alleen deze benadering van een rechtstreekse vergelijking van inschrijvingen waarborgt de „objectieve vergelijking van de relatieve waarde van de inschrijvingen [om] aldus, onder omstandigheden van effectieve mededinging, te kunnen bepalen welke inschrijving de economisch meest voordelige is”, in de zin van overweging 90 van richtlijn 2014/24. Deze overweging 90 is relevant voor de uitlegging van de draagwijdte van artikel 67 van deze richtlijn, aangezien dit artikel 67 – zoals blijkt uit overweging 106 van verordening 2018/1046 – zelf relevant is om de betekenis van het door artikel 167, lid 4, van deze verordening opgelegde gunningscriterium van de economisch meest voordelige inschrijving te begrijpen.

95 De door CLL voor alle percelen ingediende inschrijving had daadwerkelijk moeten worden vergeleken, voor elk perceel afzonderlijk, met de inschrijvingen van de andere inschrijvers. Een dergelijk vergelijkend onderzoek had kunnen leiden tot een verschillende beoordeling van de inschrijving van CLL voor elk perceel. Het evaluatiecomité heeft aan de inschrijving van dit consortium voor elk perceel dezelfde score toegekend, terwijl het bestek bepaalde dat bij de indiening van een inschrijving voor meerdere percelen, elk perceel afzonderlijk zou worden geëvalueerd. Het Gerecht heeft dus in punt 166 van het bestreden arrest ten onrechte de uniforme beoordeling van de inschrijving van CLL aanvaard.

96 Het feit dat de inschrijving van CLL in essentie identiek was voor elk perceel is in dit verband niet relevant, aangezien de inschrijvingen van de andere inschrijvers per perceel verschilden, hetgeen zou moeten zorgen voor een verschillende relatieve waarde per perceel van de inschrijving van CLL ten opzichte van de inschrijving van zijn concurrenten.

97 De afwijzing van het tweede middel van het beroep is bovendien tegenstrijdig gemotiveerd.

98 Dienaangaande merkt IC op dat in punt 174 van het bestreden arrest is vastgesteld dat „de Commissie de technische voorstellen onderling heeft vergeleken. Daarbij heeft de Commissie daadwerkelijk vastgesteld dat [de inschrijving van IC] op het gebied van zelfstudie een gebrek vertoonde. In casu moet worden vastgesteld dat de kwaliteit van deze inschrijving als minder hoog is beoordeeld dan die van CLL, aangezien in de eerste inschrijving de zelfstudie niet was uitgewerkt.” Volgens IC heeft het Gerecht hiermee aangegeven dat de aanbestedende dienst de concurrerende voorstellen onderling moet beoordelen, hetgeen tegenstrijdig is met de andere rechtsoverwegingen van het bestreden arrest, die hebben geleid tot de afwijzing van het tweede middel van het beroep. In beginsel moet ervan worden uitgegaan dat het Gerecht in dit punt 174 heeft vastgesteld dat de Commissie de concurrerende inschrijvingen daadwerkelijk onderling heeft vergeleken. Deze vaststelling stemt in dat geval niet overeen met de andere vaststellingen van het Gerecht in het bestreden arrest, en levert hoe dan ook een onjuiste opvatting van de feiten op, aangezien de Commissie in feite de concurrerende technische voorstellen niet onderling heeft vergeleken om de kenmerken en relatieve voordelen ervan te bepalen.

99 De Commissie betwist dit betoog.

Beoordeling door het Hof

100 Zoals uit de door het Gerecht vastgestelde en in punt 15 van dit arrest samengevatte feiten naar voren komt, moest de Commissie zich voor de gunning van de betrokken overheidsopdracht overeenkomstig artikel 167, lid 4, van verordening 2018/1046 baseren op het criterium van de economisch meest voordelige inschrijving, waarbij dit criterium volgens deze bepaling kan worden toegepast volgens een van drie methoden: de laagste prijs, de laagste kosten of de beste prijs-kwaliteitverhouding.

101 Uit deze feiten blijkt tevens dat de in casu gevolgde methode die van de beste prijs-kwaliteitverhouding was.

102 Zoals IC benadrukt, vereist deze methode inderdaad een objectieve vergelijking van de „relatieve waarde” van de inschrijvingen. Dit vereiste komt met name naar voren uit overweging 90 van richtlijn 2014/24, die relevant is voor de uitlegging van de draagwijdte van artikel 67 van deze richtlijn, aangezien dit artikel 67 – zoals blijkt uit overweging 106 van verordening 2018/1046 – zelf relevant is voor de uitlegging van artikel 167, lid 4, van die verordening.

103 Anders dan IC betoogt, berust het oordeel van het Gerecht dat een dergelijke objectieve vergelijking op basis van de relatieve waarde van de inschrijvingen in casu is uitgevoerd, evenwel niet op een onjuiste rechtsopvatting of op een onjuiste opvatting van de feiten.

104 Dienaangaande heeft het Gerecht in de punten 165 en 166 van het bestreden arrest vastgesteld dat zowel de inschrijving van CLL als die van IC werd geëvalueerd aan de hand van de criteria in het bestek. Zoals in de punten 23 en 26 van het onderhavige arrest in herinnering is gebracht, hebben deze beoordelingen geleid tot een totaalscore van 88,89/100 voor CLL en 87,40/100 voor IC.

105 IC betwist deze feiten niet.

106 Hieruit blijkt dus dat de „relatieve waarde” van de inschrijvingen daadwerkelijk is beoordeeld, aangezien de waarde van de inschrijving van CLL 1,49 punten hoger is geschat dan de waarde van de inschrijving van IC.

107 Bovendien heeft IC niets aangevoerd waaruit naar voren komt dat de Uniewetgeving de aanbestedende dienst verplicht om de inschrijvingen van de inschrijvers op een andere wijze te vergelijken, of om zijn stelling te staven dat punt 174 van het bestreden arrest in die zin moet worden uitgelegd. Wat dit laatste betreft, zij erop gewezen dat het Gerecht in dat punt 174, dat verwijst naar de punten 165 tot en met 168 van dat arrest, geen enkele beoordeling formuleert die met de beoordelingen in laatstgenoemde punten in tegenspraak is. Daarin wordt immers enkel vastgesteld dat de Commissie, door elk van de technische inschrijvingen te toetsen aan het bestek, „de technische voorstellen onderling heeft vergeleken”, dat wil zeggen dat zij deze heeft kunnen vergelijken. Dit komt in essentie overeen met wat er in de punten 165 tot en met 168 staat.

108 IC heeft evenmin zijn stelling onderbouwd dat de beoordeling van de waarde van de inschrijving van CLL uniform was voor alle percelen van de betrokken overheidsopdracht. Hoewel is gebleken dat alle percelen van deze opdracht in de eerste plaats zijn gegund aan CLL, komt evenwel noch uit de door het Gerecht vastgestelde feiten, noch uit de door IC aangevoerde feiten naar voren dat de scores van de als tweede gerangschikte inschrijvers voor de verschillende percelen van die opdracht gelijk waren. Er is dus geen reden om aan te nemen dat de „relatieve waarde” van de inschrijving van CLL voor alle percelen uniform was.

109 Dientengevolge blijkt uit geen van de argumenten die IC ter ondersteuning van zijn tweede middel in hogere voorziening heeft aangevoerd, dat het Gerecht blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting of de feiten onjuist heeft opgevat door in punt 165 van het bestreden arrest vast te stellen dat nergens uit kan worden opgemaakt dat de Commissie zich niet zou hebben gehouden aan het vereiste om de economisch meest voordelige inschrijving te bepalen op basis van objectieve criteria die de naleving van het transparantiebeginsel, het non-discriminatiebeginsel en het beginsel van gelijke behandeling verzekeren.

110 Hieruit volgt dat het tweede middel in hogere voorziening van IC ongegrond is.

Eerste middel in hogere voorziening van het Koninkrijk Spanje

Argumenten van partijen

111 Het Koninkrijk Spanje betoogt dat het Gerecht, door niet vast te stellen dat het litigieuze besluit ontoereikend is gemotiveerd, de omvang van de in artikel 41, lid 2, onder c), van het Handvest vastgelegde motiveringsplicht onjuist heeft opgevat.

112 Deze lidstaat merkt op, ten eerste, dat de totaalscore van de inschrijving van CLL slechts 1,49 punten hoger was dan die van de inschrijving van IC. Ten tweede had de ontbrekende documentatie slechts betrekking op bepaalde onderdelen van de subcriteria 1.1 en 1.2. Deze ontbrekende documentatie was een van de redenen waarom IC scores van 22/30 en 21/30 heeft behaald bij de beoordeling van deze subcriteria.

113 Uit het litigieuze besluit kan echter niet worden opgemaakt om welke precieze redenen die scores aan de inschrijving van IC zijn toegekend.

114 Het is niet voldoende om toegang te verlenen tot een evaluatieschema met een reeks opmerkingen over verschillende onderdelen van een subcriterium, zonder vermelding van de punten die voor elk van deze onderdelen zijn opgeteld of afgetrokken.

115 Het is juist dat het Gerecht in punt 65 van het bestreden arrest terecht in herinnering heeft gebracht dat het volstaat, teneinde te voldoen aan de motiveringsplicht, dat de afgewezen inschrijver kan begrijpen waarom de gekozen inschrijving beter is dan de afgewezen inschrijving. In casu heeft het Gerecht echter ten onrechte nagelaten vast te stellen dat het litigieuze besluit IC juist niet in staat stelde te begrijpen waarom de inschrijving van CLL gunstiger was beoordeeld.

116 Het Koninkrijk Spanje benadrukt dat het de ruime beoordelingsmarge van de aanbestedende dienst om de punten voor elk subcriterium te verdelen over de verschillende onderdelen van dat subcriterium, niet ter discussie stelt, maar aanvoert dat de Commissie moet aangeven hoeveel punten zij aan elk van die onderdelen toekent. Tot staving van dit argument verwijst deze lidstaat naar de punten 247 tot en met 254 van het arrest van 27 april 2016, European Dynamics Luxembourg e.a./EUIPO (T‑556/11, EU:T:2016:248 ).

117 Uit dat arrest blijkt dat het ontbreken van een verband tussen, enerzijds, de positieve en negatieve opmerkingen die aan elk geëvalueerd onderdeel zijn toegekend en, anderzijds, een specifieke puntentoekenning of -aftrek, een schending van de motiveringsplicht vormt.

118 Door in de punten 63, 102, 117 en 118 van het bestreden arrest in essentie te oordelen dat dit ontbreken van een verband niet relevant is, heeft het Gerecht derhalve blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting.

119 Het Gerecht heeft in punt 90 van het bestreden arrest vastgesteld dat het bestek in casu minder gedetailleerd is dan het bestek dat aan de orde was in de zaak die heeft geleid tot het arrest van 27 april 2016, European Dynamics Luxembourg e.a./EUIPO (T‑556/11, EU:T:2016:248 ). Volgens het Koninkrijk Spanje is deze redenering van het Gerecht rechtens onjuist, aangezien zij erop neerkomt dat de nauwkeurigheid van het bestek bepalend is voor de omvang van de motiveringsplicht. De omvang van deze plicht kan niet afhangen van de aanbestedingsstukken. In casu had het Gerecht het in de punten 76 tot en met 78 en 90 van het bestreden arrest vastgestelde feit dat elk subcriterium verschillende onderdelen bevatte en dat deze onderdelen een specifieke beoordeling hebben gekregen aan de hand van positieve of negatieve opmerkingen, als doorslaggevend moeten beschouwen.

120 Uiteindelijk moet volgens het Koninkrijk Spanje het door de autoriteiten genomen besluit aangeven welk gewicht bij de beoordeling daadwerkelijk is toegekend aan elk van de onafhankelijk geëvalueerde onderdelen.

121 De Commissie betwist dit betoog.

Beoordeling door het Hof

122 Wat betreft de motiveringsplicht die krachtens artikel 296, tweede alinea, VWEU en artikel 41, lid 2, onder c), van het Handvest op de Commissie rust, zij eraan herinnerd dat de motivering de redenering van de auteur van de handeling duidelijk en ondubbelzinnig tot uitdrukking moet doen komen, zodat de belanghebbenden de rechtvaardigingsgronden van die handeling kunnen kennen en de bevoegde rechter zijn toezicht kan uitoefenen [zie in die zin arrest van 30 januari 2024, Agentsia „Patna infrastruktura” (Europese financiering van wegeninfrastructuur), C‑471/22, EU:C:2024:99, punt 25 en aldaar aangehaalde rechtspraak].

123 De precieze draagwijdte van het motiveringsvereiste moet worden beoordeeld aan de hand van de omstandigheden van het geval, waarbij met name rekening moet worden gehouden met de inhoud van de handeling, de aard van de redengeving en het belang dat de adressaten van de handeling of andere door de handeling getroffen personen bij een toelichting kunnen hebben. Het is dus niet noodzakelijk dat alle feitelijke en juridische gegevens die als relevant zouden kunnen worden beschouwd in de motivering van een handeling worden gespecificeerd [arrest van 30 januari 2024, Agentsia „Patna infrastruktura” (Europese financiering van wegeninfrastructuur), C‑471/22, EU:C:2024:99, punt 26 en aldaar aangehaalde rechtspraak].

124 Het Koninkrijk Spanje verwijt het Gerecht dat het niet heeft vastgesteld dat de Commissie haar motiveringsplicht ten aanzien van IC niet is nagekomen. Ofschoon deze lidstaat niet betwist dat IC in kennis is gesteld van zowel de scores die hijzelf en CLL voor elk gunningscriterium en -subcriterium hebben behaald als de positieve en negatieve opmerkingen van het evaluatiecomité, is het Koninkrijk Spanje van mening dat de Commissie het verband tussen elk van die opmerkingen en de behaalde score had moeten specificeren, zodat IC kon weten hoeveel punten er specifiek waren opgeteld of afgetrokken op basis van elk van die opmerkingen.

125 Zoals het Hof reeds heeft geoordeeld, kan van de aanbestedende dienst niet worden vereist dat hij aan een inschrijver wiens inschrijving niet is gekozen, naast de redenen voor de afwijzing van zijn inschrijving, een nauwkeurige samenvatting verstrekt van de wijze waarop elk detail van zijn inschrijving bij de evaluatie ervan in aanmerking is genomen, en dat hij bij de mededeling van de kenmerken en relatieve voordelen van de gekozen inschrijving, een zorgvuldige vergelijkende analyse van deze inschrijving en de inschrijving van de afgewezen inschrijver verschaft (arrest van 3 mei 2018, EUIPO/European Dynamics Luxembourg e.a., C‑376/16 P, EU:C:2018:299, punt 57 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

126 Bovendien vereist de motiveringsplicht in beginsel niet dat een specifiek gewicht toekomt aan elke negatieve of positieve opmerking in de beoordeling. In het geval waarin de aanbestedingsstukken voor elk criterium of subcriterium een specifiek becijferd gewicht bevatten, verlangt het transparantiebeginsel dat een becijferde beoordeling wordt toegekend aan deze criteria of subcriteria (arrest van 3 mei 2018, EUIPO/European Dynamics Luxembourg e.a., C‑376/16 P, EU:C:2018:299, punt 63 ).

127 In casu staat vast dat het bestek een weging van de punten voor de criteria en subcriteria aanbracht, maar dat het binnen elk subcriterium ook verschillende onderdelen onderscheidde waaraan niet afzonderlijk een specifieke weging van de punten was toegekend.

128 Derhalve hoefde de Commissie, zoals het Gerecht in punt 102 van het bestreden arrest heeft uiteengezet, in haar besluit of in de aan IC toegezonden evaluatieschema’s niet te berekenen, en dus ook niet aan te geven, in welke precieze mate – uitgedrukt in punten – elke opmerking over een afzonderlijk onderdeel van een subcriterium bijdroeg aan de op grond van dat subcriterium behaalde score.

129 Het is juist dat dit anders kan liggen wanneer is bepaald dat fracties van punten worden toegekend voor een of meer onderdelen van een subcriterium. In dat geval vereisen het transparantiebeginsel en de motiveringsplicht dat de fracties van punten die zijn toegekend op basis van de positieve en negatieve opmerkingen over deze onderdelen van dat subcriterium, aan de betrokkene worden meegedeeld (zie in die zin arrest van 3 mei 2018, EUIPO/European Dynamics Luxembourg e.a., C‑376/16 P, EU:C:2018:299, punten 65 tot en met 67 ). In casu blijkt echter dat aan de verschillende onderdelen van de subcriteria niet afzonderlijk een specifieke weging van de punten was toegekend. Zoals in punt 126 van het onderhavige arrest in herinnering is gebracht, staat het de aanbestedende dienst vrij om de becijferde beoordeling alleen toe te kennen aan de criteria en subcriteria. Dientengevolge hoeft die dienst, binnen de voor een subcriterium toegekende score, geen fracties van de score voor elk afzonderlijk onderdeel van dit subcriterium aan te geven. Het Gerecht heeft dus geen blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door te oordelen dat de positieve en negatieve opmerkingen over deze onderdelen er niet toe mochten leiden dat er een becijferd gewicht wordt toegekend voor elke opmerking.

130 Bijgevolg moet het tweede middel in hogere voorziening van het Koninkrijk Spanje worden afgewezen.

Derde middel in hogere voorziening van het Koninkrijk Spanje

Argumenten van partijen

131 Het Koninkrijk Spanje merkt op dat het tweede middel van het beroep van IC bij het Gerecht betrekking had op de stelling dat de inschrijvingen van CLL en van IC niet met elkaar zijn vergeleken, en dat IC met zijn vijfde middel van het beroep de Commissie verweet dat zij alle percelen van de opdracht had gegund aan één dienstverlener.

132 Deze lidstaat wijst er op dat hij, ter ondersteuning van deze middelen van IC, voor het Gerecht heeft aangevoerd dat er sprake was van schending van het beginsel van gelijke behandeling, en daarbij het verschil in behandeling van IC concreet heeft geïllustreerd.

133 Het Gerecht heeft dit betoog in het bestreden arrest onjuist onderzocht.

134 Ten eerste merkt het Koninkrijk Spanje in dit verband op dat het tijdens de procedure bij het Gerecht heeft benadrukt dat de Commissie geen specifieke inhoudelijke beoordeling heeft gegeven van de inschrijving van CLL voor wat betreft de fase in het taalonderwijs die bekend staat als de „eindtoetsen”. Wat de inschrijving van IC betreft, heeft zij evenwel een negatieve opmerking over dit aspect gemaakt.

135 In punt 176 van het bestreden arrest heeft het Gerecht dit verschil weliswaar erkend, maar enkel geoordeeld dat dit verschil gerechtvaardigd was door de ontbrekende documentatie in de inschrijving van IC. Volgens het Koninkrijk Spanje kan de ontbrekende documentatie weliswaar een verklaring bieden voor de negatieve opmerking over deze inschrijving, maar dit kan niet verklaren waarom er geen opmerking is over de inschrijving van CLL voor wat betreft de eindtoetsen.

136 Ten tweede betoogt het Koninkrijk Spanje dat het voor het Gerecht had aangevoerd dat de Commissie bij de evaluatie van subcriterium 1.1 een positieve opmerking heeft gegeven over de inschrijving van CLL voor wat betreft bepaalde door dit consortium voorgestelde digitale hulpmiddelen, terwijl de Commissie met betrekking tot de in de inschrijving van IC voorgestelde digitale hulpmiddelen alleen had aangegeven – zonder die te evalueren – dat in deze inschrijving dergelijke hulpmiddelen waren vermeld.

137 Het Gerecht heeft dit argument in de punten 179 en 180 van het bestreden arrest afgewezen door te oordelen dat, met betrekking tot de digitale hulpmiddelen, de opmerking over de inschrijving van IC gelijkwaardig was aan hetgeen over de inschrijving van CLL werd opgemerkt. Een dergelijke beoordeling door het Gerecht is onjuist aangezien de Commissie, met betrekking tot dit onderdeel van subcriterium 1.1, heeft nagelaten de inschrijving van IC te evalueren.

138 Aangezien er geen maatregel van instructie was getroffen om de Commissie te verplichten daarover nadere toelichting te geven, kon het Gerecht in feite niet weten of de Commissie aan het consortium LLC en aan IC dezelfde score heeft toegekend voor dat onderdeel van subcriterium 1.1.

139 Het Koninkrijk Spanje roept in herinnering dat het daarom het Gerecht had verzocht om de Commissie te gelasten de volledige evaluatie over te leggen van de subcriteria 1.1 en 1.2. Volgens deze lidstaat was deze maatregel van instructie noodzakelijk ter onderbouwing van de stelling dat de Commissie, bij de evaluatie van subcriterium 1.1, wel de door CLL voorgestelde digitale hulpmiddelen specifiek heeft benoemd en geëvalueerd, maar niet de door IC voorgestelde digitale hulpmiddelen, die niet waren geëvalueerd om met name te bepalen of zij de consolidatie van het taalonderwijs vergemakkelijken dan wel een doorlopende beoordeling mogelijk maken.

140 Die lidstaat voegt daaraan toe dat het Gerecht in punt 150 van het bestreden arrest dit verzoek om een maatregel van instructie heeft afgewezen, op grond dat blijkens artikel 88 van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht een dergelijk verzoek niet door een interveniënt mag worden ingediend. Een dergelijke uitlegging van dit artikel 88 zou echter onjuist zijn, aangezien zij alleen op deze bepaling is gebaseerd zonder rekening te houden met de context ervan. Deze context omvat artikel 145, lid 2, onder c), van dit Reglement voor de procesvoering, dat interveniënten in staat stelt om het bewijs en de bewijsaanbiedingen in te dienen.

141 Ten derde merkt het Koninkrijk Spanje op dat het voor het Gerecht heeft betoogd dat de Commissie de in de inschrijving van IC voorgestelde leermethoden had geëvalueerd, maar niet de in de inschrijving van CLL voorgestelde methoden.

142 Door dit argument in punt 178 van het bestreden arrest af te wijzen op grond dat door aanvaarding ervan „[IC] nog gunstiger zou worden behandeld”, heeft het Gerecht dat argument onjuist opgevat. Zonder deze onjuiste opvatting had het Gerecht kunnen vaststellen dat het in het vorige punt van het onderhavige arrest vermelde verschil in behandeling onaanvaardbaar is, aangezien de Commissie, indien zij de door CLL voorgestelde leermethoden had geëvalueerd, die methoden negatief had kunnen beoordelen.

143 Ten vierde merkt het Koninkrijk Spanje op dat het voor het Gerecht heeft betoogd dat de Commissie bij haar beoordeling van de inschrijving van CLL met betrekking tot het onderdeel „organisatie van de inhoud” van subcriterium 1.1 alleen een formele analyse had gemaakt die leidde tot de opmerking dat deze organisatie gedetailleerd was en een zeer duidelijke structuur had, terwijl zij in haar beoordeling van de inschrijving van IC opmerkingen had gegeven over de opleidingsinhoud.

144 In punt 182 van het bestreden arrest heeft het Gerecht dit argument ten onrechte afgewezen op grond dat de Commissie een positieve opmerking over de opleidingsinhoud had gemaakt, terwijl het Koninkrijk Spanje betwistte dat de Commissie de organisatie van die inhoud niet had beoordeeld.

145 Gelet op deze vier illustraties concludeert het Koninkrijk Spanje dat het Gerecht heeft verzuimd om vast te stellen dat de Commissie bij de evaluatie van de inschrijvingen van IC en van CLL verschillende methodes heeft toegepast. Bovendien schendt het bestreden arrest artikel 145, lid 2, onder c), van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht.

146 De Commissie betwist dit betoog.

Beoordeling door het Hof

147 Zoals het Koninkrijk Spanje uiteenzet, wordt in de punten van het bestreden arrest waartegen zijn derde middel in hogere voorziening is gericht, geantwoord op argumenten die deze lidstaat had aangevoerd ter ondersteuning van het tweede en het vijfde middel van het beroep van IC, en waarmee deze laatste met name kritiek uitte op het feit dat alle percelen van de betrokken overheidsopdracht aan CLL waren gegund. Dit voor CLL gunstige resultaat was volgens IC het gevolg van tekortkomingen of zelfs van een willekeurige behandeling bij de vergelijking van de inschrijvingen. Volgens deze door het Koninkrijk Spanje voor het Gerecht aangevoerde argumenten, bleek uit de evaluatieschema’s van de inschrijvingen van CLL en IC voor perceel 3 dat de inschrijving van CLL op bepaalde vlakken niet zo diepgaand was beoordeeld als de inschrijving van IC, en op andere vlakken grondiger was geëvalueerd dan de inschrijving van IC.

148 In dit verband zij opgemerkt dat het feit dat de opmerkingen van het evaluatiecomité over de verschillende inschrijvingen verschillen wat de inhoud of de mate van detail betreft, op zich geen aanwijzing vormt dat er sprake is van een ongelijke of willekeurige behandeling. Aangezien de inschrijvingen van elkaar verschillen, leiden zij tot opmerkingen die op bepaalde vlakken gedetailleerder kunnen zijn ten opzichte van de ene inschrijver dan ten opzichte van een andere.

149 Weliswaar moet worden vastgesteld dat er sprake is van een ongelijke of willekeurige behandeling wanneer nauwkeurige en onderling overeenstemmende aanwijzingen voor dergelijk onrechtmatig gedrag zijn aangevoerd, maar uit de punten van het bestreden arrest waarop het derde middel in hogere voorziening van het Koninkrijk Spanje betrekking heeft, komt niet naar voren dat dergelijke aanwijzingen werden gevonden in de evaluatieschema’s van de inschrijvingen van CLL en IC voor perceel 3.

150 Deze beoordeling door het Gerecht, die feitelijk van aard is, is niet vatbaar voor toetsing door het Hof in het kader van een hogere voorziening.

151 Zoals blijkt uit artikel 256, lid 1, VWEU en artikel 58, eerste alinea, van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie is de hogere voorziening immers beperkt tot rechtsvragen. Het Gerecht is dus bij uitsluiting bevoegd om de relevante feiten vast te stellen en te beoordelen, alsmede om de bewijselementen te beoordelen. De beoordeling van de feiten en van het bewijs levert, behoudens het geval van een onjuiste opvatting daarvan, geen rechtsvraag op die als zodanig in hogere voorziening door het Hof kan worden getoetst (arrest van 13 maart 2025, PKK/Raad, C‑72/23 P, EU:C:2025:182, punt 113 en aldaar aangehaalde rechtspraak). In casu hebben de argumenten van het Koninkrijk Spanje betrekking op de beoordeling van de feiten door het Gerecht, zonder vermelding van feiten die onjuist zijn opgevat.

152 Voor zover het derde middel in hogere voorziening van het Koninkrijk Spanje is ontleend aan schending van het beginsel van gelijke behandeling en van het verbod van willekeur bij de beoordeling van de inschrijvingen, is dit middel derhalve niet-ontvankelijk.

153 Voor zover het Koninkrijk Spanje betoogt dat de afwijzing in punt 150 van het bestreden arrest van zijn verzoek om een maatregel van instructie is gebaseerd op een onjuiste lezing van artikel 88, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht en aldus artikel 145, lid 2, onder c), van dat Reglement voor de procesvoering zijn nuttige werking ontneemt, werpt deze lidstaat daarentegen een rechtsvraag op.

154 Artikel 88, lid 1 van dat Reglement voor de procesvoering bepaalt dat maatregelen van instructie ambtshalve dan wel op verzoek van een hoofdpartij kunnen worden getroffen.

155 Zoals ondubbelzinnig uit deze bepaling naar voren komt, mogen de interveniënten bij het Gerecht geen verzoeken om maatregelen van instructie indienen.

156 Anders dan het Koninkrijk Spanje betoogt, ontneemt deze uitsluiting van interveniënten artikel 145, lid 2, onder c), van datzelfde Reglement voor de procesvoering niet zijn nuttige werking. Deze bepaling, die vereist dat de memorie in interventie de bewijzen en bewijsaanbiedingen bevat waarop de door de interveniënt aangevoerde middelen en argumenten zijn gebaseerd, heeft immers betrekking op de bewijzen die door de interveniënt zelf zijn overgelegd of aangeboden, en niet op de bewijzen die door een andere partij worden overgelegd naar aanleiding van een maatregel van instructie van het Gerecht.

157 Bijgevolg is het derde middel in hogere voorziening van het Koninkrijk Spanje ongegrond voor zover het is ontleend aan schending van artikel 145, lid 2, onder c), van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht.

158 Uit een en ander volgt dat dit middel moet worden afgewezen.

Vierde middel in hogere voorziening van het Koninkrijk Spanje

Argumenten van partijen

159 Het Koninkrijk Spanje brengt in herinnering dat het in artikel 41 van het Handvest verankerde recht op behoorlijk bestuur onder meer de vereisten van objectieve onpartijdigheid en transparantie omvat. Door het vijfde middel van het beroep van IC af te wijzen, heeft het Gerecht deze vereisten geschonden.

160 Dienaangaande betoogt het Koninkrijk Spanje dat, in een aanbestedingsprocedure die is gebaseerd op het gunningscriterium van de beste prijs-kwaliteitverhouding, de kwaliteit van de inschrijving los van de beoordeling van de prijs moet worden geëvalueerd. Een dergelijke scheiding zorgt ervoor dat de beoordeling van de kwaliteit niet wordt beïnvloed door de prijs. Aldus wordt voorkomen dat een inschrijving met een hogere prijs automatisch als kwalitatief beter wordt beschouwd.

161 In punt 209 van het bestreden arrest heeft het Gerecht terecht vastgesteld dat het Koninkrijk Spanje met dit argument niet heeft willen betogen dat de leden van het evaluatiecomité in subjectieve zin partijdig zijn. In punt 208 van dat arrest heeft het Gerecht dat argument, dat berust op het vereiste van objectieve onpartijdigheid, echter onjuist uitgelegd in die zin dat het Koninkrijk Spanje de Commissie met dit argument verweet dat zij eerst de prijs en daarna de kwaliteit van de inschrijvingen had geëvalueerd. Deze lezing van het betoog van het Koninkrijk Spanje is onjuist, aangezien de bezorgdheid van deze lidstaat in feite betrekking heeft op het risico dat de scheiding tussen deze twee beoordelingen niet is gewaarborgd.

162 Volgens het Koninkrijk Spanje had het Gerecht moeten vaststellen dat niet kon worden uitgesloten dat de Commissie gelijktijdig de prijs en de kwaliteit van de inschrijvingen had beoordeeld, en dat zij op die wijze door de hoge prijs in de inschrijving van CLL was beïnvloed om op basis daarvan te concluderen dat deze inschrijving van hoge kwaliteit was.

163 In dit verband herinnert deze lidstaat eraan dat voor het bewijs dat de organisatie van de administratieve procedure onvoldoende garanties biedt om elke gerechtvaardigde twijfel omtrent mogelijke vooringenomenheid uit te sluiten, gebrek aan onpartijdigheid niet hoeft te worden vastgesteld. Het volstaat dat gerechtvaardigde twijfel bestaat die niet kan worden weggenomen.

164 De Commissie betwist dit betoog.

Beoordeling door het Hof

165 Het in artikel 41 van het Handvest erkende grondrecht op behoorlijk bestuur houdt luidens de bewoordingen van lid 1 van deze bepaling in dat eenieder er recht op heeft dat zijn zaken onpartijdig worden behandeld. Dit vereiste van onpartijdigheid bestaat uit een subjectieve en een objectieve component. Die laatste component houdt in dat alle instellingen, organen en instanties van de Unie voldoende waarborgen moeten bieden om elke gerechtvaardigde twijfel omtrent een eventuele vooringenomenheid uit te sluiten (arrest van 14 maart 2024, D & A Pharma/Commissie en EMA, C‑291/22 P, EU:C:2024:228, punten 72 en 73 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

166 Zoals blijkt uit de feiten die het Gerecht met betrekking tot de evaluatiecriteria heeft vastgesteld en die zijn samengevat in de punten 15 tot en met 19 van het onderhavige arrest, schreef het bestek in casu voor dat er een afzonderlijke beoordeling van de prijs (met een gewicht van 30 %) en de kwaliteit (met een gewicht van 70 %) wordt verricht. Dit in het bestek gemaakte onderscheid is strikt. Uit de beschrijving van de criteria en subcriteria betreffende de kwaliteit volgt immers dat elk van die criteria op geen enkele wijze verband houdt met de prijs in de inschrijving.

167 In de punten 208 en 209 van het bestreden arrest heeft het Gerecht geoordeeld dat het Koninkrijk Spanje geen bewijs of aanwijzing had aangedragen dat de Commissie dit onderscheid niet in acht had genomen of de procedure zodanig had georganiseerd dat de beoordeling op basis van de kwaliteit werd beïnvloed door de beoordeling op basis van de prijs.

168 Het Koninkrijk Spanje voert geen onjuiste opvatting van de feiten aan om deze beoordeling van het Gerecht te betwisten.

169 Op grond van die beoordeling door het Gerecht kon het argument van het Koninkrijk Spanje dat het vereiste van onpartijdigheid was geschonden, naar behoren worden afgewezen. Gesteld al dat de door deze lidstaat geuite bezorgdheid over een eventuele vooringenomenheid ten gunste van de inschrijving met de hoogste prijs enige relevantie heeft, neemt dit immers niet weg dat een onderscheid als in de aanbestedingsstukken, tussen de beoordeling op basis van de prijs en de beoordeling op basis van de kwaliteit, voldoende waarborgen biedt om elke gerechtvaardigde twijfel omtrent een eventuele vooringenomenheid uit te sluiten.

170 Voor zover het vierde middel in hogere voorziening van het Koninkrijk Spanje is ontleend aan schending van het vereiste van objectieve onpartijdigheid, moet het bijgevolg ongegrond worden verklaard.

171 Ten slotte betoogt het Koninkrijk Spanje dat het Gerecht het transparantievereiste niet in acht heeft genomen, zonder evenwel specifieke argumenten ter zake aan te voeren. Volgens vaste rechtspraak blijkt echter uit artikel 256, lid 1, tweede alinea, VWEU, artikel 58, eerste alinea, van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie en artikel 168, lid 1, onder d), van het Reglement voor de procesvoering van het Hof dat een hogere voorziening, op straffe van niet-ontvankelijkheid van de hogere voorziening of het betrokken middel, nauwkeurig moet aangeven tegen welke onderdelen van het arrest waarvan de vernietiging wordt gevorderd zij is gericht, en welke juridische argumenten deze vordering specifiek staven (arrest van 4 oktober 2024, thyssenkrupp/Commissie, C‑581/22 P, EU:C:2024:821, punten 57 en 58 ). Hieruit volgt dat de grief van het Koninkrijk Spanje inzake schending van het transparantievereiste niet-ontvankelijk is.

172 Bijgevolg moet dit middel worden afgewezen.

173 Aangezien geen van de tot staving van de hogere voorzieningen aangevoerde middelen slaagt, moeten deze hogere voorzieningen in hun geheel worden afgewezen.

Kosten

174 Volgens artikel 184, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering van het Hof beslist het Hof over de kosten wanneer de hogere voorziening ongegrond is.

175 Artikel 138, lid 1, van dit Reglement voor de procesvoering, dat op grond van artikel 184, lid 1, van dat Reglement voor de procesvoering van toepassing is op de procedure in hogere voorziening, bepaalt dat de in het ongelijk gestelde partij wordt verwezen in de kosten, voor zover dit is gevorderd.

176 Aangezien IC en het Koninkrijk Spanje in het ongelijk zijn gesteld, dienen zij overeenkomstig de vordering van de Commissie te worden verwezen in hun eigen kosten en in die welke de Commissie heeft gemaakt in het kader van de hogere voorzieningen.

Het Hof (Achtste kamer) verklaart:
  1. De hogere voorzieningen in de zaken C‑534/23 P en C‑539/23 P worden afgewezen.

  2. Instituto Cervantes en het Koninkrijk Spanje dragen hun eigen kosten en de kosten die de Europese Commissie heeft gemaakt in het kader van de hogere voorzieningen.

ondertekeningen