Home

Arrest van het Hof (Eerste kamer) van 27 februari 2025

Arrest van het Hof (Eerste kamer) van 27 februari 2025

Gegevens

Instantie
Hof van Justitie EU
Datum uitspraak
27 februari 2025

Uitspraak

Arrest van het Hof (Eerste kamer)

27 februari 2025(*)

"„Prejudiciële verwijzing - Justitiële samenwerking in burgerlijke en handelszaken - Verordening (EU) nr. 1215/2012 - Artikel 25, lid 1 - Forumkeuzebeding - Beoordeling van de geldigheid van het beding - Onnauwkeurig en onevenwichtig karakter - Toepasselijk recht - Begrip ,materiële nietigheid’”"

In zaak C‑537/23,

betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de Cour de cassation (hoogste rechter in burgerlijke en strafzaken, Frankrijk) bij beslissing van 13 april 2023, ingekomen bij het Hof op 22 augustus 2023, in de procedure

Società Italiana Lastre SpA (SIL)

tegen

Agora SARL,

HET HOF (Eerste kamer),

samengesteld als volgt: T. von Danwitz, vicepresident van het Hof, waarnemend voor de president van de Eerste kamer, A. Kumin (rapporteur) en A. Arabadjiev, rechters,

advocaat-generaal: A. M. Collins,

griffier: A. Calot Escobar,

gezien de stukken,

gelet op de opmerkingen van:

  • Società Italiana Lastre SpA (SIL), vertegenwoordigd door F. Boucard, avocat,

  • de Franse regering, vertegenwoordigd door R. Bénard en B. Dourthe als gemachtigden,

  • de Tsjechische regering, vertegenwoordigd door A. Edelmannová, M. Smolek en J. Vláčil als gemachtigden,

  • de Europese Commissie, vertegenwoordigd door S. Noë en W. Wils als gemachtigden,

gelet op de beslissing, de advocaat-generaal gehoord, om de zaak zonder conclusie te berechten,

het navolgende

Arrest

1 Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 25, lid 1, van verordening (EU) nr. 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (PB 2012, L 351, blz. 1; hierna: „Brussel I bis-verordening”).

2 Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen Società Italiana Lastre SpA (SIL) (hierna: „SIL”), een vennootschap naar Italiaans recht, en Agora SARL, een vennootschap naar Frans recht, over de bevoegdheid van de Franse gerechten om kennis te nemen van de vordering tot vrijwaring die Agora tegen SIL heeft ingesteld in het kader van een tegen beide vennootschappen ingestelde vordering tot aansprakelijkheid en schadevergoeding.

Toepasselijke bepalingen

Internationaal recht

Haags Verdrag van 30 juni 2005 inzake bedingen van forumkeuze

3 Artikel 5, lid 1, van het Haags Verdrag van 30 juni 2005 inzake bedingen van forumkeuze, ondertekend op 1 april 2009, waarvan de sluiting namens de Europese Unie is goedgekeurd bij besluit 2014/887/EU van de Raad van 4 december 2014 (PB 2014, L 353, blz. 5) luidt als volgt:

„Het gerecht of de gerechten van een Verdragsluitende Staat die in een exclusief forumkeuzebeding zijn aangewezen, zijn bevoegd kennis te nemen van een geschil waarop het beding van toepassing is, tenzij het beding volgens het recht van die Staat nietig is.”

Lugano II-Verdrag

4 Artikel 1 van het Verdrag betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken, ondertekend op 30 oktober 2007 (hierna: „Lugano II-Verdrag”), waarvan de sluiting namens de Europese Gemeenschap is goedgekeurd bij besluit 2009/430/EG van de Raad van 27 november 2008 (PB 2009, L 147, blz. 1) bepaalt:

„1.

Dit verdrag wordt toegepast in burgerlijke en handelszaken, ongeacht de aard van het gerecht waarvoor deze zaken zich afspelen. Het heeft met name geen betrekking op fiscale zaken, douanezaken of administratiefrechtelijke zaken.

[…]

3.

In dit verdrag wordt onder ‚door dit verdrag gebonden staat’ verstaan, elke staat die verdragsluitende partij is bij dit verdrag of een lidstaat van de Europese Gemeenschap. Hieronder kan ook worden verstaan de Europese Gemeenschap.”

5 Titel II van dit verdrag („Bevoegdheid”) omvat onder meer de afdelingen 1 en 2 die respectievelijk algemene bevoegdheidsregels en bijzondere bevoegdheidsregels bevatten.

6 In artikel 23, lid 1, van dit verdrag is bepaald:

„Wanneer de partijen van wie er ten minste één woonplaats heeft op het grondgebied van een door dit verdrag gebonden staat, een gerecht of de gerechten van een door dit verdrag gebonden staat hebben aangewezen voor de kennisneming van geschillen die naar aanleiding van een bepaalde rechtsbetrekking zijn ontstaan of zullen ontstaan, is dit gerecht of zijn die gerechten van die staat bevoegd. Deze bevoegdheid is exclusief, tenzij de partijen anders zijn overeengekomen. Deze overeenkomst tot aanwijzing van een bevoegd gerecht wordt gesloten:

  1. hetzij bij een schriftelijke overeenkomst of bij een schriftelijk bevestigde mondelinge overeenkomst;

  2. hetzij in een vorm die wordt toegelaten door de handelwijzen die tussen de partijen gebruikelijk zijn geworden;

  3. hetzij, in de internationale handel, in een vorm die overeenstemt met een gewoonte waarvan de partijen op de hoogte zijn of hadden behoren te zijn en die in de internationale handel algemeen bekend is en door partijen bij dergelijke overeenkomsten in de betrokken handelsbranche doorgaans in acht wordt genomen.”

Unierecht

Executieverdrag

7 Artikel 17 van het Verdrag van 27 september 1968 betreffende de rechterlijke bevoegdheid en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (PB 1972, L 299, blz. 32), zoals gewijzigd bij de opeenvolgende verdragen betreffende de toetreding van de nieuwe lidstaten tot dit verdrag (hierna: „Executieverdrag”), luidde:

„Wanneer de partijen, van wie er ten minste één woonplaats heeft op het grondgebied van een verdragsluitende staat, een gerecht of de gerechten van een verdragsluitende staat hebben aangewezen voor de kennisneming van geschillen welke naar aanleiding van een bepaalde rechtsbetrekking zijn ontstaan of zullen ontstaan, is dit gerecht of zijn de gerechten van die staat bij uitsluiting bevoegd. Deze overeenkomst tot aanwijzing van een bevoegde rechter dient te worden gesloten:

  1. hetzij bij een schriftelijke overeenkomst of bij een schriftelijk bevestigde mondelinge overeenkomst;

  2. hetzij in een vorm die wordt toegelaten door de handelwijzen die tussen de partijen gebruikelijk zijn geworden;

  3. hetzij, in de internationale handel, in een vorm die overeenstemt met een gewoonte waarvan de partijen op de hoogte zijn of hadden behoren te zijn en die in de internationale handel algemeen bekend is en door partijen bij dergelijke overeenkomsten in de betrokken handelsbranche doorgaans in acht wordt genomen.

[…]

Indien een overeenkomst tot aanwijzing van een bevoegde rechter slechts is gemaakt ten behoeve van een der partijen, behoudt deze het recht zich te wenden tot elk ander gerecht dat op grond van dit Verdrag bevoegd is.

[…]”

Brussel I-verordening

8 Artikel 23 van verordening (EG) nr. 44/2001 van de Raad van 22 december 2000 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (PB 2001, L 12, blz. 1; hierna: „Brussel I-verordening”) luidde in lid 1:

„Wanneer de partijen van wie er ten minste één woonplaats heeft op het grondgebied van een lidstaat, een gerecht of de gerechten van een lidstaat hebben aangewezen voor de kennisneming van geschillen die naar aanleiding van een bepaalde rechtsbetrekking zijn ontstaan of zullen ontstaan, is dit gerecht of zijn de gerechten van die lidstaat bevoegd. Deze bevoegdheid is exclusief, tenzij de partijen anders zijn overeengekomen. Deze overeenkomst tot aanwijzing van een bevoegd gerecht wordt gesloten:

  1. hetzij bij een schriftelijke overeenkomst of bij een schriftelijk bevestigde mondelinge overeenkomst;

  2. hetzij in een vorm die wordt toegelaten door de handelwijzen die tussen de partijen gebruikelijk zijn geworden;

  3. hetzij, in de internationale handel, in een vorm die overeenstemt met een gewoonte waarvan de partijen op de hoogte zijn of hadden behoren te zijn en die in de internationale handel algemeen bekend is en door partijen bij dergelijke overeenkomsten in de betrokken handelsbranche doorgaans in acht wordt genomen.”

Brussel I bis-verordening

9 De overwegingen 4, 6, 15, 16 en 18 tot en met 20 van de Brussel I bis-verordening luiden als volgt:

„(4) […] Bepalingen die de eenvormigheid van de regels inzake jurisdictiegeschillen in burgerlijke en handelszaken mogelijk maken alsook zorgen voor een snelle en eenvoudige erkenning en tenuitvoerlegging van in een lidstaat gegeven beslissing, zijn onontbeerlijk.

[…]

(6) Met het oog op het vrije verkeer van beslissingen in burgerlijke en handelszaken is het nodig en passend de regels inzake de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in een verbindend en rechtsreeks toepasselijk besluit van de Unie neer te leggen.

[…]

(15) De bevoegdheidsregels moeten in hoge mate voorspelbaar zijn, waarbij als beginsel geldt dat de bevoegdheid in het algemeen gegrond wordt op de woonplaats van de verweerder. De bevoegdheid moet altijd op die grond kunnen worden gevestigd, behalve in een gering aantal duidelijk omschreven gevallen waarin het voorwerp van het geschil of de autonomie van de partijen een ander aanknopingspunt wettigt. Voor rechtspersonen moet de woonplaats autonoom worden bepaald om de gemeenschappelijke regels doorzichtiger te maken en jurisdictiegeschillen te voorkomen.

(16) Naast de woonplaats van de verweerder moeten er alternatieve bevoegdheidsgronden mogelijk zijn, gebaseerd op de nauwe band tussen het gerecht en de vordering of de noodzaak een goede rechtsbedeling te vergemakkelijken. Het bestaan van een nauwe band moet zorgen voor rechtszekerheid en de mogelijkheid vermijden dat de verweerder wordt opgeroepen voor een gerecht van een lidstaat dat door hem redelijkerwijs niet voorzienbaar was. […]

[…]

(18) In het geval van verzekerings-, consumenten- en arbeidsovereenkomsten moet de zwakke partij worden beschermd door bevoegdheidsregels die gunstiger zijn voor haar belangen dan de algemene regels.

(19) De autonomie van de partijen bij een andere overeenkomst dan een verzekerings-, consumenten- of arbeidsovereenkomst, waarvoor slechts een beperkte autonomie geldt met betrekking tot de keuze van het bevoegde gerecht, moet worden geëerbiedigd, behoudens de exclusieve bevoegdheidsgronden die in deze verordening zijn neergelegd.

(20) Of een forumkeuzebeding ten gunste van het gerecht of de gerechten van een bepaalde lidstaat nietig is wat haar materiële geldigheid betreft, dient te worden bepaald door het recht van die lidstaat, met inbegrip van het conflictenrecht van die lidstaat.”

10 Artikel 1 van die verordening bepaalt:

„1.

Deze verordening wordt toegepast in burgerlijke en handelszaken, ongeacht de aard van het gerecht. Zij heeft met name geen betrekking op fiscale zaken, douanezaken en administratiefrechtelijke zaken, noch op de aansprakelijkheid van de staat wegens een handeling of nalaten in de uitoefening van het openbaar gezag (acta jure imperii).

2.

Deze verordening is niet van toepassing op:

  1. de staat en de bevoegdheid van natuurlijke personen, het huwelijksvermogensrecht of het vermogensrecht ter zake van relatievormen waaraan volgens het hierop toepasselijke recht gevolgen worden verbonden welke vergelijkbaar zijn met die van het huwelijk;

  2. het faillissement, akkoorden en andere soortgelijke procedures;

  3. de sociale zekerheid;

  4. arbitrage;

  5. onderhoudsverplichtingen die voortvloeien uit familiebetrekkingen, bloedverwantschap, huwelijk of aanverwantschap;

  6. testamenten en erfenissen, met inbegrip van onderhoudsverplichtingen die ontstaan als gevolg van overlijden.”

11 Hoofdstuk II van die verordening („Bevoegdheid”) omvat onder meer de afdelingen 1 tot en met 5 en 7, met als opschrift respectievelijk „Algemene bepalingen”, „Bijzondere bevoegdheid”, „Bevoegdheid in verzekeringszaken”, „Bevoegdheid voor door consumenten gesloten overeenkomsten”, „Bevoegdheid voor individuele verbintenissen uit arbeidsovereenkomst” en „Door partijen aangewezen bevoegd gerecht”.

12 Artikel 15 van die verordening is onderdeel van afdeling 3 van hoofdstuk II en luidt:

„Van deze afdeling kan slechts worden afgeweken door overeenkomsten:

[…]

  1. die aan de verzekeringnemer, de verzekerde of de begunstigde de mogelijkheid geven de zaak bij andere gerechten dan de in deze afdeling genoemde aanhangig te maken;

[…]”

13 Artikel 19 van de Brussel I bis-verordening is onderdeel van afdeling 4 van hoofdstuk II en is als volgt verwoord:

„Van deze afdeling kan slechts worden afgeweken door overeenkomsten:

[…]

  1. die aan de consument de mogelijkheid geven de zaak bij andere gerechten dan de in deze afdeling genoemde aanhangig te maken; […]

[…]”

14 Artikel 23 van die verordening is opgenomen in afdeling 5 van hoofdstuk II en luidt:

„Van deze afdeling kan slechts worden afgeweken door overeenkomsten:

[…]

  1. die aan de werknemer de mogelijkheid geven de zaak bij andere gerechten dan de in deze afdeling genoemde aanhangig te maken.”

15 Artikel 25 van deze verordening, dat deel uitmaakt van afdeling 7 van hoofdstuk II, bepaalt:

„1.

Indien de partijen, ongeacht hun woonplaats, een gerecht of de gerechten van een lidstaat hebben aangewezen voor de kennisneming van geschillen die naar aanleiding van een bepaalde rechtsbetrekking zijn ontstaan of zullen ontstaan, is dit gerecht of zijn de gerechten van die lidstaat bevoegd, tenzij de overeenkomst krachtens het recht van die lidstaat nietig is wat haar materiële geldigheid betreft. Deze bevoegdheid is exclusief, tenzij de partijen anders zijn overeengekomen. De overeenkomst tot aanwijzing van een bevoegd gerecht wordt gesloten:

  1. hetzij bij een schriftelijke overeenkomst of bij een schriftelijk bevestigde mondelinge overeenkomst;

  2. hetzij in een vorm die wordt toegelaten door de handelwijzen die tussen de partijen gebruikelijk zijn geworden;

  3. hetzij, in de internationale handel, in een vorm die overeenstemt met een gewoonte waarvan de partijen op de hoogte zijn of hadden behoren te zijn en die in de internationale handel algemeen bekend is en door partijen bij dergelijke overeenkomsten in de betrokken handelsbranche doorgaans in acht wordt genomen.

[…]

4.

Overeenkomsten tot aanwijzing van een bevoegd gerecht en soortgelijke bedingen in akten tot oprichting van een trust hebben geen rechtsgevolg indien zij strijdig zijn met de artikelen 15, 19 [en] 23, of indien de gerechten op welker bevoegdheid inbreuk wordt gemaakt, krachtens artikel 24 bij uitsluiting bevoegd zijn.

[…]”

Hoofdgeding en prejudiciële vragen

16 Agora heeft voor de uitvoering van werkzaamheden in opdracht van twee natuurlijke personen, de opdrachtgevers, een overeenkomst gesloten met SIL voor de levering van bekledingspanelen.

17 Deze leveringsovereenkomst bevatte een forumkeuzebeding (hierna: „betrokken forumkeuzebeding”), waarin was bepaald dat „[h]et gerecht van Brescia [(Italië)] bevoegd [is] voor elk geschil dat voortvloeit uit of verband houdt met deze overeenkomst. [SIL] behoudt zich het recht voor om tegen de koper te procederen voor een ander bevoegd gerecht in Italië of in het buitenland”.

18 Nadat zij onregelmatigheden bij de uitvoering van de betrokken werkzaamheden hadden vastgesteld, hebben de opdrachtgevers in november 2019 en januari 2020 bij de tribunal de grande instance de Rennes (rechter in eerste aanleg Rennes, Frankrijk) een vordering tot aansprakelijkheid en schadevergoeding tegen Agora en SIL ingesteld.

19 Agora heeft SIL in vrijwaring opgeroepen. SIL heeft deze vordering tot vrijwaring betwist op grond van het betrokken forumkeuzebeding door een exceptie van internationale onbevoegdheid van de Franse rechter op te werpen.

20 De tribunal de grande instance de Rennes heeft deze exceptie van onbevoegdheid bij beschikking van 11 februari 2021 verworpen. SIL heeft tegen deze beslissing hoger beroep ingesteld.

21 Bij arrest van 4 november 2021 heeft de cour d’appel de Rennes (rechter in tweede aanleg Rennes, Frankrijk) – zonder de geldigheid van het betrokken forumkeuzebeding in het licht van het Italiaanse recht te beoordelen – voornoemde beslissing bevestigd op grond dat dit beding onrechtmatig was omdat het SIL in de gelegenheid stelde om meer bevoegde gerechten aan te zoeken dan Agora, zonder de objectieve elementen te verduidelijken op basis waarvan de partijen overeenstemming hadden bereikt over de aanwijzing van het in voorkomend geval aan te zoeken gerecht, waardoor het SIL een discretionaire keuze bood die in strijd was met de doelstelling van voorspelbaarheid waaraan forumkeuzebedingen moeten voldoen.

22 SIL heeft tegen dit arrest cassatieberoep ingesteld bij de cour de cassation (hoogste rechter in burgerlijke en strafzaken, Frankrijk), de verwijzende rechter. SIL betoogt dat de cour d’appel de Rennes artikel 25, lid 1, van de Brussel I bis-verordening heeft geschonden, aangezien de geldigheid van een forumkeuzebeding moet worden beoordeeld in het licht van het recht van de lidstaat waarvan de gerechten overeenkomstig dit beding zijn aangewezen en dus in casu in het licht van het Italiaanse recht en niet het Franse recht.

23 In dit verband twijfelt de verwijzende rechter over de precieze draagwijdte van artikel 25, lid 1, eerste volzin, van de Brussel I bis-verordening, aangezien hierin in essentie wordt bepaald dat een forumkeuzebeding in beginsel uitwerking moet krijgen, tenzij het „krachtens het recht van [de lidstaat waarvan de gerechten bij dat beding zijn aangewezen] nietig is wat de materiële geldigheid betreft”.

24 In casu rijst om te beginnen de vraag of de geldigheid van een forumkeuzebeding dat wordt betwist omdat het onnauwkeurig of evenwichtig is, moet worden beoordeeld aan de hand van autonome criteria die voortvloeien uit artikel 25, lid 1, van de Brussel I bis-verordening en de door die verordening nagestreefde doelstellingen van voorspelbaarheid en rechtszekerheid, dan wel of die beoordeling moet gebeuren in het licht van de criteria betreffende de „materiële nietigheidsgronden” van een dergelijk beding, met als gevolg dat deze geldigheid overeenkomstig artikel 25, lid 1, eerste volzin, moet worden beoordeeld in het licht van het recht van de lidstaat van het door dit beding aangewezen gerecht. In deze context wenst de verwijzende rechter met name te vernemen of het begrip „materiële nietigheid” strikt moet worden uitgelegd, in die zin dat deze nietigheidsgronden beperkt zijn tot fraude, dwaling, bedrog, geweld en onbekwaamheid.

25 Indien de geldigheid van een forumkeuzebeding dat wordt betwist omdat het onnauwkeurig en onevenwichtig is, moet worden beoordeeld aan de hand van autonome criteria die voortvloeien uit artikel 25, lid 1, van de Brussel I bis-verordening en de door die verordening nagestreefde doelstellingen van voorspelbaarheid en rechtszekerheid, wenst de verwijzende rechter vervolgens te vernemen of die bepaling in die zin moet worden uitgelegd dat een forumkeuzebeding volgens hetwelk de ene partij zich slechts tot het in dat beding aangewezen gerecht kan wenden, terwijl de andere partij, naast dit gerecht, ook elk ander bevoegd gerecht kan aanzoeken, geldig is.

26 Tot slot, indien de geldigheid van een forumkeuzebeding dat wordt betwist omdat het onevenwichtig is, moet worden beoordeeld in het licht van de criteria betreffende de „materiële nietigheidsgronden” in de zin van die bepaling, vraagt de verwijzende rechter zich af aan de hand van welk recht deze geldigheid moet worden beoordeeld wanneer dat beding aan één van de partijen de keuze biedt om gerechten van meerdere lidstaten aan te zoeken en die keuze nog niet is gemaakt op de dag waarop dat gerecht wordt aangezocht.

27 In die omstandigheden heeft de cour de cassation de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen:

  • Moet wanneer er sprake is van een asymmetrisch forumkeuzebeding dat slechts één van de partijen de mogelijkheid biedt te kiezen voor een gerecht naar keuze dat volgens de regels van het gemene recht bevoegd is en verschilt van het gerecht dat in dat beding wordt genoemd, en de wederpartij aanvoert dat dit beding onrechtmatig is omdat het onnauwkeurig en/of onevenwichtig is, dan worden gekeken naar de autonome regels die voortvloeien uit artikel 25, [lid 1], van de Brussel I bis-verordening en de door die verordening nagestreefde doelstelling van voorspelbaarheid en rechtszekerheid, of moet het recht van de in het beding aangewezen lidstaat worden toegepast[?] Met andere woorden, moet er worden aangeknoopt bij het begrip ,materiële geldigheid’ van het beding in de zin van die bepaling? Of moet er daarentegen van worden uitgegaan dat de voorwaarden voor de materiële geldigheid van het beding strikt dienen te worden uitgelegd en alleen betrekking hebben op materiële nietigheidsgronden, waaronder met name fraude, dwaling, bedrog, geweld en onbekwaamheid?

  1. Indien de vraag of het beding onnauwkeurig of onevenwichtig is, moet worden beantwoord aan de hand van autonome regels, dient artikel 25, [lid 1], van de Brussel I bis-verordening dan aldus te worden uitgelegd dat een beding volgens hetwelk de ene partij zich slechts tot één gerecht kan wenden, terwijl de andere partij, naast dit gerecht, ook elk ander naar gemeen recht bevoegd gerecht kan aanzoeken, wel of juist niet moet worden toegepast?

  2. Indien de asymmetrie van een beding een materiële voorwaarde betreft, hoe moet deze bepaling dan worden uitgelegd, en in het bijzonder de verwijzing naar het recht van de staat van het aangewezen gerecht, wanneer er in het beding meerdere gerechten worden aangewezen of wanneer het beding één gerecht aanwijst, maar één van de partijen de mogelijkheid laat om een ander gerecht te kiezen en die keuze nog niet is gemaakt op de dag waarop dat gerecht wordt aangezocht:

    • is het recht van de staat van het enige uitdrukkelijk aangewezen gerecht het toepasselijke nationale recht, ongeacht of er ook andere gerechten kunnen worden aangezocht;

    • kan, indien er meerdere gerechten zijn aangewezen, worden verwezen naar het recht van de staat van het daadwerkelijk aangezochte gerecht;

    • moet, tot slot, de verwijzing naar het recht van de aangewezen lidstaat in het licht van overweging [20] van de Brussel I bis-verordening worden begrepen als een verwijzing naar de materiële rechtsregels of naar het conflictenrecht van die lidstaat?”

Beantwoording van de prejudiciële vragen

Eerste vraag

28 Met zijn eerste vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 25, lid 1, van de Brussel I bis-verordening aldus moet worden uitgelegd dat, in het kader van de beoordeling van de geldigheid van een forumkeuzebeding, de grieven waarmee wordt aangevoerd dat het beding onnauwkeurig of onevenwichtig is, moeten worden onderzocht in het licht van de criteria betreffende de „materiële nietigheidsgronden” van dat beding, die overeenkomstig deze bepaling in het recht van de lidstaten zijn vastgesteld, dan wel dat die grieven moeten worden onderzocht aan de hand van autonome criteria die uit dat artikel voortvloeien.

29 Artikel 25, lid 1, eerste volzin, van de Brussel I bis-verordening luidt als volgt: „Indien de partijen […] een gerecht of de gerechten van een lidstaat hebben aangewezen voor de kennisneming van geschillen die naar aanleiding van een bepaalde rechtsbetrekking zijn ontstaan of zullen ontstaan, is dit gerecht of zijn de gerechten van die lidstaat bevoegd, tenzij de overeenkomst krachtens het recht van die lidstaat nietig is wat haar materiële geldigheid betreft.”

30 In de Brussel I bis-verordening wordt geen definitie gegeven van het begrip „materiële nietigheid”, noch wordt in die verordening verwezen naar het recht van de lidstaten voor een definitie van dat begrip. Het is vaste rechtspraak van het Hof dat zowel de eenvormige toepassing van het Unierecht als het gelijkheidsbeginsel vereist dat aan de bewoordingen van een Unierechtelijke bepaling die voor de vaststelling van haar betekenis en draagwijdte niet uitdrukkelijk refereert aan het recht van de lidstaten, in de regel in de gehele Unie een autonome en uniforme uitlegging wordt gegeven in overeenstemming met de gebruikelijke betekenis van de betreffende bewoordingen in het gewone spraakgebruik, waarbij rekening moet worden gehouden met de context waarin die bewoordingen worden gebruikt en met de doelstellingen van de regeling waarvan zij deel uitmaken [zie in die zin arresten van 10 juni 2021, Commissioners for Her Majesty’s Revenue and Customs (Onschuldige actor), C‑279/19, EU:C:2021:473, punt 23 , en  4 oktober 2024, AFAÏA, C‑228/23, EU:C:2024:829, punt 39 en aldaar aangehaalde rechtspraak].

31 In de eerste plaats wordt met de uitdrukking „materieel” in de gebruikelijke betekenis in het gewone spraakgebruik in rechterlijke uitspraken en processtukken aangegeven dat de rechter na de bevoegdheids-, vorm- en ontvankelijkheidsvragen te hebben onderzocht, ingaat op de vragen over het voorwerp zelf van het geding, te weten feitelijke of rechtsvragen waarover de rechter op vraag van de partijen moet beslissen.

32 Dit gezegd zijnde, moet er worden opgemerkt dat artikel 25, lid 1, eerste volzin, van de Brussel I bis-verordening enkel voorziet in een collisieregel, aangezien de gerechten die de partijen hebben aangewezen voor de kennisneming van geschillen die naar aanleiding van een bepaalde rechtsbetrekking zijn ontstaan of zullen ontstaan, volgens deze bepaling bevoegd zijn „tenzij” de overeenkomst krachtens het recht van de lidstaat waarvan de gerechten zijn aangewezen „nietig is wat haar materiële geldigheid betreft”. Deze bepaling verduidelijkt aldus welk nationaal recht van toepassing is op de vraag of een dergelijk beding, ondanks het feit dat alle geldigheidsvoorwaarden van dit artikel vervuld zijn, nietig is op andere onder dat nationaal recht vallende gronden.

33 Wat in de tweede plaats de context van artikel 25, lid 1, eerste volzin, van de Brussel I bis-verordening betreft, moet worden opgemerkt dat de bewoordingen van overweging 20 van die verordening overeenkomen met die van dat artikel, aangezien in die overweging wordt gesteld dat „[o]f een forumkeuzebeding ten gunste van het gerecht of de gerechten van een bepaalde lidstaat nietig is wat haar materiële geldigheid betreft, dient te worden bepaald door het recht van die lidstaat”.

34 Verder dient eraan te worden herinnerd dat de voorwaarden van artikel 25 van de Brussel I bis-verordening volgens vaste rechtspraak strikt moeten worden uitgelegd, daar dat artikel afwijkt van zowel de in artikel 4 van die verordening vastgelegde regel dat de gerechten van de woonplaats van de verweerder bevoegd zijn als de regel dat de bijzondere bevoegdheden worden bepaald in de artikelen 7 tot en met 9 van die verordening (zie in die zin arrest van 8 maart 2018, Saey Home & Garden, C‑64/17, EU:C:2018:173, punt 24 ).

35 Er moet echter worden opgemerkt dat artikel 25, lid 1, van de Brussel I bis-verordening naast de verwijzing naar het begrip „materiële nietigheid”, voorziet in specifieke geldigheidsvoorwaarden voor forumkeuzebedingen, zowel op materieel vlak, te weten dat „de partijen […] een gerecht of de gerechten van een lidstaat hebben aangewezen voor de kennisneming van geschillen die naar aanleiding van een bepaalde rechtsbetrekking zijn ontstaan of zullen ontstaan”, als op formeel vlak.

36 Bijgevolg moet worden vastgesteld dat dit begrip de algemene nietigheidsgronden van een overeenkomst omvat, met name de wilsgebreken, zoals dwaling, bedrog, geweld of handelingsonbekwaamheid. Die gronden worden, in tegenstelling tot de specifieke geldigheidsvoorwaarden voor forumkeuzebedingen, niet geregeld door de Brussel I bis-verordening, maar door het recht van de lidstaat waarvan de gerechten zijn aangewezen.

37 In de derde plaats is het in overeenstemming met de door de Brussel I bis-verordening nagestreefde doelstellingen om het begrip „materiële nietigheid” van een forumkeuzebeding uit te leggen in die zin dat die nietigheid enkel ziet op de nietigheid van dat beding in het licht van de algemene nietigheidsgronden van een overeenkomst die worden bepaald door het nationale recht van het door dat beding aangewezen gerecht.

38 Zoals met name blijkt uit de overwegingen 4, 6, 15 en 16 van de Brussel I bis-verordening, is die verordening gericht op het creëren van eenvormigheid van de regels inzake jurisdictiegeschillen in burgerlijke en handelszaken in een bindend en rechtstreeks toepasselijk rechtsinstrument van de Unie. Uit die overwegingen blijkt tevens dat de Uniewetgever bevoegdheidsregels heeft willen aannemen die in hoge mate voorspelbaar en transparant zijn, met het oog op het versterken van de rechtszekerheid en het vergemakkelijken van de goede rechtsbedeling.

39 Het Hof heeft herhaaldelijk geoordeeld dat ter bevordering van die doelstellingen, en in het bijzonder die van de rechtszekerheid, de rechtsbescherming van de in de Unie gevestigde personen moet worden vergroot door te verzekeren dat de eiser gemakkelijk kan bepalen welk gerecht hij kan aanzoeken en de verweerder redelijkerwijs kan voorzien voor welk gerecht hij kan worden opgeroepen. In die context verlangt het doel van rechtszekerheid dat de aangezochte nationale rechter zich gemakkelijk over zijn eigen bevoegdheid kan uitspreken, zonder dat hij de zaak ten gronde hoeft te onderzoeken [arrest van 29 juli 2024, FTI Touristik (Grensoverschrijdend element), C‑774/22, EU:C:2024:646, punt 33 en aldaar aangehaalde rechtspraak].

40 In de vierde plaats is de in de punten 32 en 36 van dit arrest gegeven uitlegging in overeenstemming met de ontstaansgeschiedenis van artikel 25, lid 1, van de Brussel I bis-verordening. Op bladzijde 10 van de toelichting bij het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken [COM(2010) 748 definitief], dat aan de oorsprong ligt van de Brussel I bis-verordening, heeft de Europese Commissie namelijk beklemtoond dat de wijziging van dat artikel 23 van de Brussel I-verordening, thans artikel 25 van de Brussel I bis-verordening, was bedoeld om „een geharmoniseerde collisieregel betreffende de materiële geldigheid van forumkeuzeovereenkomsten [in te voeren], zodat op dat gebied een vergelijkbaar resultaat [zou] worden bereikt ongeacht het aangezochte gerecht […] en geïnspireerd [was] op de oplossingen die zijn vastgesteld in het Haags Verdrag [van 30 juni 2005] inzake bedingen van forumkeuze”.

41 In casu vraagt de verwijzende rechter zich af of de vermeende onnauwkeurigheid of onevenwichtigheid van het betrokken forumkeuzebeding een grond voor de „materiële nietigheid” in de zin van artikel 25, lid 1, eerste volzin, van de Brussel I bis-verordening kan vormen, waarvan het bestaan moet worden beoordeeld in het licht van het nationale recht van de door dat beding aangewezen rechter, dan wel in het licht van autonome criteria die uit dat artikel voortvloeien.

42 Wat in de eerste plaats de beoordeling betreft of een forumkeuzebeding voldoende nauwkeurig is om te bepalen of een gerecht of de gerechten van een lidstaat bevoegd zijn om kennis te nemen van geschillen die tussen partijen zijn ontstaan of zullen ontstaan, moet eraan worden herinnerd dat de bewoordingen „hebben aangewezen”, in die bepalingen volgens vaste rechtspraak van het Hof inzake artikel 17, eerste alinea, eerste volzin, van het Executieverdrag en van artikel 23, lid 1, eerste volzin, van de Brussel I-verordening niet aldus kunnen worden uitgelegd dat zij vereisen dat een dergelijk beding zodanig is geformuleerd dat louter op grond van de bewoordingen ervan kan worden bepaald welk gerecht bevoegd is. Het is namelijk voldoende dat het beding de objectieve elementen bevat waarover partijen overeenstemming hebben bereikt voor de keuze van het gerecht of de gerechten waaraan zij hun ontstane of toekomstige geschillen willen voorleggen. Die elementen, die voldoende nauwkeurig moeten zijn om de aangezochte rechter in staat te stellen te bepalen of hij bevoegd is, kunnen eventueel worden geconcretiseerd door de omstandigheden van het geval (arresten van 9 november 2000, Coreck, C‑387/98, EU:C:2000:606, punt 15 , en  7 juli 2016, Hőszig, C‑222/15, EU:C:2016:525, punt 43 ).

43 Bovendien heeft het Hof in wezen geoordeeld dat artikel 17, eerste alinea, eerste volzin, van het Executieverdrag nauwkeurigheidseisen aan het forumkeuzebeding stelt om de wederzijdse erkenning en tenuitvoerlegging van rechterlijke beslissingen te vergemakkelijken (zie in die zin arrest van 9 november 2000, Coreck, C‑387/98, EU:C:2000:606, punt 17 ).

44 Hieruit volgt dat de voorwaarde dat de partijen een gerecht of de gerechten van een verdragsluitende staat of van een lidstaat „hebben aangewezen”, krachtens artikel 17, eerste alinea, eerste volzin, van het Executieverdrag en artikel 23, lid 1, eerste volzin, van de Brussel I-verordening inhoudt dat het forumkeuzebeding moet voldoen aan nauwkeurigheidseisen om geldig te zijn.

45 Aangezien artikel 25 van de Brussel I bis-verordening, dat volgens de tabel in bijlage III bij deze verordening overeenkomt met artikel 23 van de Brussel I-verordening, ook de woorden „hebben aangewezen” bevat, kan deze rechtspraak worden toegepast op artikel 25, lid 1, van de Brussel I bis-verordening (zie in die zin arrest van 25 april 2024, Maersk en Mapfre España, C‑345/22–C‑347/22, EU:C:2024:349, punt 52 en aldaar aangehaalde rechtspraak), zodat een forumkeuzebeding overeenkomstig laatstgenoemde bepaling met name voldoende nauwkeurig de objectieve elementen moet bevatten op basis waarvan partijen overeenstemming hebben bereikt over de aanwijzing van het gerecht of de gerechten waaraan zij de ontstane of de toekomstige geschillen willen voorleggen, om geldig te zijn.

46 Bovendien draagt een nauwkeurigheidsvereiste noodzakelijkerwijs bij tot de verwezenlijking van de in de overwegingen 15 en 16 van de Brussel I bis-verordening gestelde doelstellingen van voorspelbaarheid, transparantie en rechtszekerheid.

47 Het nauwkeurigheidsvereiste dat bepalend is voor de geldigheid van een forumkeuzebeding moet derhalve niet in het licht van de criteria betreffende de „materiële nietigheidsgronden” in de zin van artikel 25, lid 1, eerste volzin, van de Brussel I bis-verordening worden beoordeeld, maar aan de hand van autonome criteria die voortvloeien uit dat artikel 25, zoals uitgelegd door het Hof.

48 Wat in de tweede plaats de beoordeling van het vermeende onevenwichtige karakter van een forumkeuzebeding betreft, moet worden opgemerkt dat forumkeuzebedingen overeenkomstig artikel 25, lid 4, van de Brussel I bis-verordening geen uitwerking krijgen met name wanneer zij niet aan de geldigheidsvoorwaarden van artikel 15, 19 of 23 van die verordening voldoen. Uit laatstgenoemde artikelen blijkt dat een forumkeuzebeding dat aan de zwakke partij van een verzekerings-, een consumenten- of een arbeidsovereenkomst de mogelijkheid biedt om andere gerechten aan te zoeken dan die welke in beginsel bevoegd zijn op grond van de bepalingen van de afdelingen 3 tot en met 5 van hoofdstuk II van die verordening en waaronder die artikelen respectievelijk vallen, geldig blijft. Een dergelijk beding dat voorziet in een afwijking ten voordele van de verzekeraar, medecontractant van de consument of werkgever, is daarentegen krachtens dat artikel 25, lid 4, nietig.

49 Zoals in wezen blijkt uit overweging 18 van de Brussel I bis-verordening worden verzekerings-, consumenten- of arbeidsovereenkomsten gekenmerkt door een zeker gebrek aan evenwicht tussen de partijen dat de bepalingen van de artikelen 15, 19 en 23 van die verordening beogen te corrigeren door de zwakke partij in aanmerking te laten komen voor bevoegdheidsregels die gunstiger zijn voor haar belangen dan de algemene regels [zie in die zin arrest van 29 juli 2024, FTI Touristik (Grensoverschrijdend element), C‑774/22, EU:C:2024:646, punt 44 ].

50 Wat deze overeenkomsten betreft, regelt artikel 25, lid 4, van de Brussel I bis-verordening, gelezen in samenhang met de artikelen 15, 19 en 23 ervan, aldus uitdrukkelijk in welke gevallen een onevenwichtig forumkeuzebeding geldig is en in welke niet.

51 Bijgevolg moet worden geoordeeld dat de geldigheid van een forumkeuzebeding waarvan wordt gesteld dat het onevenwichtig is, niet moet worden beoordeeld aan de hand van de criteria betreffende de „materiële nietigheidsgronden” in de zin van artikel 25, lid 1, eerste volzin, van de Brussel I bis-verordening, maar aan de hand van autonome criteria die voortvloeien uit dat artikel 25, zoals uitgelegd door het Hof.

52 Aan die uitlegging wordt niet afgedaan door het feit dat artikel 17 van het Executieverdrag bepaalde dat „indien een overeenkomst tot aanwijzing van een bevoegde rechter slechts is gemaakt ten behoeve van een der partijen, deze het recht [behoudt] [zich] te wenden tot elk ander gerecht dat op grond van dit Verdrag bevoegd is”, en dus impliciet de geldigheid van een forumkeuzebeding aanvaardde ondanks het onevenwichtige karakter ervan. Het is juist dat noch artikel 23 van de Brussel I-verordening, noch artikel 25 van de Brussel I bis-verordening een vergelijkbare regel bevat over de geldigheid van een dergelijk onevenwichtig beding. Dat gezegd zijnde volstaat het om op te merken, net zoals de Commissie in haar schriftelijke opmerkingen heeft gedaan, dat uit de toelichting bij het voorstel van de Commissie voor een verordening (EG) van de Raad betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken [COM(1999) 348 def., blz. 19], dat aan de grondslag ligt van de Brussel I-verordening, blijkt dat de Uniewetgever met de weglating van deze regel alleen maar wou bevestigen „dat de bevoegdheid die krachtens een clausule tot aanwijzing van een bevoegde rechter wordt toegekend, een exclusieve bevoegdheid is […], tenzij partijen overeenkomen dat het niet om een exclusieve bevoegdheid gaat” en dat „met deze versoepeling […] de vrije wilsbeschikking van partijen gerespecteerd [wordt]”.

53 Gelet op een en ander moet op de eerste vraag worden geantwoord dat artikel 25, lid 1, van de Brussel I bis-verordening aldus moet worden uitgelegd dat in het kader van de beoordeling van de geldigheid van een forumkeuzebeding, de grieven waarmee wordt aangevoerd dat het beding onnauwkeurig of onevenwichtig is, niet moeten worden beoordeeld aan de hand van criteria betreffende de „materiële nietigheidsgronden” van dat beding, die overeenkomstig deze bepaling in het recht van de lidstaten zijn vastgesteld, maar aan de hand van autonome criteria die uit dat artikel voortvloeien.

Tweede vraag

54 Met zijn tweede vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 25, lid 1, van de Brussel I bis-verordening aldus moet worden uitgelegd dat een forumkeuzebeding volgens hetwelk de ene partij zich slechts tot het door dat beding aangewezen gerecht kan wenden, terwijl de andere partij naast dit gerecht ook elk ander bevoegd gerecht kan aanzoeken, geldig is.

55 In de eerste plaats moet worden opgemerkt dat, voor zover in casu het betrokken forumkeuzebeding SIL lijkt toe te staan gerechten van verschillende staten aan te zoeken door te bepalen dat deze vennootschap zich het recht voorbehoudt om te procederen „voor een ander bevoegd gerecht in Italië of in het buitenland”, de bewoordingen van artikel 25, lid 1, eerste volzin, van de Brussel I bis-verordening weliswaar verwijzen naar de gerechten van „een lidstaat”, maar dat deze bepaling niet aldus kan worden uitgelegd dat de partijen noodzakelijkerwijs gerechten van één enkele lidstaat moeten aanwijzen.

56 Het opleggen van een dergelijke beperking is namelijk in strijd met de wilsautonomie van partijen die, zoals uit overweging 19 van de Brussel I bis-verordening blijkt, moet worden nageleefd, behoudens ten eerste de in artikel 25, lid 4, van die verordening neergelegde uitzonderingen, gelezen in samenhang met de artikelen 15, 19 en 23 ervan, inzake verzekerings-, consumenten- en arbeidsovereenkomsten, waarin forumkeuzebedingen slechts in beperkte mate mogen afwijken van de in deze verordening vastgestelde bevoegdheidsregels, en ten tweede de exclusieve bevoegdheid van de gerechten op grond van dat artikel 25, lid 4, gelezen in samenhang met artikel 24 van die verordening.

57 Bovendien bevestigen de op grond van de bepalingen van hoofdstuk II van de Brussel I bis-verordening bevoegde gerechten dat partijen zich in bepaalde situaties tot gerechten van verschillende lidstaten kunnen wenden. Uit artikel 4, lid 1, en artikel 5, lid 1, van die verordening, gelezen in samenhang met de artikelen 7 en 8 ervan, blijkt namelijk dat een persoon die woonplaats heeft op het grondgebied van een lidstaat niet enkel voor de gerechten van die lidstaat kan worden opgeroepen, maar tevens voor die van een andere lidstaat, met name indien de plaats van uitvoering van de betrokken verbintenis, de plaats waar het schadebrengende feit zich heeft voorgedaan of de woonplaats van de verweerder zich in een andere lidstaat bevindt.

58 In casu wordt aan de geldigheid van het betrokken forumkeuzebeding in het licht van artikel 25, lid 1, van de Brussel I bis-verordening niet afgedaan door het feit dat dit beding één partij in staat stelt om gerechten van verschillende lidstaten of staten die partij zijn bij het Lugano II-Verdrag aan te zoeken in de zin van artikel 23, lid 1, laatste volzin, van dat verdrag, gelezen in samenhang met artikel 1, lid 3, ervan.

59 In de tweede plaats moet worden opgemerkt dat een forumkeuzebeding dat voldoende precies de gerechten aanwijst van lidstaten of staten die partij zijn bij het Lugano II-Verdrag die kunnen worden aangezocht, te weten, een gerecht in het bijzonder, en voorts andere gerechten die bevoegd zijn krachtens de bepalingen van hoofdstuk II, afdelingen 1 en 2, van de Brussel I bis-verordening, alsook titel II, afdelingen 1 en 2, van dat verdrag, aan het nauwkeurigheidsvereiste voldoet dat voortvloeit uit artikel 25, lid 1, van die verordening en uit de in de overwegingen 15 en 16 van die verordening gestelde doelstellingen van voorspelbaarheid, transparantie en rechtszekerheid. Het betreft in feite een verwijzing naar de algemene bevoegdheidsregels die in die verordening en dat verdrag zijn opgenomen.

60 Indien het betrokken forumkeuzebeding, voor zover daarin wordt verwezen naar een „ander bevoegd gerecht in het buitenland”, aldus moet worden uitgelegd dat het tevens één of meerdere gerechten aanwijst van één of meer staten die geen lidstaat van de Unie zijn, noch partij zijn bij het Lugano II-Verdrag, is dat beding in dat geval echter in strijd met de Brussel I bis-verordening. Dit forumkeuzebeding schendt dus de doelstellingen van de in de overwegingen 15 en 16 van die verordening gestelde doelstellingen van voorspelbaarheid, transparantie en rechtszekerheid, aangezien het Unierecht op zich niet toestaat om de bevoegde gerechten aan te wijzen wanneer deze aanwijzing eventueel afhankelijk is van de toepassing van regels van internationaal privaatrecht van derde landen.

61 In een dergelijk geval zou er immers een groter gevaar zijn voor bevoegdheidsconflicten die nadelig zouden zijn voor de rechtszekerheid, aangezien de toepassing van die nationale regels tot uiteenlopende oplossingen kan leiden (zie in die zin arrest van 8 februari 2024, Inkreal, C‑566/22, EU:C:2024:123, punt 31 ).

62 Het betrokken forumkeuzebeding kan derhalve, gelet op de in punt 42 van dit arrest aangehaalde rechtspraak, slechts voldoen aan het nauwkeurigheidsvereiste voor zover het aldus kan worden uitgelegd dat hierin het gerecht van Brescia en de bevoegde gerechten van de lidstaten of van de staten die partij zijn bij het Lugano II-Verdrag worden aangewezen om kennis te nemen van geschillen tussen de partijen.

63 Wat in de derde plaats de geldigheid betreft van een forumkeuzebeding dat meer rechten aan de ene dan aan de andere partij toekent, moet worden geoordeeld dat, behalve in de door de Brussel I bis-verordening uitdrukkelijk verboden gevallen, het onevenwichtige karakter van een dergelijk beding de geldigheid ervan niet kan aantasten op grond van de vereisten die uit artikel 25 van die verordening voortvloeien.

64 Artikel 25 van de Brussel I bis-verordening is immers, net als het Executieverdrag en de Brussel I-verordening, gebaseerd op het beginsel van de wilsautonomie van partijen (zie in die zin arresten van 9 november 2000, Coreck, C‑387/98, EU:C:2000:606, punt 14 ; 7 februari 2013, Refcomp, C‑543/10, EU:C:2013:62, punt 26 , en  18 november 2020, DelayFix, C‑519/19, EU:C:2020:933, punt 38 ). Zoals blijkt uit punt 56 van dit arrest, moet uit overweging 19 van de Brussel I bis-verordening worden afgeleid dat de Uniewetgever voorrang heeft willen geven aan de eerbiediging van dit beginsel, zodat de keuze van de partijen moet worden gevolgd, behoudens de uitzonderingen die zijn vastgesteld in artikel 25, lid 4, van deze verordening, gelezen in samenhang met de artikelen 15, 19, 23 en 24 ervan. Voorts, zoals blijkt uit de punten 48 tot en met 50 van dit arrest, laten de artikelen 15, 19 en 23, waarnaar artikel 25, lid 4, verwijst, uitdrukkelijk toe dat er een onevenwichtig forumkeuzebeding wordt gesloten in het voordeel van de zwakke partij bij een verzekerings-, consumenten- of arbeidsovereenkomst. Een dergelijk onevenwichtig beding is aldus niet oneerlijk indien de partijen er vrijelijk mee hebben ingestemd.

65 In casu lijkt, onder voorbehoud van verificatie door de nationale rechter, het betrokken forumkeuzebeding niet in strijd te zijn met de bepalingen van de artikelen 15, 19 en 23 van de Brussel I bis-verordening en evenmin af te wijken van de exclusieve bevoegdheid krachtens artikel 24 van die verordening, zodat het niet in strijd is met artikel 25 van die verordening, niettegenstaande het onevenwichtige karakter ervan.

66 In ieder geval blijkt uit artikel 25, lid 1, tweede volzin, van de Brussel I bis-verordening dat de bevoegdheid van het door het forumkeuzebeding aangewezen gerecht niet exclusief is, tenzij partijen anders overeenkomen. Bijgevolg lijkt de omstandigheid dat, overeenkomstig het betrokken forumkeuzebeding, enkel Agora deze exclusieve bevoegdheid van het gerecht van Brescia diende na te leven, op zich niet in strijd met dat artikel 25.

67 Gelet op een en ander moet op de tweede vraag worden geantwoord dat artikel 25, leden 1 en 4, van de Brussel I bis-verordening aldus moet worden uitgelegd dat een forumkeuzebeding volgens hetwelk de ene partij zich slechts tot het door dat beding aangewezen gerecht kan wenden, terwijl de andere partij, naast dit gerecht, ook elk ander bevoegd gerecht kan aanzoeken, geldig is, voor zover, ten eerste, hierin de gerechten worden aangewezen van een of meer staten die lid zijn van de Unie of partij zijn bij het Lugano II-Verdrag, ten tweede, hierin de objectieve elementen worden aangegeven die voldoende nauwkeurig zijn om de aangezochte rechter in staat te stellen te bepalen of hij bevoegd is, en, ten derde, het niet in strijd is met de artikelen 15, 19 en 23 van deze verordening en niet afwijkt van een exclusieve bevoegdheid op grond van artikel 24 van die verordening.

Derde vraag

68 Gelet op het antwoord op de eerste vraag hoeft de derde vraag niet te worden beantwoord.

Kosten

69 Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.

Het Hof (Eerste kamer) verklaart voor recht:
  1. Artikel 25, lid 1, van verordening (EU) nr. 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken

    moet aldus worden uitgelegd dat

    in het kader van de beoordeling van de geldigheid van een forumkeuzebeding, de grieven waarmee wordt aangevoerd dat het beding onnauwkeurig of onevenwichtig is, niet moeten worden beoordeeld aan de hand van criteria betreffende de „materiële nietigheidsgronden” van dat beding, die overeenkomstig deze bepaling in het recht van de lidstaten zijn vastgesteld, maar aan de hand van autonome criteria die uit dat artikel voortvloeien.

  2. Artikel 25, leden 1 en 4, van verordening nr. 1215/2012

    moet aldus worden uitgelegd dat

    een forumkeuzebeding volgens hetwelk de ene partij zich slechts tot het door dat beding aangewezen gerecht kan wenden, terwijl de andere partij, naast dit gerecht, ook elk ander bevoegd gerecht kan aanzoeken, geldig is, voor zover, ten eerste, hierin de gerechten worden aangewezen van een of meer staten die lid zijn van de Europese Unie of partij zijn bij het Verdrag betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken, ondertekend op 30 oktober 2007, waarvan de sluiting namens de Europese Gemeenschap is goedgekeurd bij besluit 2009/430/EG van de Raad van 27 november 2008, ten tweede, hierin de objectieve elementen worden aangegeven die voldoende nauwkeurig zijn om de aangezochte rechter in staat te stellen te bepalen of hij bevoegd is, en, ten derde, het niet in strijd is met de artikelen 15, 19 en 23 van deze verordening en niet afwijkt van een exclusieve bevoegdheid op grond van artikel 24 van die verordening.

ondertekeningen