Home

Arrest van het Hof (Eerste kamer) van 13 november 2025

Arrest van het Hof (Eerste kamer) van 13 november 2025

Gegevens

Instantie
Hof van Justitie EU
Datum uitspraak
13 november 2025

Uitspraak

Voorlopige editie

ARREST VAN HET HOF (Eerste kamer)

13 november 2025 (*)

„ Prejudiciële verwijzing – Verwerking van persoonsgegevens en bescherming van de persoonlijke levenssfeer in de sector elektronische communicatie – Richtlijn 2002/58/EG – Artikel 13, leden 1 en 2 – Ongewenste communicatie – Begrip communicatie ‚met het oog op direct marketing’ – Verkrijging van elektronische contactgegevens ‚in het kader van de verkoop van een product of een dienst’ – Inschrijving op een onlineplatform die toegang geeft tot aanvullende content – Verzending per e-mail van een dagelijkse nieuwsbrief – Verordening (EU) 2016/679 – Artikel 6 – Rechtmatige verwerking – Artikel 95 – Verhouding tot richtlijn 2002/58 ”

In zaak C‑654/23,

betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de Curte de Apel București (rechter in tweede aanleg Boekarest, Roemenië) bij beslissing van 20 maart 2023, ingekomen bij het Hof op 2 november 2023, in de procedure

Inteligo Media SA

tegen

Autoritatea Națională de Supraveghere a Prelucrării Datelor cu Caracter Personal (ANSPDCP),

wijst

HET HOF (Eerste kamer),

samengesteld als volgt: F. Biltgen, kamerpresident, T. von Danwitz, vicepresident van het Hof, waarnemend rechter van de Eerste kamer, I. Ziemele (rapporteur), A. Kumin en S. Gervasoni, rechters,

advocaat-generaal: M. Szpunar,

griffier: R. Șereș, administrateur,

gezien de stukken en na de terechtzitting op 27 november 2024,

gelet op de opmerkingen van:

–        Inteligo Media SA, vertegenwoordigd door S. A. Opriș en A.‑M. Radu, avocates,

–        de Autoritate Națională de Supraveghere a Prelucrării Datelor cu Caracter Personal (ANSPDCP), vertegenwoordigd door A. G. Opre als gemachtigde,

–        de Roemeense regering, vertegenwoordigd door R. Antonie, E. Gane en L. Ghiță als gemachtigden,

–        de Europese Commissie, vertegenwoordigd door A. Bouchagiar, P.‑J. Loewenthal en L. Nicolae als gemachtigden,

gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 27 maart 2025,

het navolgende

Arrest

1        Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 13, leden 1 en 2, van richtlijn 2002/58/EG van het Europees Parlement en de Raad van 12 juli 2002 betreffende de verwerking van persoonsgegevens en de bescherming van de persoonlijke levenssfeer in de sector elektronische communicatie (richtlijn betreffende privacy en elektronische communicatie) (PB 2002, L 201, blz. 37), zoals gewijzigd bij richtlijn 2009/136/EG van het Europees Parlement en de Raad van 25 november 2009 (PB 2009, L 337, blz. 11) (hierna: „richtlijn 2002/58”), en van artikel 6, lid 1, artikel 83, lid 2, en artikel 95 van verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming) (PB 2016, L 119, blz. 1; hierna: „AVG”), gelezen in samenhang met artikel 15, lid 2, van richtlijn 2002/58.

2        Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen Inteligo Media SA en de Autoritate Națională de Supraveghere a Prelucrării Datelor cu Caracter Personal (ANSPDCP) [nationale toezichthoudende autoriteit voor de verwerking van persoonsgegevens (ANSPDCP), Roemenië] over de bestuurlijke sanctie die aan deze vennootschap is opgelegd omdat zij persoonsgegevens van haar klanten heeft verwerkt zonder hun toestemming.

 Toepasselijke bepalingen

 Unierecht

 Richtlijn 2002/58

3        De overwegingen 2, 10, 40 en 41 van richtlijn 2002/58 luiden als volgt:

„(2)      Deze richtlijn strekt tot eerbiediging van de grondrechten en beginselen die tot uitdrukking zijn gebracht in met name het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie. In het bijzonder strekt deze richtlijn tot volledige eerbiediging van de in de artikelen 7 en 8 bedoelde rechten van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.

[...]

(10)      In de sector elektronische communicatie is richtlijn 95/46/EG [van het Europees Parlement en de Raad van 24 oktober 1995 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens (PB 1995, L 281, blz. 31)] van toepassing, met name op alle aangelegenheden met betrekking tot de bescherming van fundamentele rechten en vrijheden die niet specifiek onder het bepaalde in deze richtlijn vallen, met inbegrip van de plichten van de verantwoordelijke en de rechten van personen. [...]

[...]

(40)      Aan abonnees dienen waarborgen te worden geboden tegen inbreuken op hun persoonlijke levenssfeer door ongewenste communicatie voor de doeleinden van direct marketing, met name door middel van automatische oproepapparaten, faxen en e-mails, waaronder sms-berichten. De verzending van dergelijke ongewenste commerciële mededelingen kan betrekkelijk gemakkelijk en goedkoop geschieden en anderzijds een belasting en/of kosten voor de ontvanger met zich meebrengen. Soms kan het volume van die mededelingen tevens moeilijkheden voor de elektronische-communicatienetwerken en de eindapparatuur opleveren. Wat dergelijke ongewenste communicatie voor direct marketing betreft is het gerechtvaardigd dat de ontvangers eerst uitdrukkelijk toestemming moeten geven voordat dergelijke communicatie tot hen wordt gericht. De interne markt vergt een geharmoniseerde aanpak om te voorzien in eenvoudige, in de gehele Gemeenschap geldige regels voor bedrijven en gebruikers.

(41)      Binnen de context van een bestaande klantrelatie is het redelijk toe te staan dat elektronische gegevens worden gebruikt voor het aanbieden van soortgelijke producten of diensten, maar alleen door de onderneming die bedoelde gegevens heeft verkregen, overeenkomstig richtlijn 95/46/EG. Wanneer elektronische gegevens worden verkregen, dient de klant duidelijk en separaat te worden geïnformeerd over het gebruik daarvan voor direct marketing en de gelegenheid te krijgen dat gebruik te verbieden. Die gelegenheid moet de klant kosteloos, uitgezonderd de eventuele kosten om zijn verbod mee te delen, bij elk volgend direct marketing bericht worden blijven geboden.”

4        Artikel 1 („Werkingssfeer en doelstelling”) van richtlijn 2002/58 bepaalt in de leden 1 en 2:

„1.      Deze richtlijn voorziet in de harmonisering van de regelgeving van de lidstaten die nodig is om een gelijk niveau van bescherming van fundamentele rechten en vrijheden – met name het recht op een persoonlijke levenssfeer en vertrouwelijkheid – bij de verwerking van persoonsgegevens in de sector elektronische communicatie te waarborgen en om te zorgen voor het vrij verkeer van dergelijke gegevens en van elektronischecommunicatieapparatuur en ‑diensten in de Gemeenschap.

2.      Voor [...] de doelstellingen van lid 1 vormen de bepalingen van deze richtlijn een specificatie van en een aanvulling op richtlijn 95/46/EG. Bovendien voorzien zij in bescherming van de rechtmatige belangen van abonnees die rechtspersonen zijn.

5        Artikel 2 („Definities”) van richtlijn 2002/58 bepaalt in de tweede alinea het volgende:

„Daarnaast wordt in deze richtlijn verstaan onder:

[...]

d)      ‚communicatie’: informatie die wordt uitgewisseld of overgebracht tussen een eindig aantal partijen door middel van een openbare elektronische‑communicatiedienst. Dit omvat niet de informatie die via een omroepdienst over een elektronische-communicatienetwerk wordt overgebracht, behalve wanneer de informatie kan worden gerelateerd aan de identificeerbare abonnee of gebruiker die de informatie ontvangt;

[...]

h)      ‚e‑mail’: tekst-, spraak-, geluids- of beeldbericht dat over een openbaar communicatienetwerk wordt verzonden en in het netwerk of in de eindapparatuur van de ontvanger kan worden opgeslagen tot het door de ontvanger wordt opgehaald;

[...]”

6        Artikel 13 („Ongewenste communicatie”) van deze richtlijn luidt als volgt:

„1.      Het gebruik van automatische oproep- en communicatiesystemen zonder menselijke tussenkomst (automatische oproepapparaten), fax of e-mail met het oog op direct marketing kan alleen worden toegestaan met betrekking tot abonnees of gebruikers die daarin vooraf hebben toegestemd.

2.      Onverminderd lid 1 kan een natuurlijke of rechtspersoon die van zijn klanten elektronische contactgegevens voor e-mail verkrijgt in het kader van de verkoop van een product of een dienst, overeenkomstig richtlijn 95/46/EG, die elektronische contactgegevens gebruiken voor direct marketing van eigen gelijkaardige producten of diensten mits de klanten duidelijk en expliciet de gelegenheid wordt geboden kosteloos en op gemakkelijke wijze bezwaar te maken tegen het gebruik van die elektronische contactgegevens op het ogenblik dat zij worden verzameld en, ingeval de klant zich in eerste instantie niet tegen dat gebruik heeft verzet, bij elke boodschap.

[...]

4.      Het is in ieder geval verboden e-mail te verzenden met het oog op direct marketing waarbij de identiteit van de afzender namens wie de communicatie plaatsvindt, wordt gemaskeerd of verborgen[] [...] in strijd [...] met artikel 6 van richtlijn 2000/31/EG [van het Europees Parlement en de Raad van 8 juni 2000 betreffende bepaalde juridische aspecten van de diensten van de informatiemaatschappij, met name de elektronische handel, in de interne markt (‚richtlijn inzake elektronische handel’) (PB 2000, L 178, blz. 1)], en zonder dat een geldig adres wordt vermeld waaraan de ontvanger een verzoek tot beëindiging van dergelijke communicatie kan richten, of e-mail die ontvangers aanmoedigt websites te bezoeken die in strijd zijn met dat artikel.

[...]”

 AVG

7        In overweging 173 AVG staat te lezen:

„Deze verordening dient van toepassing te zijn op alle aangelegenheden die betrekking hebben op de bescherming van grondrechten en fundamentele vrijheden in het kader van de verwerking van persoonsgegevens waarvoor de in richtlijn [2002/58] opgenomen specifieke verplichtingen met dezelfde doelstelling niet gelden, met inbegrip van de verplichtingen van de verwerkingsverantwoordelijke en de rechten van natuurlijke personen. Om de verhouding tussen deze verordening en richtlijn [2002/58] te verduidelijken, dient die richtlijn dienovereenkomstig te worden gewijzigd. Zodra deze verordening is vastgesteld, dient richtlijn [2002/58] te worden geëvalueerd, met name om te zorgen voor samenhang met deze verordening”.

8        Artikel 5 („Beginselen inzake verwerking van persoonsgegevens”) van deze verordening bepaalt in lid 1:

„Persoonsgegevens moeten:

a)      worden verwerkt op een wijze die ten aanzien van de betrokkene rechtmatig, behoorlijk en transparant is (‚rechtmatigheid, behoorlijkheid en transparantie’);

b)      voor welbepaalde, uitdrukkelijk omschreven en gerechtvaardigde doeleinden worden verzameld en mogen vervolgens niet verder op een met die doeleinden onverenigbare wijze worden verwerkt; de verdere verwerking met het oog op archivering in het algemeen belang, wetenschappelijk of historisch onderzoek of statistische doeleinden wordt overeenkomstig artikel 89, lid 1, niet als onverenigbaar met de oorspronkelijke doeleinden beschouwd (‚doelbinding’);

[...]”

9        Artikel 6 („Rechtmatigheid van de verwerking”) van die verordening bepaalt in lid 1, eerste alinea, het volgende:

„De verwerking is alleen rechtmatig indien en voor zover aan ten minste een van de onderstaande voorwaarden is voldaan:

a)      de betrokkene heeft toestemming gegeven voor de verwerking van zijn persoonsgegevens voor een of meer specifieke doeleinden;

b)      de verwerking is noodzakelijk voor de uitvoering van een overeenkomst waarbij de betrokkene partij is, of om op verzoek van de betrokkene vóór de sluiting van een overeenkomst maatregelen te nemen;

[...]

f)      de verwerking is noodzakelijk voor de behartiging van de gerechtvaardigde belangen van de verwerkingsverantwoordelijke of van een derde, behalve wanneer de belangen of de grondrechten en de fundamentele vrijheden van de betrokkene die tot bescherming van persoonsgegevens nopen, zwaarder wegen dan die belangen, met name wanneer de betrokkene een kind is.”

10      Artikel 7 („Voorwaarden voor toestemming”) van die verordening bepaalt:

„1.      Wanneer de verwerking berust op toestemming, moet de verwerkingsverantwoordelijke kunnen aantonen dat de betrokkene toestemming heeft gegeven voor de verwerking van zijn persoonsgegevens.

2.      Indien de betrokkene toestemming geeft in het kader van een schriftelijke verklaring die ook op andere aangelegenheden betrekking heeft, wordt het verzoek om toestemming in een begrijpelijke en gemakkelijk toegankelijke vorm en in duidelijke en eenvoudige taal zodanig gepresenteerd dat een duidelijk onderscheid kan worden gemaakt met de andere aangelegenheden. Wanneer een gedeelte van een dergelijke verklaring een inbreuk vormt op deze verordening, is dit gedeelte niet bindend.

[...]

4.      Bij de beoordeling van de vraag of de toestemming vrijelijk kan worden gegeven, wordt onder meer ten sterkste rekening gehouden met de vraag of voor de uitvoering van een overeenkomst, met inbegrip van een dienstenovereenkomst, toestemming vereist is voor een verwerking van persoonsgegevens die niet noodzakelijk is voor de uitvoering van die overeenkomst.”

11      Artikel 83 AVG („Algemene voorwaarden voor het opleggen van administratieve geldboeten”) bepaalt:

„1.      Elke toezichthoudende autoriteit zorgt ervoor dat de administratieve geldboeten die uit hoofde van dit artikel worden opgelegd voor de in de leden 4, 5 en 6 vermelde inbreuken op deze verordening in elke zaak doeltreffend, evenredig en afschrikkend zijn.

2.      Administratieve geldboeten worden, naargelang de omstandigheden van het concrete geval, opgelegd naast of in plaats van de in artikel 58, lid 2, onder a) tot en met h) en onder j), bedoelde maatregelen. Bij het besluit over de vraag of een administratieve geldboete wordt opgelegd en over de hoogte daarvan wordt voor elk concreet geval naar behoren rekening gehouden met het volgende:

a)      de aard, de ernst en de duur van de inbreuk, rekening houdend met de aard, de omvang of het doel van de verwerking in kwestie alsmede het aantal getroffen betrokkenen en de omvang van de door hen geleden schade;

b)      de opzettelijke of nalatige aard van de inbreuk;

c)      de door de verwerkingsverantwoordelijke of de verwerker genomen maatregelen om de door betrokkenen geleden schade te beperken;

d)      de mate waarin de verwerkingsverantwoordelijke of de verwerker verantwoordelijk is gezien de technische en organisatorische maatregelen die hij heeft uitgevoerd overeenkomstig de artikelen 25 en 32;

e)      eerdere relevante inbreuken door de verwerkingsverantwoordelijke of de verwerker;

f)      de mate waarin er met de toezichthoudende autoriteit is samengewerkt om de inbreuk te verhelpen en de mogelijke negatieve gevolgen daarvan te beperken;

g)      de categorieën van persoonsgegevens waarop de inbreuk betrekking heeft;

h)      de wijze waarop de toezichthoudende autoriteit kennis heeft gekregen van de inbreuk, met name of, en zo ja in hoeverre, de verwerkingsverantwoordelijke of de verwerker de inbreuk heeft gemeld;

i)      de naleving van de in artikel 58, lid 2, genoemde maatregelen, voor zover die eerder ten aanzien van de verwerkingsverantwoordelijke of de verwerker in kwestie met betrekking tot dezelfde aangelegenheid zijn genomen;

j)      het aansluiten bij goedgekeurde gedragscodes overeenkomstig artikel 40 of van goedgekeurde certificeringsmechanismen overeenkomstig artikel 42; en

k)      elke andere op de omstandigheden van de zaak toepasselijke verzwarende of verzachtende factor, zoals gemaakte financiële winsten, of vermeden verliezen, die al dan niet rechtstreeks uit de inbreuk voortvloeien.

[...]

5.      Inbreuken op onderstaande bepalingen zijn overeenkomstig lid 2 onderworpen aan administratieve geldboeten tot 20 000 000 EUR of, voor een onderneming, tot 4 % van de totale wereldwijde jaaromzet in het voorgaande boekjaar, indien dit een hoger bedrag vertegenwoordigt:

a)      de basisbeginselen inzake verwerking, met inbegrip van de voorwaarden voor toestemming, overeenkomstig de artikelen 5, 6, 7 en 9;

[...]”

12      Artikel 95 („Verhouding tot richtlijn [2002/58]”) van deze verordening bepaalt:

„Deze verordening legt natuurlijke personen of rechtspersonen geen aanvullende verplichtingen op met betrekking tot verwerking in verband met het verstrekken van openbare elektronische-communicatiediensten in openbare communicatienetwerken in de [Europese] Unie, voor zover zij op grond van richtlijn [2002/58] onderworpen zijn aan specifieke verplichtingen met dezelfde doelstelling.”

 Richtlijn 2000/31

13      Artikel 2 („Definities”) van richtlijn 2000/31 bepaalt het volgende:

„Voor de doeleinden van deze richtlijn wordt verstaan onder:

[...]

f)      ‚commerciële communicatie’: elke vorm van communicatie bestemd voor het direct of indirect promoten van de goederen, diensten of het imago van een onderneming, organisatie of persoon, die een commerciële, industriële of ambachtelijke activiteit of een gereglementeerd beroep uitoefent. Het navolgende vormt op zich geen commerciële communicatie:

–        informatie die rechtstreeks toegang geeft tot de activiteit van een onderneming, organisatie of persoon, in het bijzonder een domeinnaam of een elektronischepostadres;

–        mededelingen over de goederen of diensten of het imago van een onderneming, organisatie of persoon, die onafhankelijk van deze en in het bijzonder zonder financiële tegenprestatie zijn samengesteld;

[...]”

14      Artikel 6 („Informatieplicht”) van die richtlijn bepaalt:

„In aanvulling op de overige informatievoorschriften van het gemeenschapsrecht zorgen de lidstaten ervoor dat commerciële communicaties die deel uitmaken van een dienst van de informatiemaatschappij of een dergelijke dienst vormen, ten minste aan de volgende voorwaarden voldoen:

a)      de commerciële communicatie moet duidelijk als zodanig herkenbaar zijn;

b)      de natuurlijke of rechtspersoon voor wiens rekening de commerciële communicatie geschiedt, moet duidelijk te identificeren zijn;

c)      zijn verkoopbevorderende aanbiedingen, zoals kortingen, premies en geschenken, in de lidstaat waar de dienstverlener gevestigd is, toegestaan, dan moeten deze duidelijk als zodanig herkenbaar zijn en moeten de voorwaarden om van deze aanbiedingen gebruik te kunnen maken, gemakkelijk te vervullen zijn en duidelijk en ondubbelzinnig worden aangeduid;

d)      zijn verkoopbevorderende wedstrijden en spelen in de lidstaat waar de dienstverlener gevestigd is, toegestaan, dan moeten deze duidelijk als zodanig herkenbaar zijn en moeten de deelnemingsvoorwaarden gemakkelijk te vervullen zijn en duidelijk en ondubbelzinnig worden aangeduid.”

 Roemeens recht

 Wet nr. 506/2004

15      Lege nr. 506/2004 privind prelucrarea datelor cu caracter personal și protecția vieții private în sectorul comunicațiilor electronice (wet nr. 506/2004 betreffende de verwerking van persoonsgegevens en de bescherming van de persoonlijke levenssfeer in de sector elektronische communicatie) van 17 november 2004 (Monitorul Oficial al României, deel I, nr. 1101 van 25 november 2004) bepaalt in artikel 1, leden 2 en 3:

„(2)      De bepalingen van deze wet zijn van toepassing op de verwerking van persoonsgegevens in verband met de levering van openbare elektronische-communicatiediensten over communicatienetwerken, met inbegrip van elektronische-communicatienetwerken die systemen voor gegevensverzameling en identificatie ondersteunen.

(3)      De bepalingen van deze wet worden aangevuld door de bepalingen van Lege nr. 677/2001 pentru protecția persoanelor cu privire la prelucrarea datelor cu caracter personal și libera circulație a acestor date [(wet nr. 677/2001 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens) van 21 november 2001 (Monitorul Oficial al României, deel I, nr. 790 van 12 december 2001)].”

16      Artikel 2, leden 1 en 2, van wet nr. 506/2004 luidt als volgt:

„(1)      Voor de toepassing van deze wet wordt verstaan onder:

[...]

d)      communicatie – alle informatie die wordt uitgewisseld of doorgegeven tussen een bepaald aantal deelnemers via een openbare elektronische‑communicatiedienst; dit omvat niet de informatie die via een omroepdienst over een elektronische-communicatienetwerk wordt overgebracht, wanneer de informatie niet kan worden gerelateerd aan de identificeerbare abonnee of gebruiker die de informatie ontvangt;

[...]

(2)      De definities in [...] artikel 1, punten 1 en 8, van Lege nr. 365/2002 privind comerțul electronic [(wet nr. 365/2002 inzake elektronische handel) van 7 juni 2002 (opnieuw gepubliceerd in de Monitor Oficial al României, deel I, nr. 959 van 29 november 2006)] [...] gelden ook voor deze wet.”

17      Artikel 12, leden 1 en 2, van wet nr. 506/2004 bepaalt:

„(1)      Het is verboden om commerciële communicatie te verzenden met gebruik van automatische oproep- en communicatiesystemen waarvoor geen menselijke tussenkomst nodig is, per fax, per e-mail of met andere methoden waarbij wordt gebruikgemaakt van openbare elektronische-communicatiediensten, tenzij de betrokken abonnee of gebruiker vooraf uitdrukkelijk heeft ingestemd met de ontvangst van dergelijke communicatie.

(2)      Onverminderd lid 1 kan een natuurlijke of rechtspersoon die rechtstreeks het e-mailadres van een klant verkrijgt in het kader van de verkoop van een product of een dienst aan die klant, overeenkomstig wet nr. 677/2001 dit adres gebruiken voor commerciële communicatie met betrekking tot eigen gelijkaardige producten of diensten mits de klant duidelijk en expliciet de mogelijkheid wordt geboden om kosteloos en op gemakkelijke wijze bezwaar te maken tegen een dergelijk gebruik, zowel bij de verkrijging van het e-mailadres als bij elke boodschap, indien de klant zich in eerste instantie niet daartegen heeft verzet.”

18      In artikel 13, leden 1, 2 en 5, van wet nr. 506/2004 staat te lezen:

„(1)      De volgende feiten vormen bestuursrechtelijke overtredingen:

[...]

q)      niet-naleving van de bepalingen van artikel 12 inzake ongewenste communicatie.

(2)      De in lid 1, onder a) tot en met l), n), o) en q), bedoelde bestuursrechtelijke overtredingen worden bestraft met een geldboete van 5 000 [Roemeense leu (RON) (ongeveer 984 EUR)] tot 100 000 [RON (ongeveer 19 697 EUR)] en, voor handelsvennootschappen met een omzet van meer dan 5 000 000 [RON (ongeveer 984 892 EUR)], [...] met een geldboete van maximaal 2 % van de omzet.

[...]

(5)      De in lid 1, onder a) tot en met j) en l) tot en met q), bedoelde bestuursrechtelijke overtredingen worden vastgesteld en de sancties worden opgelegd door daartoe gemachtigd personeel van de ANSPDCP.”

 Wet nr. 365/2002

19      Artikel 1, punt 8, van wet nr. 365/2002 luidt als volgt:

„Voor de toepassing van deze wet wordt verstaan onder:

[...]

8.      commerciële communicatie – elke vorm van communicatie die is bestemd voor het direct of indirect promoten van de producten, diensten, afbeeldingen, naam of aanduiding, handtekening of het logo van een beroepsbeoefenaar of van een lid van een gereglementeerd beroep. Het navolgende vormt op zich geen commerciële communicatie: informatie die het mogelijk maakt om rechtstreeks toegang te krijgen tot de activiteit van een natuurlijke of rechtspersoon, met name via een domeinnaam of een e‑mailadres, en communicatie over de producten, diensten, afbeeldingen, namen of handelsmerken van een natuurlijke of rechtspersoon die onafhankelijk van die persoon en in het bijzonder zonder financiële tegenprestatie wordt verstrekt.”

 Hoofdgeding en prejudiciële vragen

20      Inteligo Media is de uitgever van het onlinetijdschrift avocatnet.ro, dat bestemd is om een breed en niet juridisch gespecialiseerd publiek te informeren over de dagelijkse wetswijzigingen in Roemenië.

21      Op 27 juli 2018 heeft deze vennootschap voor een deel van de aan haar lezers geleverde content een betaald abonnement ingevoerd met de handelsnaam „Premium Service”. Ten tijde van de feiten van het hoofdgeding bood die vennootschap elke gebruiker de mogelijkheid om maximaal zes artikelen per maand gratis te bekijken. Om toegang te krijgen tot aanvullende artikelen moest de betrokken gebruiker eerst een gratis account aanmaken op het betrokken onlineplatform, hetgeen inhield dat deze gebruiker de contractuele voorwaarden voor de levering van het „Premium Service”-abonnement aanvaardde. Door zich voor deze dienst aan te melden verkreeg de gebruiker het recht op gratis toegang tot twee aanvullende artikelen per maand, op gratis ontvangst per e-mail van de dagelijkse nieuwsbrief, met als titel „Personal Update”, die een overzicht bevatte van de wetsontwikkelingen van de dag ervoor met hyperlinks naar de op het platform beschikbare relevante artikelen, alsmede het recht op toegang, optioneel en tegen betaling, tot alle artikelen van het tijdschrift en op ontvangst per e-mail van de volledige versie van voorbedoelde nieuwsbrief, met als titel „Nieuws in het kort”.

22      Bij het aanmaken van dit account konden gebruikers ervoor kiezen om de nieuwsbrief „Personal Update” niet te ontvangen door het vakje „Ik wil geen ‚Personal Update’ ontvangen” van het daartoe in te vullen onlineformulier aan te vinken. Ook konden gebruikers die deze brief niet meer wilden ontvangen, telkens wanneer zij deze ontvingen de knop „AFMELDEN” aanklikken.

23      Op 26 september 2019 heeft de ANSPDCP een proces-verbaal van overtreding opgesteld waarbij zij Inteligo Media een geldboete van 42 714 RON (ongeveer 9 000 EUR) heeft opgelegd wegens een inbreuk op artikel 5, lid 1, onder a) en b), artikel 6, lid 1, onder a), en artikel 7 AVG. De ANSPDCP meende dat deze vennootschap niet had weten aan te tonen dat zij van 4 357 gebruikers uitdrukkelijk toestemming had verkregen voor de verwerking van hun persoonsgegevens (e-mail, wachtwoord, gebruikersnaam) en was van mening dat zij deze gegevens had verwerkt op een wijze die onverenigbaar was met het doel waarvoor zij oorspronkelijk waren verzameld. Deze gegevens, die aanvankelijk voor de uitvoering van de betrokken overeenkomst waren verzameld, waren namelijk verwerkt met het oog op verzending van de „Personal Update”‑nieuwsbrief.

24      Inteligo Media heeft bij de Tribunal București (rechter in eerste aanleg Boekarest, Roemenië) primair om nietigverklaring van dat proces-verbaal verzocht.

25      Ter ondersteuning van haar verzoek heeft Inteligo Media met name aangevoerd dat de „Personal Update”‑nieuwsbrief wegens de in essentie redactionele inhoud ervan niet voldeed aan de wettelijke voorwaarden om als „commerciële communicatie” te worden aangemerkt. Uit voorzorg was de verwerking van persoonsgegevens voor de verzending van deze nieuwsbrief echter gebaseerd op artikel 12, lid 2, van wet nr. 506/2004, waarbij artikel 13, lid 2, van richtlijn 2002/58 in Roemeens recht is omgezet, en op artikel 6, lid 1, onder f), AVG. Deze vennootschap heeft gebruikers dus het recht verleend om bezwaar te maken tegen de ontvangst van deze nieuwsbrief alsmede het recht om zich na ontvangst van de nieuwsbrief daarvoor af te melden.

26      Bij vonnis van 5 juni 2020 heeft de Tribunal București dit verzoek afgewezen, waarbij hij de argumenten van de ANSPDCP onderschreef.

27      De Curte de Apel București (rechter in tweede aanleg Boekarest, Roemenië), die uitspraak deed op het door Inteligo Media tegen dit vonnis ingestelde hoger beroep, heeft bij uitspraak van 15 april 2021 dat vonnis vernietigd en de zaak terugverwezen naar de Tribunal București voor een nieuwe uitspraak, op grond dat deze laatste zijn vonnis ontoereikend had gemotiveerd.

28      Na heroverweging heeft de Tribunal București bij vonnis van 15 december 2021 het verzoek van Inteligo Media gedeeltelijk toegewezen en het bedrag van de door de ANSPDCP aan haar opgelegde geldboete verlaagd. Hij heeft echter de vaststelling van de bestuursrechtelijke overtreding in het proces-verbaal van overtreding van 26 september 2019 gehandhaafd.

29      De Curte de Apel București, de verwijzende rechter, bij wie Inteligo Media en de ANSPDCP hoger beroep hebben ingesteld, is van oordeel dat de beslechting van het hoofdgeding afhangt van de vaststelling van de rechtsgrondslag voor de in het hoofdgeding aan de orde zijnde verwerking van persoonsgegevens en van de voorwaarden waaraan moet zijn voldaan zodat een dergelijke verwerking in het licht van richtlijn 2002/58 en de AVG als rechtmatig kan worden beschouwd.

30      Om te beginnen moet volgens deze rechter worden verduidelijkt, ten eerste, onder welke voorwaarden het e-mailadres van een gebruiker kan worden geacht te zijn verkregen „in het kader van de verkoop van een product of een dienst” in de zin van artikel 13, lid 2, van richtlijn 2002/58, ten tweede, wat de draagwijdte is van het begrip „direct marketing” in artikel 13 en ten derde, of dit begrip gelijkstaat aan het door de Roemeense wetgever bij de omzetting van dat artikel 13 gebruikte begrip „commerciële communicatie”.

31      Indien de e-mailadressen van gebruikers in het onderhavige geval niet zijn verkregen „in het kader van de verkoop van een product of een dienst” in de zin van artikel 13, lid 2, van richtlijn 2002/58, moet vervolgens worden bepaald of de verzending per e-mail van de „Personal Update”‑nieuwsbrief valt binnen de werkingssfeer van artikel 13, lid 1, van deze richtlijn en van de bepalingen die een eventuele inbreuk daarop bestraffen.

32      Ten slotte acht de verwijzende rechter het noodzakelijk om te verduidelijken welke verplichtingen op een toezichthoudende autoriteit rusten wanneer zij artikel 83, lid 2, AVG toepast, aangezien deze verplichtingen niet duidelijk uit de bewoordingen van dat artikel blijken.

33      Tegen deze achtergrond heeft de Curte de Apel București de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen:

„1)      In het geval dat een uitgever van een onlinetijdschrift waarmee een breed en niet-gespecialiseerd publiek wordt geïnformeerd over de dagelijks in Roemenië doorgevoerde wetswijzigingen, het e-mailadres van een gebruiker verkrijgt wanneer deze een gratis gebruikersaccount aanmaakt, waarmee deze gebruiker i) gratis toegang krijgt tot aanvullende artikelen van het betrokken tijdschrift, ii) dagelijks per e-mail een nieuwsbrief ontvangt met een samenvatting van de nieuwe wetgeving die in de artikelen van het tijdschrift wordt behandeld, met hyperlinks naar die artikelen, en iii) tegen betaling toegang krijgt tot aanvullende en/of uitgebreidere artikelen en analysen van dit tijdschrift dan in de gratis dagelijkse nieuwsbrief,

a)      is dat e-mailadres dan door die uitgever verkregen ‚in het kader van de verkoop van een product of een dienst’ in de zin van artikel 13, lid 2, van richtlijn [2002/58]?

b)      is de verzending door die uitgever van een nieuwsbrief zoals beschreven in punt ii) dan ‚direct marketing van eigen gelijkaardige producten of diensten’ in de zin van artikel 13, lid 2, van richtlijn [2002/58]?

2)      Indien op de eerste vraag onder a) en b) bevestigend wordt geantwoord: welke van de voorwaarden in artikel 6, lid 1, onder a) tot en met f), AVG zijn van toepassing wanneer de uitgever het e‑mailadres van de gebruiker aanwendt voor het verzenden van een dagelijkse nieuwsbrief als beschreven in de eerste vraag, onder ii), overeenkomstig de vereisten van artikel 13, lid 2, van richtlijn [2002/58]?

3)      Moet artikel 13, leden 1 en 2, van richtlijn 2002/58 aldus worden uitgelegd dat het zich verzet tegen een nationale regeling waarin het begrip ‚commerciële communicatie’ zoals gedefinieerd in artikel 2, onder f), van richtlijn [2000/31] wordt gebruikt, in plaats van het begrip ‚direct marketing’ zoals gedefinieerd in richtlijn [2002/58]? Indien het antwoord ontkennend luidt: vormt de in de eerste vraag, onder ii), omschreven nieuwsbrief een ‚commerciële communicatie’ in de zin van artikel 2, onder f), van richtlijn [2000/31]?

4)      Indien op de eerste vraag, onder a) en b), ontkennend wordt geantwoord:

a)      vormt de verzending per e-mail van een dagelijkse nieuwsbrief zoals beschreven in de eerste vraag, onder ii), ‚gebruik van [...] e‑mail met het oog op direct marketing’ in de zin van artikel 13, lid 1, van richtlijn [2002/58], of

b)      moet artikel 95 [AVG] juncto artikel 15, lid 2, van richtlijn [2002/58] aldus worden uitgelegd dat het niet voldoen aan de voorwaarde dat geldige toestemming van de gebruiker moet zijn verkregen in de zin van artikel 13, lid 1, van richtlijn [2002/58] wordt bestraft overeenkomstig artikel 83 [AVG], of dat dit feit wordt bestraft overeenkomstig de nationaalrechtelijke bepalingen van de regeling waarbij richtlijn [2002/58] is omgezet, die zelf ook specifieke toepasselijke sancties bevat?

5)      Moet artikel 83, lid 2, [AVG] aldus worden uitgelegd dat een toezichthoudende autoriteit die beslist over het al of niet opleggen van een bestuurlijke geldboete en de hoogte daarvan, voor elk individueel geval in de sanctiebeslissing moet analyseren en motiveren welk gevolg elk van de criteria onder a) tot en met k) van die bepaling heeft gehad voor de beslissing om een geldboete op te leggen en, respectievelijk, voor de beslissing inzake de hoogte van die geldboete?”

 Beantwoording van de prejudiciële vragen

 Eerste vraag en vierde vraag, onder a)

34      Met zijn eerste vraag en zijn vierde vraag, onder a), die samen moeten worden onderzocht, wenst de verwijzende rechter in essentie te vernemen of artikel 13, leden 1 en 2, van richtlijn 2002/58 aldus moet worden uitgelegd dat de uitgever van een onlinetijdschrift het e‑mailadres van een gebruiker verkrijgt „in het kader van de verkoop van een product of een dienst” in de zin van dat artikel 13, lid 2, wanneer deze gebruiker op het onlineplatform van die uitgever een gratis account aanmaakt dat hem het recht geeft op gratis toegang tot een aantal artikelen van dat tijdschrift, op gratis ontvangst per e-mail van een dagelijkse nieuwsbrief met een samenvatting van de in artikelen van dat tijdschrift behandelde wetswijzigingen inclusief hyperlinks naar die artikelen, alsmede het recht op toegang, tegen betaling, tot aanvullende artikelen en analysen van dat tijdschrift, en dat de verzending van een dergelijke nieuwsbrief een gebruik van e-mail „voor direct marketing” van „gelijkaardige producten of diensten” vormt in de zin van laatstgenoemde bepaling.

35      Ter beantwoording van deze vragen zij erop gewezen dat richtlijn 2002/58 volgens artikel 1, lid 1, ervan onder meer voorziet in de harmonisatie van de nationale regelgeving die nodig is om een gelijk niveau van bescherming van fundamentele rechten en vrijheden – en met name van het recht op een persoonlijke levenssfeer en vertrouwelijkheid – bij de verwerking van persoonsgegevens in de sector elektronische communicatie te waarborgen.

36      Artikel 2, onder d), van richtlijn 2002/58 geeft een ruime definitie van het begrip „communicatie”, op grond waarvan dit begrip alle informatie omvat die wordt uitgewisseld of overgebracht tussen een eindig aantal partijen door middel van een openbare elektronische-communicatiedienst.

37      Artikel 13 van richtlijn 2002/58, met als opschrift „Ongewenste communicatie”, staat in lid 1 het gebruik toe van verschillende soorten communicatie, waaronder e-mail met het oog op direct marketing, op voorwaarde dat deze communicatie gericht is tot abonnees of gebruikers die daar vooraf mee hebben ingestemd.

38      Als uitzondering op het vereiste van een dergelijke toestemming bepaalt artikel 13, lid 2, van richtlijn 2002/58 dat wanneer een natuurlijke of rechtspersoon, met inachtneming van richtlijn 95/46 of de AVG, van zijn klanten elektronische contactgegevens voor e-mail verkrijgt in het kader van de verkoop van een product of een dienst, deze natuurlijke of rechtspersoon die elektronische contactgegevens kan gebruiken voor direct marketing mits hij voldoet aan de in die bepaling gestelde voorwaarden.

39      Uit de bewoordingen van de in de punten 37 en 38 hierboven bedoelde bepalingen blijkt dat zij alleen van toepassing zijn op communicatie „met het oog op direct marketing”. Voor de beantwoording van de eerste vraag en de vierde vraag, onder a), moet derhalve allereerst worden bepaald of een nieuwsbrief als die in het hoofdgeding wordt meegedeeld met het oog op direct marketing en, zo ja, vervolgens of de afzender van deze nieuwsbrief de elektronische contactgegevens van de betrokken gebruikers heeft verkregen „in het kader van de verkoop van [...] een dienst” in de zin van artikel 13, lid 2, van richtlijn 2002/58.

40      Volgens vaste rechtspraak moet bij de uitlegging van een Unierechtelijke bepaling niet alleen rekening worden gehouden met de bewoordingen ervan, maar ook met de context van die bepaling en met de doelstellingen van de regeling waarvan zij deel uitmaakt (zie arresten van 17 november 1983, Merck, 292/82, EU:C:1983:335, punt 12, en 1 augustus 2025, Alace en Canpelli, C‑758/24 en C‑759/24, EU:C:2025:591, punt 91).

41      Wat in de eerste plaats de bewoordingen van artikel 13, leden 1 en 2, van richtlijn 2002/58 betreft, moet worden vastgesteld dat deze bepaling geen aanwijzing bevat over de betekenis van het begrip communicatie „met het oog op direct marketing”. Niettemin blijkt uit de rechtspraak van het Hof dat dit begrip betrekking heeft op communicatie die een commercieel doel dient en rechtstreeks en individueel tot een consument is gericht (zie in die zin arrest van 25 november 2021, StWL Städtische Werke Lauf a.d. Pegnitz, C‑102/20, EU:C:2021:954, punt 47).

42      In het licht van deze criteria heeft het Hof geoordeeld dat reclameboodschappen waarmee reclame wordt gemaakt voor diensten, die in de vorm van een e-mail worden verspreid zodat zij rechtstreeks in de inbox van de privémailbox van de betrokken gebruiker terechtkomen, dergelijke communicatie vormen (zie in die zin arrest van 25 november 2021, StWL Städtische Werke Lauf a.d. Pegnitz, C‑102/20, EU:C:2021:954, punt 48).

43      Zoals uit de verwijzingsbeslissing blijkt, bestaat de in het hoofdgeding aan de orde zijnde communicatie uit een, in de vorm van een e-mail verspreide, dagelijkse nieuwsbrief met een samenvatting van de in artikelen van een onlinetijdschrift behandelde nieuwe wetgeving en met hyperlinks naar deze artikelen. Alleen door deze hyperlinks aan te klikken kunnen de betrokken gebruikers van het volledige aanbod maximaal acht artikelen per maand gratis raadplegen en, tegen betaling, toegang krijgen tot alle artikelen op het door Inteligo Media beheerde onlineplatform.

44      De door de verwijzende rechter genoemde omstandigheid dat deze communicatie ook informatieve content bevat aangezien zij een samenvatting bevat van de in de artikelen van dat tijdschrift behandelde onderwerpen, betekent niet dat deze moet worden uitgesloten van het begrip communicatie „met het oog op direct marketing” in de zin van artikel 13, leden 1 en 2, van richtlijn 2002/58, en dus van de werkingssfeer van deze bepaling.

45      Integendeel, zoals de advocaat-generaal in de punten 32 tot en met 34 van zijn conclusie in essentie heeft opgemerkt, is dergelijke communicatie bedoeld om de betrokken gebruikers aan te sporen om de door een uitgever verstrekte betaalde content te ontsluiten door hen aan te moedigen het aantal gratis te raadplegen artikelen op het betrokken onlineplatform te verbruiken en een volledig abonnement af te sluiten. Deze communicatie strekt er dus toe reclame te maken voor de verkoop van die content en dient derhalve een commercieel doel in de zin van de in punt 41 hierboven aangehaalde rechtspraak. Aangezien deze, in de vorm van een e-mail verspreide, communicatie rechtstreeks in de inbox van de privémailbox van de betrokken gebruiker terechtkomt, moet voorts worden vastgesteld dat zij wordt verzonden „met het oog op direct marketing” in de zin van artikel 13, leden 1 en 2, van richtlijn 2002/58, ongeacht of dit doel alleen kan worden afgeleid uit de inhoud van die communicatie of ook uit de structuur van het aanbod van de afzender ervan.

46      Deze uitlegging van het begrip communicatie „met het oog op direct marketing” vindt in de tweede plaats steun in de context van dit begrip en in de doelstellingen van richtlijn 2002/58.

47      In dit verband moet worden opgemerkt dat artikel 13, lid 1, van richtlijn 2002/58 een principiële regel vaststelt, volgens welke ongewenste communicatie die binnen de werkingssfeer van dit artikel valt, alleen kan worden verzonden nadat voorafgaande toestemming van de ontvanger ervan is verkregen.

48      Indien deze toestemming ontbreekt, is dergelijke communicatie alleen toegestaan mits is voldaan aan de voorwaarden van artikel 13, lid 2, van richtlijn 2002/58. Deze bepaling vereist om te beginnen dat de afzender van de betrokken communicatie de elektronische contactgegevens voor e-mail van de ontvangers daarvan met inachtneming van richtlijn 95/46 of, naargelang het geval, de AVG heeft verkregen in het kader van de verkoop van een product of een dienst. Vervolgens mogen deze elektronische contactgegevens worden gebruikt voor direct marketing, mits deze marketing betrekking heeft op gelijkaardige producten of diensten die door deze afzender zelf worden geleverd. Ten slotte is dit gebruik afhankelijk van de voorwaarde dat deze gebruikers duidelijk en expliciet de gelegenheid wordt geboden om kosteloos en op gemakkelijke wijze bezwaar te maken tegen het gebruik van die elektronische contactgegevens op het ogenblik dat zij worden verzameld en, ingeval de klant zich in eerste instantie niet tegen dat gebruik heeft verzet, bij elke boodschap.

49      Bovendien verbiedt artikel 13, lid 4, van richtlijn 2002/58 in ieder geval om e‑mails met het oog op direct marketing te verzenden waarbij de identiteit van de afzender namens wie de communicatie plaatsvindt, wordt gemaskeerd of verborgen in strijd met artikel 6 van richtlijn 2000/31, en zonder dat een geldig adres wordt vermeld waaraan de ontvanger een verzoek tot beëindiging van dergelijke communicatie kan richten, of e-mails die ontvangers aanmoedigen websites te bezoeken die in strijd zijn met dat artikel 6.

50      Met alle in de punten 47 tot en met 49 hierboven in herinnering gebrachte waarborgen wordt beoogd de door richtlijn 2002/58 nagestreefde doelstellingen, zoals uiteengezet in de overwegingen 2 en 40 ervan, te verwezenlijken, die in het bijzonder strekken tot volledige eerbiediging van de in de artikelen 7 en 8 van het Handvest van de grondrechten bedoelde rechten en daartoe abonnees te beschermen tegen inbreuken op hun persoonlijke levenssfeer door ongewenste communicatie voor direct marketing, met name door middel van automatische oproepapparaten, faxen, e-mails, en sms-berichten.

51      Elke andere uitlegging zou afbreuk kunnen doen aan het nuttig effect van artikel 13 van richtlijn 2002/58 en aldus aan het met deze richtlijn beoogde niveau van bescherming van de persoonlijke levenssfeer. Bij een andere uitlegging zou de verzending van communicatie als die in het hoofdgeding immers buiten de waarborgen van dat artikel 13 vallen, ongeacht het risico van inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van de gebruikers van e-maildiensten.

52      Aangezien communicatie als die in het hoofdgeding moet worden geacht te zijn verricht „met het oog op direct marketing” in de zin van artikel 13, leden 1 en 2, van richtlijn 2002/58, moet vervolgens worden onderzocht of is voldaan aan de in dat artikel 13, lid 2, bedoelde en in punt 39 hierboven genoemde voorwaarde dat de afzender van deze communicatie de elektronische contactgegevens van klanten moet hebben verkregen „in het kader van de verkoop van [...] een dienst”.

53      In de eerste plaats verwijst de term „verkoop”, zoals de advocaat-generaal in punt 40 van zijn conclusie heeft opgemerkt, volgens een algemeen aanvaarde definitie naar een overeenkomst die noodzakelijkerwijs een betaling voor een goed of een dienst omvat. Deze term kan dus enkel betrekking hebben op handelingen waarvoor een vergoeding moet worden betaald.

54      Voorts moet worden vastgesteld dat artikel 13, lid 2, van richtlijn 2002/58 op algemene wijze betrekking heeft op „dienst[en]”, zonder onderscheid te maken naar het soort dienst. Met betrekking tot diensten die binnen de werkingssfeer van richtlijn 2000/31 vallen, heeft het Hof geoordeeld dat de vergoeding voor een dienst die een dienstverlener in het kader van zijn economische activiteit verricht, niet noodzakelijkerwijs wordt betaald door de personen voor wie deze dienst wordt verricht. Dit geldt met name wanneer een gratis verrichte dienst door een dienstverlener is verleend om reclame te maken voor door hem verkochte goederen of aangeboden diensten, aangezien de kosten van die activiteit dan worden opgenomen in de verkoopprijs van die goederen of diensten (zie arrest van 15 september 2016, Mc Fadden, C‑484/14, EU:C:2016:689, punten 41 en 42 en aldaar aangehaalde rechtspraak). Deze overwegingen kunnen worden toegepast in het kader van de uitlegging van artikel 13, lid 2, van richtlijn 2002/58.

55      In casu is precies het voorgaande aan de orde. Zoals blijkt uit de bewoordingen van de eerste vraag en uit de motivering van de verwijzingsbeslissing, heeft Inteligo Media de elektronische contactgegevens van de betrokken gebruikers verkregen toen zij een gratis account aanmaakten op het door deze vennootschap beheerde onlineplatform, hetgeen inhield dat deze gebruikers de contractuele voorwaarden voor de levering van het „Premium Service”-abonnement aanvaardden. Door zich voor deze dienst aan te melden verkregen deze gebruikers het recht op gratis toegang tot een aantal in het betrokken tijdschrift verschenen artikelen en op ontvangst van de „Personal Update”‑nieuwsbrief. Zoals blijkt uit punt 45 hierboven heeft een dergelijke dienst vooral tot doel om reclame te maken voor de door Inteligo Media aangeboden betaalde content, waarbij de kosten van deze dienst in de prijs van die content zijn opgenomen.

56      Gelet hierop moet worden vastgesteld, zoals de advocaat-generaal in punt 43 van zijn conclusie heeft opgemerkt, dat een indirecte vergoeding die is verrekend in de verkoopprijs van het volledige abonnement dat deze dienstverlener aanbiedt, zoals aan de orde in het hoofdgeding, voldoet aan het in punt 53 hierboven in herinnering gebrachte vereiste van een betaling.

57      Bijgevolg kan een handeling als die waarbij Inteligo Media de elektronische contactgegevens van gebruikers heeft verkregen, vallen onder het begrip „verkoop van [...] een dienst” in de zin van artikel 13, lid 2, van richtlijn 2002/58.

58      In de tweede plaats is deze uitlegging in overeenstemming met de context waarin dit begrip wordt gebruikt en met de doelstellingen van de regeling waarvan zij deel uitmaakt.

59      In dit verband klopt het dat artikel 13, lid 2, van richtlijn 2002/58 voorziet in een uitzondering op de in dat artikel 13, lid 1, opgenomen principiële regel en dat deze uitzondering dus strikt moet worden uitgelegd. Echter, ten eerste, sluiten de bewoordingen van artikel 13, lid 2, niet uit dat de vergoeding die wordt geëist in het kader van een „verkoop” in de zin van deze bepaling, kan worden betaald door een andere persoon dan de ontvanger van het product of de dienst waarop die handeling betrekking heeft. Integendeel, uit deze bewoordingen volgt dat de Uniewetgever zich heeft beperkt tot de eis dat de elektronische contactgegevens van de betrokken gebruikers worden verkregen „in het kader van de verkoop van een product of een dienst”.

60      Ten tweede moet de uitlegging van de bewoordingen van artikel 13, lid 2, van richtlijn 2002/58 in elk geval in overeenstemming zijn met het doel van deze bepaling. Hieruit volgt dat de noodzaak van een strikte uitlegging niet zodanig kan worden opgevat dat deze bewoordingen aldus mogen worden uitgelegd dat zij geen effect meer sorteren (zie naar analogie arrest van 4 maart 2021, Frenetikexito, C‑581/19, EU:C:2021:167, punt 22 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

61      Wat de doelstelling van artikel 13, lid 2, van richtlijn 2002/58 betreft, blijkt uit overweging 41 van deze richtlijn dat de Uniewetgever heeft willen voorzien in een afwijking van het in artikel 13, lid 1, opgenomen beginsel voor het geval dat de elektronische contactgegevens van de betrokken gebruikers zijn verkregen „[b]innen de context van een bestaande klantrelatie”, zonder deze relatie nader te omschrijven.

62      Bijgevolg, en onder voorbehoud van de door de verwijzende rechter te verrichten verificaties, is in het onderhavige geval voldaan aan zowel de voorwaarde dat de elektronische contactgegevens van de betrokken gebruikers moeten zijn verzameld „in het kader van de verkoop van een product of een dienst” als, zoals blijkt uit de punten 55 en 56 hierboven, aan de voorwaarde dat de dienst die het voorwerp is van de betrokken marketing een gelijkaardige dienst is.

63      Gelet op een en ander moet op de eerste vraag en de vierde vraag, onder a), worden geantwoord dat artikel 13, leden 1 en 2, van richtlijn 2002/58 aldus moet worden uitgelegd dat de uitgever van een onlinetijdschrift het e-mailadres van een gebruiker verkrijgt „in het kader van de verkoop van een product of een dienst” in de zin van dat artikel 13, lid 2, wanneer deze gebruiker op het onlineplatform van die uitgever een gratis account aanmaakt dat hem het recht geeft op gratis toegang tot een aantal artikelen van dat tijdschrift, op gratis ontvangst per e-mail van een dagelijkse nieuwsbrief met een samenvatting van de in artikelen van dat tijdschrift behandelde wetswijzigingen inclusief hyperlinks naar die artikelen, alsmede het recht op toegang, tegen betaling, tot aanvullende artikelen en analysen van dat tijdschrift. De verzending van een dergelijke nieuwsbrief vormt een gebruik van e‑mail „voor direct marketing” van „gelijkaardige producten of diensten” in de zin van laatstgenoemde bepaling.

 Tweede vraag

64      Met zijn tweede vraag wenst de verwijzende rechter in essentie te vernemen of artikel 13, lid 2, van richtlijn 2002/58, gelezen in samenhang met artikel 95 AVG, aldus moet worden uitgelegd dat wanneer de verwerkingsverantwoordelijke overeenkomstig dat artikel 13, lid 2, het e-mailadres van een gebruiker aanwendt om ongewenste communicatie te verzenden, de in artikel 6, lid 1, van deze verordening gestelde voorwaarden voor rechtmatige verwerking van toepassing zijn.

65      Zoals het Hof herhaaldelijk heeft geoordeeld, bevat artikel 6, lid 1, eerste alinea, AVG een uitputtende en limitatieve lijst van de gevallen waarin de verwerking van persoonsgegevens als rechtmatig kan worden aangemerkt. Daarom kan alleen een verwerking die valt onder een van de in deze bepaling bedoelde gevallen als rechtmatig worden aangemerkt [zie arresten van 22 juni 2021, Latvijas Republikas Saeima (Strafpunten), C‑439/19, EU:C:2021:504, punt 99, en 9 januari 2025, Mousse, C‑394/23, EU:C:2025:2, punt 25 en aldaar aangehaalde rechtspraak].

66      Artikel 95 AVG bepaalt evenwel dat die verordening natuurlijke personen of rechtspersonen geen aanvullende verplichtingen oplegt met betrekking tot verwerking in verband met het verstrekken van openbare elektronische-communicatiediensten in openbare communicatienetwerken in de Unie, voor zover zij op grond van richtlijn 2002/58 onderworpen zijn aan specifieke verplichtingen met dezelfde doelstelling.

67      In dezelfde lijn wordt in overweging 173 van die verordening verduidelijkt dat deze verordening van toepassing dient te zijn op alle aangelegenheden die betrekking hebben op de bescherming van grondrechten en fundamentele vrijheden in het kader van de verwerking van persoonsgegevens waarvoor de in richtlijn 2002/58 opgenomen specifieke verplichtingen met dezelfde doelstelling niet gelden, met inbegrip van de verplichtingen van de verwerkingsverantwoordelijke en de rechten van natuurlijke personen.

68      Zoals de advocaat-generaal in punt 50 van zijn conclusie heeft opgemerkt, regelt artikel 13, lid 2, van richtlijn 2002/58 op uitputtende wijze de voorwaarden en doeleinden van de verwerking alsmede de rechten van de betrokkene en legt dit artikel de verwerkingsverantwoordelijke „specifieke verplichtingen” in de zin van artikel 95 AVG op. Bijgevolg kan op basis van dat artikel 13, lid 2, worden vastgesteld of een in het kader van communicatie die binnen de werkingssfeer van die bepaling valt verrichte verwerking van persoonsgegevens rechtmatig is, zonder dat deze verwerking hoeft te worden getoetst aan de voorwaarden van artikel 6, lid 1, onder a) tot en met f), AVG.

69      Gelet op een en ander moet op de tweede vraag worden geantwoord dat artikel 13, lid 2, van richtlijn 2002/58, gelezen in samenhang met artikel 95 AVG, aldus moet worden uitgelegd dat wanneer de verwerkingsverantwoordelijke overeenkomstig dat artikel 13, lid 2, het e-mailadres van een gebruiker aanwendt om ongewenste communicatie te verzenden, de in artikel 6, lid 1, van deze verordening gestelde voorwaarden voor rechtmatige verwerking niet van toepassing zijn.

 Derde vraag

70      Met zijn derde vraag wenst de verwijzende rechter te vernemen of artikel 13, leden 1 en 2, van richtlijn 2002/58 aldus moet worden uitgelegd dat het zich verzet tegen een nationale regeling die het in artikel 2, onder f), van richtlijn 2000/31 bedoelde begrip „commerciële communicatie” gebruikt in plaats van het begrip „direct marketing”, en zo nee, of een dagelijkse nieuwsbrief met een samenvatting van de in artikelen van een onlinetijdschrift behandelde wetswijzigingen inclusief hyperlinks naar die artikelen „commerciële communicatie” in de zin van dat artikel 2, onder f), vormt.

71      Dienaangaande zij eraan herinnerd dat er volgens vaste rechtspraak een vermoeden van relevantie rust op vragen betreffende de uitlegging van het Unierecht. Het Hof kan alleen weigeren op een door een nationale rechterlijke instantie gestelde prejudiciële vraag te antwoorden wanneer duidelijk blijkt dat de gevraagde uitlegging van een Unierechtelijke regel kennelijk geen verband houdt met een reëel geschil of met het voorwerp van het hoofdgeding, wanneer het vraagstuk van hypothetische aard is of wanneer het Hof niet beschikt over de feitelijke en juridische gegevens die noodzakelijk zijn om een zinvol antwoord te geven op de gestelde vragen (arrest van 15 juni 2021, Facebook Ireland e.a., C‑645/19, EU:C:2021:483, punt 115 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

72      Het is tevens vaste rechtspraak dat de rechtvaardiging van de prejudiciële verwijzing bovendien niet gelegen is in het formuleren van rechtsgeleerde adviezen over algemene of hypothetische vraagstukken, maar in de behoefte aan de daadwerkelijke beslechting van een geding (arrest van 15 juni 2021, Facebook Ireland e.a., C‑645/19, EU:C:2021:483, punt 116 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

73      In het onderhavige geval blijkt uit het antwoord op de eerste vraag en de vierde vraag, onder a), dat de mededeling van een nieuwsbrief als die in het hoofdgeding communicatie „met het oog op direct marketing” vormt in de zin van artikel 13, leden 1 en 2, van richtlijn 2002/58. Tegen deze achtergrond blijkt op basis van de door de verwijzende rechter verstrekte gegevens niet dat hij voor de beslechting van het bij hem aanhangige geding ook een uitlegging van het begrip „commerciële communicatie” als bedoeld in artikel 2, onder f), van richtlijn 2000/31 nodig heeft.

74      Derhalve is de derde vraag niet-ontvankelijk.

 Vierde vraag, onder b), en vijfde vraag

75      Gelet op het antwoord op de eerste vraag en de vierde vraag, onder a), hoeven de vierde vraag, onder b), en de vijfde vraag niet te worden beantwoord.

 Kosten

76      Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.

Het Hof (Eerste kamer) verklaart voor recht:

1)      Artikel 13, leden 1 en 2, van richtlijn 2002/58/EG van het Europees Parlement en de Raad van 12 juli 2002 betreffende de verwerking van persoonsgegevens en de bescherming van de persoonlijke levenssfeer in de sector elektronische communicatie (richtlijn betreffende privacy en elektronische communicatie), zoals gewijzigd bij richtlijn 2009/136/EG van het Europees Parlement en de Raad van 25 november 2009,

moet aldus worden uitgelegd dat

de uitgever van een onlinetijdschrift het e-mailadres van een gebruiker verkrijgt „in het kader van de verkoop van een product of een dienst” in de zin van dat artikel 13, lid 2, wanneer deze gebruiker op het onlineplatform van die uitgever een gratis account aanmaakt dat hem het recht geeft op gratis toegang tot een aantal artikelen van dat tijdschrift, op gratis ontvangst per e-mail van een dagelijkse nieuwsbrief met een samenvatting van de in artikelen van dat tijdschrift behandelde wetswijzigingen inclusief hyperlinks naar die artikelen, alsmede het recht op toegang, tegen betaling, tot aanvullende artikelen en analysen van dat tijdschrift. De verzending van een dergelijke nieuwsbrief vormt een gebruik van e-mail „voor direct marketing” van „gelijkaardige producten of diensten” in de zin van laatstgenoemde bepaling.

2)      Artikel 13, lid 2, van richtlijn 2002/58, zoals gewijzigd bij richtlijn 2009/136, gelezen in samenhang met artikel 95 van verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming),

moet aldus worden uitgelegd dat

wanneer de verwerkingsverantwoordelijke overeenkomstig dat artikel 13, lid 2, het e-mailadres van een gebruiker aanwendt om ongewenste communicatie te verzenden, de in artikel 6, lid 1, van deze verordening gestelde voorwaarden voor rechtmatige verwerking niet van toepassing zijn.

3)      De derde vraag van de Curte de Apel București (rechter in tweede aanleg Boekarest, Roemenië) is niet-ontvankelijk.

ondertekeningen