Home

Arrest van het Hof (Zevende kamer) van 27 maart 2025

Arrest van het Hof (Zevende kamer) van 27 maart 2025

Gegevens

Instantie
Hof van Justitie EU
Datum uitspraak
27 maart 2025

Uitspraak

Arrest van het Hof (Zevende kamer)

27 maart 2025(*)

"„Prejudiciële verwijzing - Justitiële samenwerking in burgerlijke zaken - Verordening (EU) 2015/848 - Insolventieprocedures - Artikel 31, lid 1 - Kennis van de insolventieprocedure - Verbintenissen ten voordele van de schuldenaar die voor de insolventiefunctionaris moeten worden uitgevoerd - Verkoop van een goed (voertuig) door de schuldenaar na de opening van de insolventieprocedure - Uitvoering ten voordele van de schuldenaar”"

In zaak C‑186/24,

betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door het Oberste Gerichtshof (hoogste federale rechter in civiele en strafzaken, Oostenrijk) bij beslissing van 22 februari 2024, ingekomen bij het Hof op 8 maart 2024, in de procedure

Matthäus Metzler, als curator in een insolventieprocedure,

tegen

Auto1 European Cars BV,

HET HOF (Zevende kamer),

samengesteld als volgt: M. Gavalec, kamerpresident, K. Jürimäe (rapporteur), president van de Tweede kamer, en Z. Csehi, rechter,

advocaat-generaal: M. Campos Sánchez-Bordona,

griffier: A. Calot Escobar,

gezien de stukken,

gelet op de opmerkingen van:

  • M. Metzler, als curator in een insolventieprocedure, vertegenwoordigd door M. Metzler, Rechtsanwalt,

  • Auto1 European Cars BV, vertegenwoordigd door F. Frank, Rechtsanwalt,

  • de Europese Commissie, vertegenwoordigd door G. von Rintelen en W. Wils als gemachtigden,

gelet op de beslissing, de advocaat-generaal gehoord, om de zaak zonder conclusie te berechten,

het navolgende

Arrest

1 Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 31, lid 1, van verordening (EU) 2015/848 van het Europees Parlement en de Raad van 20 mei 2015 betreffende insolventieprocedures (PB 2015, L 141, blz. 19).

2 Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen Matthäus Metzler, als curator in de tegen een schuldenaar geopende insolventieprocedure, en Auto1 European Cars BV (hierna: „Auto1”) over de betaling aan de insolvente boedel van een bedrag dat overeenkomt met de marktwaarde van een voertuig dat door de schuldenaar na de opening van die procedure aan Auto1 is verkocht.

Toepasselijke bepalingen

Unierecht

3 De overwegingen 5 en 81 van verordening 2015/848 luiden:

„(5) Voor de goede werking van de interne markt mogen partijen er niet toe worden aangezet geschillen of goederen van de ene lidstaat naar de andere over te brengen om hun rechtspositie ten nadele van de gezamenlijke schuldeisers te verbeteren (forumshopping).

[…]

(81) Het kan voorkomen dat sommige betrokkenen niet van de opening van de insolventieprocedure op de hoogte zijn en te goeder trouw in strijd met de nieuwe omstandigheden handelen. Ter bescherming van dergelijke personen, die – niet op de hoogte zijnde van de opening van de procedure in het buitenland – een betaling ten voordele van de schuldenaar uitvoeren die zij eigenlijk voor de buitenlandse insolventiefunctionaris hadden moeten uitvoeren, moet worden voorgeschreven dat deze betaling een bevrijdend karakter heeft.”

4 Artikel 7 van die verordening draagt het opschrift „Toepasselijk recht” en luidt als volgt:

„1.

Tenzij deze verordening iets anders bepaalt, worden de insolventieprocedure en de gevolgen daarvan beheerst door het recht van de lidstaat op het grondgebied waarvan de insolventieprocedure wordt geopend (‚de lidstaat waar de procedure wordt geopend’).

2.

Het recht van de lidstaat waar de procedure wordt geopend, bepaalt onder welke voorwaarden deze procedure wordt geopend, verloopt en wordt beëindigd. Het bepaalt met name:

[…]

  1. welk deel van de goederen van de schuldenaar tot de insolvente boedel behoort en of de na de opening van de insolventieprocedure verkregen goederen tot deze boedel behoren;

  2. welke de respectieve bevoegdheden van de schuldenaar en de insolventiefunctionaris zijn;

[…]

  1. de regels betreffende nietigheid, vernietigbaarheid of niet-tegenwerpbaarheid van de voor de gezamenlijke schuldeisers nadelige rechtshandelingen.”

5 Artikel 31 van die verordening heeft als opschrift „Uitvoering ten voordele van de schuldenaar” en bepaalt het volgende:

„1.

Degene die in een lidstaat een verbintenis uitvoert ten voordele van de schuldenaar die is onderworpen aan een in een andere lidstaat geopende insolventieprocedure terwijl hij die verbintenis had moeten uitvoeren voor de insolventiefunctionaris van die procedure, wordt bevrijd indien hij niet van de opening van de procedure op de hoogte was.

2.

Degene die deze verbintenis heeft uitgevoerd vóór de in artikel 28 bedoelde openbaarmakingsmaatregelen wordt, totdat het tegendeel is bewezen, vermoed niet van de opening van de insolventieprocedure op de hoogte te zijn geweest. Degene die deze verbintenis heeft uitgevoerd na de openbaarmakingsmaatregelen wordt, totdat het tegendeel is bewezen, geacht van de opening van de procedure op de hoogte te zijn geweest.

Oostenrijks recht

6 § 3 van de Insolvenzordnung (insolventiewetboek) van 11 december 1914 (RGBl. 337/1914), in de versie ervan die van toepassing is op het hoofdgeding (hierna: „insolventiewetboek”), bepaalt:

„1.

Rechtshandelingen van de schuldenaar na de opening van de insolventieprocedure die gevolgen hebben voor de insolvente boedel, kunnen niet worden tegengeworpen aan de schuldeisers in de insolventieprocedure. De tegenprestatie moet aan de andere partij worden teruggegeven, indien de boedel zou zijn verrijkt.

2.

De betaling van een schuld aan de schuldenaar na de opening van de insolventieprocedure bevrijdt de verplichte persoon niet, tenzij de betaling aan de insolvente boedel is verricht of de verplichte persoon op het moment van betaling niet op de hoogte was van de opening van de insolventieprocedure en dit gebrek aan kennis er niet aan te wijten is dat de vereiste zorgvuldigheid niet in acht is genomen (dat wil zeggen dat hij dus niet op de hoogte had moeten zijn van de opening van die procedure).”

Hoofdgeding en prejudiciële vragen

7 Bij beslissing van 25 mei 2022 heeft het Landesgericht Linz (rechter in eerste aanleg Linz, Oostenrijk) een insolventieprocedure tegen een schuldenaar geopend en Metzler als curator benoemd (hierna: „curator”). Op dezelfde dag werd die beslissing, met inbegrip van de identiteit van de curator, openbaar gemaakt.

8 Op 2 juni 2022 heeft de schuldenaar in eigen naam een overeenkomst voor de verkoop van een voertuig voor een bedrag van 48 870 EUR gesloten met Auto1, een in Nederland gevestigde vennootschap naar Nederlands recht. Deze overeenkomst is gesloten in de ruimten van het bijkantoor van Auto1 in Oostenrijk.

9 Na ontvangst van dit voertuig in Oostenrijk heeft Auto1 vanaf een rekening bij een in Duitsland gevestigde bank het bedrag dat overeenkomt met de verkoopprijs van dat voertuig overgeschreven op de door de schuldenaar opgegeven rekening bij een in Oostenrijk gevestigde bank.

10 Volgens de curator behoort het bedrag van 48 870 EUR tot de insolvente boedel omdat de verkoopovereenkomst na de opening van de insolventieprocedure is gesloten. Aangezien Auto1 het voertuig aan een derde had doorverkocht, heeft de curator een vordering ingesteld die ertoe strekt ten voordele van de insolvente boedel een waardecompensatie te verkrijgen die overeenkomt met de verkoopprijs van dat voertuig. De curator heeft de vordering vervolgens uitgebreid tot de marktwaarde van dat voertuig, te weten 62 261 EUR.

11 Auto1 heeft die vordering betwist, met name op grond van artikel 31 van verordening 2015/848. Volgens haar kan die vordering haar slechts worden tegengeworpen indien zij op het moment van aankoop van het betrokken voertuig op de hoogte was van de opening van de insolventieprocedure.

12 Het Landesgericht Linz heeft de oorspronkelijke vordering toegewezen. De beslissing van die rechter is in hoger beroep gewijzigd. Het Oberlandesgericht Linz (hoogste rechterlijke instantie van de deelstaten Opper-Oostenrijk en Salzburg, Linz, Oostenrijk) heeft geoordeeld dat artikel 31 van verordening 2015/848 van toepassing is, omdat, ten eerste, de betaling ten voordele van de schuldenaar na verificatie vanaf een Duitse bankrekening was verricht, en ten tweede, Auto1 niet over alle nuttige informatie over de opening van de insolventieprocedure beschikte.

13 De curator heeft tegen die beslissing van de rechter in tweede aanleg cassatieberoep ingesteld bij het Oberste Gerichtshof (hoogste federale rechter in civiele en strafzaken, Oostenrijk), de verwijzende rechter. Ter ondersteuning van dat cassatieberoep betoogt de curator dat artikel 31 van verordening 2015/848 niet van toepassing is omdat deze bepaling veronderstelt dat de uitvoering van een verbintenis is gebaseerd op een geldige rechtshandeling, wat in casu, gelet op § 3, lid 1, van het insolventiewetboek, niet het geval is. Bovendien ontbreekt het door artikel 31 van verordening 2015/848 vereiste grensoverschrijdende element omdat de in de litigieuze koopovereenkomst vermelde verbintenis in Oostenrijk is uitgevoerd.

14 De verwijzende rechter stelt in de eerste plaats vast dat krachtens § 3, lid 1, van het insolventiewetboek rechtshandelingen van de schuldenaar na de opening van de insolventieprocedure die gevolgen hebben voor de insolvente boedel, niet kunnen worden tegengeworpen aan de schuldeisers in de insolventieprocedure. In die omstandigheden kan een goed dat aan deze boedel is onttrokken door een rechtshandeling die ingevolge deze bepaling niet aan de schuldeisers kan worden tegengeworpen, worden teruggevorderd. Bovendien voorziet die bepaling niet in een uitzondering in het geval dat een derde het goed te goeder trouw heeft verworven en niet wist dat er een insolventieprocedure was geopend.

15 In de tweede plaats heeft artikel 31, lid 1, van verordening 2015/848 tot doel de goede trouw te beschermen van een derde die in een andere lidstaat dan die waar de procedure is geopend, na de opening van de procedure in onwetendheid van die procedure een verbintenis ten voordele van de schuldenaar uitvoert, terwijl hij die verbintenis had moeten uitvoeren voor de insolventiefunctionaris. Volgens de rechtsleer veronderstelt die bepaling echter het bestaan van een schuldvordering van de schuldenaar. Zij is dus niet van toepassing op de uitvoering van een verbintenis van een derde ten aanzien van een schuldenaar, die overeenkomstig § 3, lid 1, van het insolventiewetboek voortvloeit uit een rechtshandeling die niet aan de insolvente boedel kan worden tegengeworpen omdat zij na de opening van de insolventieprocedure is verricht.

16 De verwijzende rechter verduidelijkt echter dat hij, gelet op de bewoordingen van artikel 31, lid 1, van verordening 2015/848, dat in het algemeen ziet op de uitvoering van een verbintenis ten voordele van de schuldenaar, niet uitsluit dat die bepaling kan worden toegepast op verbintenissen die de derde op grond van een niet-tegenwerpbare rechtshandeling heeft uitgevoerd. In dat geval moet nog worden vastgesteld of de plaats van uitvoering van een betalingsopdracht die is gegeven in een andere lidstaat dan de lidstaat waar de insolventieprocedure is geopend, kan worden beschouwd als de plaats van uitvoering van de verbintenis in de zin van die bepaling.

17 In die omstandigheden heeft het Oberste Gerichtshof de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen:

  • Moet artikel 31, lid 1, van verordening [2015/848] aldus worden uitgelegd dat onder ten voordele van de schuldenaar uitgevoerde verbintenissen die hadden moeten worden uitgevoerd voor de insolventiefunctionaris van de insolventieprocedure, in de zin van die bepaling ook de uitvoeringen van verbintenissen worden verstaan die voortvloeien uit een rechtshandeling die de schuldenaar pas na de opening van de insolventieprocedure en de overdracht van de bevoegdheden aan de insolventiefunctionaris heeft verricht?

    Indien deze vraag bevestigend wordt beantwoord:

  • Moet artikel 31, lid 1, van verordening [2015/848] aldus worden uitgelegd dat de plaats van uitvoering in de zin van die bepaling de plaats is waar de betaling door de derde wordt uitgevoerd door overschrijving van een rekening aldaar, ook indien de derde niet in die lidstaat, maar in een andere lidstaat is gevestigd en de rechtshandeling en de verbintenis door de schuldenaar wederom niet aldaar zijn verricht respectievelijk uitgevoerd, maar via een bijkantoor van de derde in een andere lidstaat, te weten in de lidstaat waar de insolventieprocedure is geopend?”

Beantwoording van de prejudiciële vragen

Eerste vraag

18 Met zijn eerste vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 31, lid 1, van verordening 2015/848 aldus moet worden uitgelegd dat de verbintenissen die zijn uitgevoerd ten voordele van een schuldenaar die is onderworpen aan een insolventieprocedure, terwijl zij voor de insolventiefunctionaris van deze procedure hadden moeten worden uitgevoerd, ook de uitvoering omvatten van een verbintenis die voortvloeit uit een rechtshandeling die door de schuldenaar na de opening van de insolventieprocedure en na de overdracht van het beheer van het vermogen aan de insolventiefunctionaris is verricht.

19 Om deze vraag te beantwoorden, moet rekening worden gehouden met de bewoordingen van de bepaling, de context ervan en de doelstellingen die worden nagestreefd door de regeling waarvan zij deel uitmaakt.

20 Wat in de eerste plaats de bewoordingen betreft van artikel 31, lid 1, van verordening 2015/848, bepaalt dat artikel dat degene die in een lidstaat een verbintenis uitvoert ten voordele van de schuldenaar die is onderworpen aan een in een andere lidstaat geopende insolventieprocedure, terwijl hij die verbintenis had moeten uitvoeren voor de insolventiefunctionaris van die procedure, wordt bevrijd indien hij niet van de opening van de procedure op de hoogte was. Opgemerkt moet worden dat niets in de bewoordingen van deze bepaling erop wijst dat zij niet van toepassing is in het geval dat een verbintenis wordt uitgevoerd die voortvloeit uit een rechtshandeling die door een schuldenaar na de opening van de insolventieprocedure is verricht.

21 Wat in de tweede plaats de context van artikel 31, lid 1, van verordening 2015/848 betreft, heeft het Hof inderdaad geoordeeld dat het gaat om een bepaling van materieel recht die van toepassing is ongeacht de lex concursus (zie in die zin arrest van 19 september 2013, Van Buggenhout en Van de Mierop, C‑251/12, EU:C:2013:566, punt 23 ).

22 Die bepaling kan echter niet los worden begrepen van artikel 7 van deze verordening, dat bepaalt welk recht van toepassing is op de insolventieprocedure en op de gevolgen ervan. Uit artikel 7, lid 2, onder b) en m), van die verordening vloeit voort dat het recht van de lidstaat waar de procedure wordt geopend, bepaalt of de na de opening van deze procedure verkregen goederen tot de insolvente boedel behoren alsook of de voor de schuldeisers nadelige rechtshandelingen hun kunnen worden tegengeworpen.

23 Hieruit volgt dat de toepasselijkheid van artikel 31, lid 1, van die verordening op de uitvoering van een verbintenis die voortvloeit uit een rechtshandeling die door een schuldenaar na de opening van de insolventieprocedure is verricht, afhankelijk is van de rechtsregels van de lidstaat waar deze procedure wordt geopend die de tegenwerpbaarheid van rechtshandelingen betreffen.

24 Uit een contextuele uitlegging van artikel 31, lid 1, van verordening 2015/848 blijkt aldus dat de uitvoering van een verbintenis die voortvloeit uit een rechtshandeling die na de opening van de insolventieprocedure en de overdracht van de bevoegdheden aan de insolventiefunctionaris is verricht, onder het begrip „uitgevoerde verbintenis” in de zin van deze bepaling valt, mits een dergelijke rechtshandeling overeenkomstig het recht van de lidstaat waar de procedure is geopend, kan worden tegengeworpen aan de schuldeisers die partij zijn in die procedure.

25 Deze uitlegging wordt in de derde plaats bevestigd door de met artikel 31, lid 1, van verordening 2015/848 nagestreefde doelstelling. Uit overweging 81 van die verordening blijkt namelijk dat die bepaling tot doel heeft een derde te beschermen die, onwetend van de opening van een insolventieprocedure in een andere lidstaat, te goeder trouw veronderstelt dat de uitvoering van zijn verbintenis ten voordele van de schuldenaar een bevrijdend karakter heeft.

26 Zou worden erkend dat de uitvoering van een verbintenis die is gebaseerd op een rechtshandeling die niet kan worden tegengeworpen aan de schuldeisers die partij zijn in deze procedure, krachtens de wet van de lidstaat waar de procedure is geopend een bevrijdend karakter heeft, dan zou daarmee verder worden gegaan dan de door de Uniewetgever beoogde bescherming van de goede trouw van derden. In dat geval zou de derde namelijk beschermd worden tegen een eventuele vordering die de insolventiefunctionaris tegen hem zou instellen wegens ongerechtvaardigde verrijking. Een dergelijke uitlegging van artikel 31, lid 1, van verordening 2015/848 zou bovendien in strijd zijn met het beginsel dat uitzonderingen op de automatische erkenning van de gevolgen van een insolventieprocedure restrictief moeten worden uitgelegd (zie in die zin arrest van 18 april 2024, Luis Carlos e.a., C‑765/22 en C‑772/22, EU:C:2024:331, punt 74 ).

27 Bovendien zou een uitlegging die in strijd is met die welke in punt 24 van het onderhavige arrest is gegeven, de schuldenaar in staat stellen gemakkelijk goederen uit de insolvente boedel te halen door deze aan een derde te verkopen na de opening van de insolventieprocedure. Die uitlegging zou dus afbreuk doen aan een van de belangrijkste doelstellingen van verordening 2015/848, die in overweging 5 ervan is geformuleerd en die erin bestaat te verhinderen dat er prikkels voor partijen bestaan om ter verbetering van hun rechtspositie goederen van de ene lidstaat naar de andere over te brengen (zie naar analogie arrest van 19 september 2013, Van Buggenhout en Van de Mierop, C‑251/12, EU:C:2013:566, punt 35 ).

28 In casu bepaalt § 3, lid 1, van het insolventiewetboek dat rechtshandelingen van de schuldenaar na de opening van de insolventieprocedure die gevolgen hebben voor de insolvente boedel niet kunnen worden tegengeworpen aan de schuldeisers in deze procedure. Dit zou ertoe leiden dat de verkoopovereenkomst die door de schuldenaar met Auto1 is gesloten na de opening van de insolventieprocedure die op hem betrekking heeft, overeenkomstig het Oostenrijkse recht niet kan worden tegengeworpen, hetgeen ter beoordeling van de verwijzende rechter staat. Als dat het geval is, dan is artikel 31, lid 1, van verordening 2015/848 niet van toepassing.

29 Uit een en ander volgt dat op de eerste vraag moet worden geantwoord dat artikel 31, lid 1, van verordening 2015/848 aldus moet worden uitgelegd dat de verbintenissen die zijn uitgevoerd ten voordele van een schuldenaar die is onderworpen aan een insolventieprocedure, terwijl zij voor de insolventiefunctionaris van deze procedure hadden moeten worden uitgevoerd, ook de uitvoering omvatten van een verbintenis die voortvloeit uit een rechtshandeling die door de schuldenaar na de opening van de insolventieprocedure en na de overdracht van het beheer van het vermogen aan de insolventiefunctionaris is verricht, mits een dergelijke rechtshandeling overeenkomstig het recht van de lidstaat waar de procedure is geopend, kan worden tegengeworpen aan de schuldeisers die partij zijn in die procedure.

Tweede vraag

30 Gelet op het antwoord op de eerste vraag, hoeft de tweede vraag niet te worden beantwoord.

Kosten

31 Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.

Het Hof (Zevende kamer) verklaart voor recht:

Artikel 31, lid 1, van verordening (EU) 2015/848 van het Europees Parlement en de Raad van 20 mei 2015 betreffende insolventieprocedures

moet aldus worden uitgelegd dat

de verbintenissen die zijn uitgevoerd ten voordele van een schuldenaar die is onderworpen aan een insolventieprocedure, terwijl zij voor de insolventiefunctionaris van deze procedure hadden moeten worden uitgevoerd, ook de uitvoering omvatten van een verbintenis die voortvloeit uit een rechtshandeling die door de schuldenaar na de opening van de insolventieprocedure en na de overdracht van het beheer van het vermogen aan de insolventiefunctionaris is verricht, mits een dergelijke rechtshandeling overeenkomstig het recht van de lidstaat waar de procedure is geopend, kan worden tegengeworpen aan de schuldeisers die partij zijn in die procedure.

ondertekeningen