Home

Arrest van het Hof (Eerste kamer) van 11 december 2025

Arrest van het Hof (Eerste kamer) van 11 december 2025

Gegevens

Instantie
Hof van Justitie EU
Datum uitspraak
11 december 2025

Uitspraak

Voorlopige editie

ARREST VAN HET HOF (Eerste kamer)

11 december 2025 (*)

„ Prejudiciële verwijzing – Verdrag van Rome inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst – Artikel 6 – Arbeidsovereenkomst – Keuze van partijen – Dwingende bepalingen van het recht dat bij gebreke van een rechtskeuze van toepassing is – Vaststelling van dit recht – Plaats waar de arbeid gewoonlijk wordt verricht – Verandering van de plaats waar de arbeid gewoonlijk wordt verricht tijdens de arbeidsverhouding – Nauwere banden van de arbeidsovereenkomst met een ander land – Beoordelingscriteria – Inaanmerkingneming van de laatste plaats waar de arbeid gewoonlijk wordt verricht ”

In zaak C‑485/24,

betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de Cour de cassation (Frankrijk) bij beslissing van 10 juli 2024, ingekomen bij het Hof op 10 juli 2024, in de procedure

Locatrans Sàrl

tegen

ES,

wijst

HET HOF (Eerste kamer),

samengesteld als volgt: F. Biltgen, kamerpresident, I. Ziemele, A. Kumin (rapporteur), S. Gervasoni en M. Bošnjak, rechters,

advocaat-generaal: R. Norkus,

griffier: A. Calot Escobar,

gezien de stukken,

gelet op de opmerkingen van:

–        Locatrans Sàrl, vertegenwoordigd door O. Coudray, M. Grévy en G. Thouvenin, avocats,

–        ES, vertegenwoordigd door A. Lyon-Caen, T. Lyon-Caen en F. Thiriez, avocats,

–        de Franse regering, vertegenwoordigd door B. Dourthe en M. Guiresse als gemachtigden,

–        de Tsjechische regering, vertegenwoordigd door A. Pagáčová, M. Smolek en J. Vláčil als gemachtigden,

–        de Europese Commissie, vertegenwoordigd door S. Noë en W. Wils als gemachtigden,

gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 3 juli 2025,

het navolgende

Arrest

1        Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van de artikelen 3 en 6 van het Verdrag inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst, ter ondertekening opengesteld te Rome op 19 juni 1980 (PB 1980, L 266, blz. 1; hierna: „Verdrag van Rome”).

2        Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen Locatrans Sàrl en ES over verschillende schadevorderingen die ES heeft ingesteld tegen Locatrans, zijn voormalige werkgever, na de beëindiging van zijn arbeidsovereenkomst.

 Toepasselijke bepalingen

 Verdrag van Rome

3        Artikel 3, lid 1, van het Verdrag van Rome bepaalt:

„Een overeenkomst wordt beheerst door het recht dat de partijen hebben gekozen. De rechtskeuze moet uitdrukkelijk zijn gedaan of voldoende duidelijk blijken uit de bepalingen van de overeenkomst of de omstandigheden van het geval. Bij hun keuze kunnen de partijen het toepasselijke recht aanwijzen voor de overeenkomst in haar geheel of voor slechts een onderdeel daarvan.”

4        Artikel 6 van het Verdrag van Rome heeft het opschrift „Individuele arbeidsovereenkomsten” en luidt als volgt:

„1.      Ongeacht artikel 3 kan de rechtskeuze van partijen in een arbeidsovereenkomst er niet toe leiden dat de werknemer de bescherming verliest welke hij geniet op grond van de dwingende bepalingen van het recht dat ingevolge het tweede lid van het onderhavige artikel bij gebreke van een rechtskeuze op hem van toepassing zou zijn.

2.      Ongeacht artikel 4 wordt de arbeidsovereenkomst, bij gebreke van een rechtskeuze overeenkomstig artikel 3, beheerst door:

a)      het recht van het land waar de werknemer ter uitvoering van de overeenkomst gewoonlijk zijn arbeid verricht, zelfs wanneer hij tijdelijk in een ander land tewerk is gesteld, of

b)      het recht van het land waar zich de vestiging bevindt die de werknemer in dienst heeft genomen, wanneer deze niet in eenzelfde land gewoonlijk zijn arbeid verricht,

tenzij uit het geheel der omstandigheden blijkt dat de arbeidsovereenkomst nauwer is verbonden met een ander land, in welk geval het recht van dat andere land toepasselijk is.”

5        Artikel 2 van het Eerste Protocol betreffende de uitlegging door het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen van het Verdrag inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst, voor ondertekening opengesteld te Rome op 19 juni 1980 (PB 1989, L 48, blz. 1) bepaalt:

„Elke hiernagenoemde rechterlijke instantie kan het Hof van Justitie verzoeken, bij wijze van prejudiciële beslissing, een uitspraak te doen over een vraag die in een bij deze instantie aanhangige zaak aan de orde is gekomen en die betrekking heeft op de uitlegging van de in artikel 1 genoemde teksten, indien deze rechterlijke instantie een beslissing op dit punt noodzakelijk acht voor het wijzen van haar vonnis:

[...]

b)      de rechterlijke instanties van de verdragsluitende staten wanneer zij in beroep uitspraak doen.”

 Rome I-verordening

6        Verordening (EG) nr. 593/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 17 juni 2008 inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst (Rome I) (PB 2008 L 177, blz. 6; hierna: „Rome I-verordening”) heeft het Verdrag van Rome vervangen. Deze verordening is van toepassing op overeenkomsten die op of na 17 december 2009 zijn gesloten.

7        Artikel 8 van de Rome I-verordening heeft als opschrift „Individuele arbeidsovereenkomsten” en luidt als volgt:

„1.      Een individuele arbeidsovereenkomst wordt beheerst door het recht dat de partijen overeenkomstig artikel 3 hebben gekozen. Deze keuze mag er evenwel niet toe leiden dat de werknemer de bescherming verliest welke hij geniet op grond van bepalingen waarvan niet bij overeenkomst kan worden afgeweken op grond van het recht dat overeenkomstig de leden 2, 3 en 4 van dit artikel toepasselijk zou zijn geweest bij gebreke van een rechtskeuze.

2.      Voor zover het op een individuele arbeidsovereenkomst toepasselijke recht niet door de partijen is gekozen, wordt de overeenkomst beheerst door het recht van het land waar of, bij gebreke daarvan, van waaruit de werknemer ter uitvoering van de overeenkomst gewoonlijk zijn arbeid verricht. Het land waar de arbeid gewoonlijk wordt verricht wordt niet geacht te zijn gewijzigd wanneer de werknemer zijn arbeid tijdelijk in een ander land verricht.

3.      Indien het toepasselijke recht niet overeenkomstig lid 2 kan worden vastgesteld, wordt de overeenkomst beheerst door het recht van het land waar zich de vestiging bevindt die de werknemer in dienst heeft genomen.

4.      Indien uit het geheel der omstandigheden blijkt dat de overeenkomst een kennelijk nauwere band heeft met een ander dan het in lid 2 of lid 3 bedoelde land, is het recht van dat andere land van toepassing.”

 Executieverdrag

8        Het Verdrag van Brussel van 27 september 1968 betreffende de rechterlijke bevoegdheid en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (PB 1972, L 299, blz. 32), zoals gewijzigd bij de opeenvolgende verdragen betreffende de toetreding van de nieuwe lidstaten tot dit verdrag (hierna: „Executieverdrag”), bepaalt in artikel 5:

„De verweerder die woonplaats heeft op het grondgebied van een verdragsluitende staat, kan in een andere verdragsluitende staat voor de navolgende gerechten worden opgeroepen:

1.      ten aanzien van verbintenissen uit overeenkomst: voor het gerecht van de plaats waar de verbintenis die aan de eis ten grondslag ligt, is uitgevoerd of moet worden uitgevoerd; ten aanzien van individuele verbintenissen uit arbeidsovereenkomst is dit de plaats waar de werknemer gewoonlijk zijn arbeid verricht; wanneer de werknemer niet in eenzelfde land gewoonlijk zijn arbeid verricht, kan de werkgever tevens worden opgeroepen voor het gerecht van de plaats waar zich de vestiging bevindt of bevond die de werknemer in dienst heeft genomen;

[...]”

 Brussel I-verordening

9        Verordening (EG) nr. 44/2001 van de Raad van 22 december 2000 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (PB 2001, L 12, blz. 1), heeft het Executieverdrag vervangen.

10      Artikel 19 van deze verordening luidt:

„De werkgever met woonplaats op het grondgebied van een lidstaat kan voor de volgende gerechten worden opgeroepen:

1.      voor de gerechten van de lidstaat waar hij woonplaats heeft, of

2.      in een andere lidstaat:

a)      voor het gerecht van de plaats waar de werknemer gewoonlijk werkt of voor het gerecht van de laatste plaats waar hij gewoonlijk heeft gewerkt, of

b)      wanneer de werknemer niet in eenzelfde land gewoonlijk werkt of heeft gewerkt, voor het gerecht van de plaats waar zich de vestiging bevindt of bevond die de werknemer in dienst heeft genomen.”

 Brussel I bis-verordening

11      De Brussel I-verordening is ingetrokken en vervangen bij verordening (EU) nr. 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (PB 2012, L 351, blz. 1; hierna: „Brussel I bis-verordening”). Artikel 19 van de Brussel I-verordening is thans artikel 21 van de Brussel I bis-verordening.

 Hoofdgeding en prejudiciële vraag

12      Bij arbeidsovereenkomst van 15 oktober 2002 heeft Locatrans, een in Bettembourg (Luxemburg) gevestigde vervoersonderneming, ES als chauffeur in dienst genomen met een arbeidstijd van 166 uur per maand. In deze arbeidsovereenkomst was bepaald dat het Luxemburgse recht van toepassing was en dat de transportwerkzaamheden van ES hoofdzakelijk plaatsvonden in Duitsland, de Benelux, Italië, Spanje, Portugal en Oostenrijk.

13      Bij brief van 14 januari 2014 heeft Locatrans ES in kennis gesteld van haar besluit om diens arbeidstijd met ingang van 16 juli 2014 te verminderen tot 35 uur per week, wat neerkomt op een totaal van 151,55 uur per maand. ES heeft zich tegen deze wijziging verzet.

14      Bij brief van 31 maart 2014 heeft Locatrans ES erover geïnformeerd dat zij na onderzoek van de werkzaamheden in loondienst van ES over de laatste achttien maanden had vastgesteld dat hij een aanzienlijk deel van die werkzaamheden, namelijk meer dan 50 %, in Frankrijk verrichtte en dat zij bijgevolg verplicht was hem bij het Franse socialezekerheidsstelsel aan te sluiten.

15      Bij brief van 17 april 2014 heeft Locatrans tegenover ES het aanbod bevestigd om hem bij een Franse onderneming in dienst te laten treden en hem meegedeeld dat hij vanaf 16 juli 2014 niet langer deel zou uitmaken van het personeelsbestand van Locatrans omdat hij weigerde in te stemmen met de vermindering van zijn arbeidstijd.

16      Op 8 januari 2015 heeft ES bij de conseil de prud’hommes de Dijon (arbeidsrechter Dijon, Frankrijk) beroep ingesteld teneinde de beëindiging van zijn arbeidsovereenkomst te betwisten en verschillende schadevergoedingen te verkrijgen.

17      Bij vonnis van 4 april 2017 heeft deze rechterlijke instantie de vorderingen van ES afgewezen op grond dat het Luxemburgse recht van toepassing was op de uitvoering en de beëindiging van zijn arbeidsovereenkomst, dat het ontslag van ES duidelijk en ondubbelzinnig was en dat er geen reden was om dit ontslag te herkwalificeren als onrechtmatige beëindiging.

18      ES heeft tegen dit vonnis hoger beroep ingesteld bij de cour d’appel de Dijon (rechter in tweede aanleg Dijon, Frankrijk), die dat vonnis bij arrest van 2 mei 2019 heeft vernietigd.

19      De cour d’appel de Dijon heeft opgemerkt dat de partijen bij de betrokken arbeidsovereenkomst ervoor hadden gekozen om het Luxemburgse recht op de arbeidsverhouding toe te passen, maar dat Locatrans in de in punt 14 van het onderhavige arrest genoemde brief van 31 maart 2014 had erkend dat ES het grootste deel van zijn arbeid in Frankrijk had verricht, hetgeen ES heeft bevestigd. Gelet op artikel 6 van het Verdrag van Rome heeft deze rechterlijke instantie vastgesteld dat de keuze van partijen voor het Luxemburgse recht er niet toe kon leiden dat ES de bescherming werd ontnomen die hij genoot door de dwingende bepalingen van Frans recht en in het bijzonder die betreffende de wijziging en de beëindiging van de arbeidsovereenkomst.

20      Bijgevolg heeft de cour d’appel de Dijon de betrokken beëindiging van de arbeidsovereenkomst geherkwalificeerd als ontslag, vastgesteld dat dit ontslag niet berustte op een gewichtige reden en Locatrans ertoe veroordeeld verschillende schadevergoedingen aan ES te betalen.

21      Locatrans heeft tegen dat arrest cassatieberoep ingesteld bij de Cour de cassation (hoogste rechter in burgerlijke en strafzaken, Frankrijk).

22      Deze rechter brengt in herinnering dat volgens artikel 6, lid 1, van het Verdrag van Rome de rechtskeuze van partijen in een arbeidsovereenkomst er niet toe kan leiden dat de werknemer de waarborgen verliest waarin is voorzien door de dwingende bepalingen van het recht dat bij gebreke van een rechtskeuze van toepassing zou zijn. Hij merkt voorts op dat in artikel 6, lid 2, van dit verdrag de criteria voor aanknoping van de arbeidsovereenkomst ter bepaling van de lex contractus bij gebreke van een rechtskeuze door partijen worden genoemd, waarbij het criterium van artikel 6, lid 2, onder a), het criterium is van het land waar de werknemer „gewoonlijk zijn arbeid verricht”.

23      De verwijzende rechter zet tevens uiteen dat het Hof in zijn arrest van 15 maart 2011, Koelzsch (C‑29/10, EU:C:2011:151, punt 50) voor recht heeft verklaard dat deze laatste bepaling aldus moet worden uitgelegd dat in het geval waarin de werknemer zijn werkzaamheden in meer dan één verdragsluitende staat verricht, het land waar de werknemer ter uitvoering van de overeenkomst gewoonlijk zijn arbeid verricht in de zin van deze bepaling, het land is waar of van waaruit de werknemer, rekening gehouden met alle factoren die deze werkzaamheden kenmerken, het belangrijkste deel van zijn verplichtingen jegens zijn werkgever vervult.

24      In datzelfde arrest heeft het Hof ook verwezen naar zijn rechtspraak over de uitlegging van de criteria van artikel 5, lid 1, van het Executieverdrag, waaruit volgens de verwijzende rechter blijkt dat het Hof een eenduidige uitlegging wenst te geven aan de aanknopingscriteria op het gebied van jurisdictiegeschillen en wetsconflicten.

25      Over dit artikel 5, punt 1, heeft het Hof in het arrest van 27 februari 2002, Weber (C‑37/00, EU:C:2002:122), geoordeeld dat er bij een arbeidsovereenkomst ter uitvoering waarvan de werknemer voor zijn werkgever dezelfde werkzaamheden in meer dan één verdragsluitende staat verricht, in beginsel rekening moet worden gehouden met de volledige duur van de arbeidsverhouding om de plaats te bepalen waar de betrokkene gewoonlijk zijn arbeid verrichtte in de zin van deze bepaling. Niettemin moet het meest recente tijdvak van arbeid in aanmerking worden genomen ingeval de werknemer, na zijn arbeid gedurende zekere tijd op een bepaalde plaats te hebben verricht, zijn werkzaamheden duurzaam op een andere plaats verricht, wanneer die plaats, volgens de duidelijke wil van partijen, de nieuwe plaats moet worden waar de arbeid gewoonlijk wordt verricht in de zin van dit artikel 5, punt 1.

26      In het licht van deze rechtspraak vraagt de verwijzende rechter zich af of in het onderhavige geval ter bepaling van het recht dat bij gebreke van een rechtskeuze door partijen van toepassing zou zijn, de volledige duur van de arbeidsverhouding in aanmerking moet worden genomen om de plaats te bepalen waar de betrokkene gewoonlijk zijn arbeid verrichtte in de zin van artikel 6, lid 2, onder a), van het Verdrag van Rome, dan wel uitsluitend het meest recente tijdvak.

27      Deze rechter is van mening dat zelfs al is het criterium van de laatste plaats waar de werknemer gewoonlijk zijn arbeid verrichtte relevant om te bepalen tot welke rechter de werknemer zich kan wenden, aangezien hij dankzij dat criterium met minder moeite een gerechtelijke procedure kan aanspannen, het onzeker blijft of een dergelijke benadering ook moet worden gevolgd ter bepaling van het recht dat bij gebreke van een rechtskeuze van de partijen bij de arbeidsovereenkomst van toepassing zou zijn, aangezien een dergelijke benadering er met name toe kan leiden dat eenzelfde arbeidsovereenkomst achtereenvolgens aan verschillende dwingende wetten wordt onderworpen naargelang van de wijzigingen in de plaats waar de werknemer zijn arbeid verricht.

28      Tegen deze achtergrond heeft de Cour de cassation de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vraag:

„Moeten de artikelen 3 en 6 van het [Verdrag van Rome] aldus worden uitgelegd dat, in het geval waarin de werknemer dezelfde werkzaamheden ten behoeve van zijn werkgever in meer dan één verdragsluitende staat verricht, ter bepaling van het recht dat bij gebreke van een rechtskeuze van partijen van toepassing zou zijn, de volledige duur van de arbeidsverhouding in aanmerking moet worden genomen om de plaats te bepalen waar de betrokkene gewoonlijk zijn arbeid verrichtte, dan wel dat het meest recente tijdvak van arbeid in aanmerking moet worden genomen wanneer de werknemer, na zijn arbeid gedurende zekere tijd op een bepaalde plaats te hebben verricht, zijn werkzaamheden vervolgens duurzaam op een andere plaats verricht die volgens de duidelijke wil van partijen de nieuwe plaats moet worden waar de arbeid gewoonlijk wordt verricht?”

 Beantwoording van de prejudiciële vraag

29      Om te beginnen moet worden opgemerkt dat ES, zonder uitdrukkelijk de niet-ontvankelijkheid van de prejudiciële vraag op te werpen, de feitelijke premisse betwist waarop deze vraag berust door aan te voeren dat hij in werkelijkheid tijdens zijn arbeidsverhouding niet van werkplek is veranderd. Hem zou juist zijn opgedragen zijn transportwerkzaamheden op verschillende plaatsen uit te oefenen, maar met een belangrijke band met Frankrijk, welke feitelijke situatie Locatrans uiteindelijk pas bij de beëindiging van zijn arbeidsovereenkomst heeft bevestigd. De gestelde vraag is dus niet relevant.

30      In dit verband moet in herinnering worden gebracht dat artikel 267 VWEU volgens vaste rechtspraak een procedure van rechtstreekse samenwerking tussen het Hof en de rechterlijke instanties van de lidstaten tot stand brengt. In het kader van die procedure, die is gebaseerd op een duidelijke afbakening van de taken van de nationale rechterlijke instanties en van het Hof, behoort elke beoordeling van de feiten tot de bevoegdheid van de nationale rechter, die, gelet op de bijzonderheden van het geval, zowel de noodzaak van een prejudiciële beslissing voor het wijzen van zijn vonnis dient te beoordelen als de relevantie van de vragen die hij aan het Hof voorlegt, terwijl het Hof uitsluitend bevoegd is zich op basis van de door de nationale rechter omschreven feiten over de uitlegging of geldigheid van een Uniebepaling uit te spreken [zie in die zin arresten van 16 maart 1978, Oehlschläger, 104/77, EU:C:1978:69, punt 4, en 4 oktober 2024, Schrems (Mededeling van gegevens aan het grote publiek), C‑446/21, EU:C:2024:834, punt 42 en aldaar aangehaalde rechtspraak].

31      Bij de beantwoording van de gestelde vraag moet dus rekening worden gehouden met de daaraan ten grondslag liggende feiten zoals uiteengezet door de verwijzende rechter.

32      Met zijn vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of de artikelen 3 en 6 van het Verdrag van Rome aldus moeten worden uitgelegd dat wanneer een werknemer, na zijn arbeid gedurende zekere tijd op een bepaalde plaats te hebben verricht, zijn werkzaamheden op een andere plaats moet gaan verrichten die de nieuwe plaats moet worden waar deze werknemer gewoonlijk zijn arbeid verricht, deze laatste plaats in aanmerking moet worden genomen bij de bepaling van het recht dat bij gebreke van een rechtskeuze van de partijen van toepassing zou zijn.

33      Voor de beantwoording van deze vraag zij er om te beginnen aan herinnerd dat volgens de algemene regel van artikel 3 van het Verdrag van Rome de overeenkomst wordt beheerst door het recht dat partijen hebben gekozen.

34      In artikel 6 van het Verdrag van Rome zijn bijzondere collisieregels voor individuele arbeidsovereenkomsten opgenomen waarmee van deze algemene regel wordt afgeweken door in lid 1 van dit artikel beperkingen aan te brengen bij de mogelijkheden van partijen om het toepasselijke recht te kiezen en door in lid 2 ervan de criteria vast te stellen om te bepalen wat dit toepasselijke recht is bij gebreke van een dergelijke rechtskeuze.

35      Aldus kan volgens artikel 6, lid 1, van het Verdrag van Rome de rechtskeuze van partijen in een arbeidsovereenkomst die zij maken ingevolge artikel 3 van dit verdrag, er niet toe leiden dat de werknemer de bescherming verliest welke hij geniet op grond van de dwingende bepalingen van het recht dat ingevolge lid 2 van het onderhavige artikel bij gebreke van een rechtskeuze op hem van toepassing zou zijn.

36      Dit laatste lid noemt de criteria voor aanknoping van de arbeidsovereenkomst ter bepaling van de lex contractus bij gebreke van een rechtskeuze door partijen. Uit de verwijzing in artikel 6, lid 1, van het Verdrag van Rome naar lid 2 van dit artikel volgt evenwel dat de in dit laatste lid genoemde criteria ook relevant zijn wanneer de partijen het op de overeenkomst toepasselijke recht hebben gekozen. Ook in dat geval kan immers aan de hand van deze criteria worden bepaald welk recht van toepassing is teneinde de werknemers overeenkomstig artikel 6, lid 1, van het Verdrag van Rome de bescherming te waarborgen van de dwingende bepalingen van het recht dat volgens deze criteria van toepassing zou zijn. De aanwending van deze criteria kan dus tot gevolg hebben dat er een ander recht wordt toegepast dan het door de partijen bij de overeenkomst gekozen recht.

37      Deze criteria zijn het land waar de werknemer „gewoonlijk zijn arbeid verricht”, als bedoeld in artikel 6, lid 2, onder a), van het Verdrag van Rome, en, bij gebreke daarvan, het land van „de vestiging [...] die de werknemer in dienst heeft genomen”, als opgenomen in artikel 6, lid 2, onder b), van dit verdrag.

38      Bovendien wordt in de bewoordingen van het laatste zinsdeel van lid 2 bepaald dat deze twee aanknopingscriteria niet van toepassing zijn wanneer „uit het geheel der omstandigheden blijkt dat de arbeidsovereenkomst nauwer is verbonden met een ander land, in welk geval het recht van dat andere land toepasselijk is”.

39      Wanneer de rechter artikel 6 van het Verdrag van Rome moet toepassen, moet hij derhalve allereerst op basis van de specifieke aanknopingscriteria in lid 2, onder a) en b), van dit artikel, die beantwoorden aan het algemene vereiste van voorzienbaarheid van het recht en dus van rechtszekerheid in de contractuele verhoudingen, bepalen welk recht toepasselijk is (arrest van 12 september 2013, Schlecker, C‑64/12, EU:C:2013:551, punt 35 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

40      Wat in dit verband artikel 6, lid 2, onder a), van het Verdrag van Rome betreft, heeft het Hof geoordeeld dat het in deze bepaling bedoelde criterium van het land waar de werknemer „gewoonlijk zijn arbeid verricht” ruim moet worden uitgelegd, terwijl het in lid 2, onder b), van dat artikel bedoelde criterium van „de vestiging die de werknemer in dienst heeft genomen” toepassing zou moeten vinden wanneer de aangezochte rechter niet in staat is te bepalen in welk land de arbeid gewoonlijk wordt verricht (arresten van 15 maart 2011, Koelzsch, C‑29/10, EU:C:2011:151, punt 43, en 15 december 2011, Voogsgeerd, C‑384/10, EU:C:2011:842, punt 35).

41      In het geval van een werknemer die zijn werkzaamheden in meer dan één verdragsluitende staat verricht, dient het in dit artikel 6, lid 2, onder a), genoemde criterium dus ook te worden toegepast wanneer het voor de aangezochte rechter mogelijk is te bepalen met welke staat de arbeid een duidelijk aanknopingspunt heeft (arresten van 15 maart 2011, Koelzsch, C‑29/10, EU:C:2011:151, punt 44, en 15 december 2011, Voogsgeerd, C‑384/10, EU:C:2011:842, punt 36).

42      In een dergelijk geval moet het criterium van het land waar de arbeid gewoonlijk wordt verricht, aldus worden opgevat dat het verwijst naar de plaats waar of van waaruit de werknemer daadwerkelijk zijn beroepswerkzaamheden verricht, en bij gebreke van een centrum van de werkzaamheden naar de plaats waar hij het grootste deel van zijn werkzaamheden verricht (arresten van 15 maart 2011, Koelzsch, C‑29/10, EU:C:2011:151, punt 45, en 15 december 2011, Voogsgeerd, C‑384/10, EU:C:2011:842, punt 37).

43      Opgemerkt zij echter dat het in de zaken die hebben geleid tot de arresten van 15 maart 2011, Koelzsch (C‑29/10, EU:C:2011:151), en 15 december 2011, Voogsgeerd (C‑384/10, EU:C:2011:842), beide keren ging om een werknemer die zijn werkzaamheden gedurende de gehele arbeidsverhouding in meer dan één verdragsluitende staat uitvoerde en voor wie het aanknopingscriterium tot een enkele plaats leidde waar de arbeid gewoonlijk werd verricht. Gelet op de feiten zoals die door de verwijzende rechter zijn beschreven, heeft het hoofdgeding daarentegen betrekking op de situatie van een werknemer die eveneens in meerdere staten werkzaam was, maar voor wie de plaats waar de arbeid gewoonlijk werd verricht, gedurende het laatste deel van de tijd waarin hij zijn arbeidsovereenkomst uitvoerde, naar het grondgebied van een andere verdragsluitende staat is verplaatst.

44      Met betrekking tot een situatie als die in het vorige punt genoemd, moet worden vastgesteld dat de bewoordingen van artikel 6, lid 2, onder a), van het Verdrag van Rome geen enkele precisering geven over de periode van de arbeidsverhouding die in aanmerking moet worden genomen om te bepalen in welk land de werknemer gewoonlijk zijn arbeid verricht in de zin van deze bepaling. Bij gebreke van een dergelijke precisering moet voor deze vaststelling dus rekening worden gehouden met de arbeidsverhouding in haar geheel.

45      Wanneer er zich tijdens de arbeidsverhouding in haar geheel een verandering heeft voorgedaan in de plaats waar de arbeid gewoonlijk wordt verricht, kan er geen land in de zin van artikel 6, lid 2, onder a), van het Verdrag van Rome worden aangewezen.

46      In deze context wenst de verwijzende rechter te vernemen of het criterium van het land waar de werknemer „gewoonlijk zijn arbeid verricht” in de zin van artikel 6, lid 2, onder a), van het Verdrag van Rome, op dezelfde manier kan worden uitgelegd als de „plaats waar de werknemer gewoonlijk zijn arbeid verricht” in artikel 5, punt 1, van het Executieverdrag, zoals uitgelegd door het Hof in zijn arrest van 27 februari 2002, Weber (C‑37/00, EU:C:2002:122).

47      De verwijzende rechter zet uiteen dat het Hof in dit laatste verband voor recht heeft verklaard dat er, met betrekking tot een arbeidsovereenkomst ter uitvoering waarvan de werknemer voor zijn werkgever dezelfde werkzaamheden in meer dan één verdragsluitende staat verricht, in beginsel rekening moet worden gehouden met de volledige duur van de arbeidsverhouding om de plaats te bepalen waar de betrokkene gewoonlijk zijn arbeid verricht in de zin van dit artikel 5, punt 1 (arrest van 27 februari 2002, Weber, C‑37/00, EU:C:2002:122, punt 58). Evenwel moet het meest recente tijdvak van arbeid in aanmerking worden genomen ingeval de werknemer, na zijn arbeid gedurende zekere tijd op een bepaalde plaats te hebben verricht, zijn werkzaamheden vervolgens duurzaam op een andere plaats verricht, wanneer die plaats, volgens de duidelijke wil van partijen, een nieuwe plaats moet worden waar de arbeid gewoonlijk wordt verricht in de zin van dit artikel 5, punt 1 (arrest van 27 februari 2002, Weber, C‑37/00, EU:C:2002:122, punt 54).

48      In dit verband is het juist dat het Hof in punt 33 van zijn arrest van 15 maart 2011, Koelzsch (C‑29/10, EU:C:2011:151), heeft verwezen naar de uitlegging van artikel 5, punt 1, van het Executieverdrag voor de uitlegging van artikel 6, lid 2, van het Verdrag van Rome.

49      Hoewel het zeker wenselijk is dat de materiële werkingssfeer en de bepalingen van het Verdrag van Rome ten opzichte van het Executieverdrag coherent zijn, hoeven deze bepalingen niet te worden uitgelegd in het licht van die van het Executieverdrag (zie in die zin arrest van 3 oktober 2019, Petruchová, C‑208/18, EU:C:2019:825, punt 63 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

50      De doelstellingen van het Verdrag van Rome en het Executieverdrag zijn namelijk verschillend. Terwijl de bepalingen van het Verdrag van Rome, overeenkomstig artikel 1, lid 1, ervan, van toepassing zijn op verbintenissen uit overeenkomst in gevallen waarin uit het recht van verschillende landen moet worden gekozen, teneinde te bepalen welk materieel recht van toepassing is, stelt het Executieverdrag regels vast aan de hand waarvan kan worden bepaald welke rechterlijke instantie bevoegd is om uitspraak te doen in een geschil in burgerlijke en handelszaken.

51      Hoewel beide verdragen normen op het gebied van individuele arbeidsovereenkomsten bevatten die de werknemer als zwakkere partij in de contractuele verhouding bescherming bieden, is het dus niet altijd mogelijk om de uitlegging van de bepalingen van het ene verdrag toe te passen op die van het andere verdrag.

52      Het is met name niet haalbaar om het criterium van het land waar de werknemer „gewoonlijk zijn arbeid verricht” in de zin van artikel 6, lid 2, onder a), van het Verdrag van Rome uit te leggen naar analogie van de uitlegging die het Hof in zijn arrest van 27 februari 2002, Weber (C‑37/00, EU:C:2002:122), heeft gegeven aan het criterium van de „plaats waar de werknemer gewoonlijk zijn arbeid verricht” in de zin van artikel 5, punt 1, van het Executieverdrag.

53      Er zij namelijk op gewezen dat dit artikel 5, punt 1, aanvankelijk artikel 19 van de Brussel I-verordening is geworden en vervolgens artikel 21 van de Brussel I bis-verordening, waarbij in deze laatste bepalingen uitdrukkelijk wordt verwezen naar zowel de „plaats waar de werknemer gewoonlijk werkt” als de „laatste plaats waar hij gewoonlijk heeft gewerkt”. Artikel 6 van het Verdrag van Rome is daarentegen artikel 8 van de Rome I-verordening geworden, dat geen dergelijk onderscheid maakt, aangezien de Uniewetgever ervan heeft afgezien deze bepaling aan artikel 19 van de Brussel I-verordening aan te passen.

54      Aangezien niet kan worden bepaald in welk land de werknemer gewoonlijk zijn arbeid verricht in de zin van artikel 6, lid 2, onder a), van het Verdrag van Rome, moet dus worden uitgegaan van het criterium van „de vestiging [...] die de werknemer in dienst heeft genomen”, als bedoeld in artikel 6, lid 2, onder b), van het Verdrag van Rome, die zich in casu in Bettembourg bevindt.

55      Overeenkomstig artikel 6, lid 2, laatste zinsdeel, van het Verdrag van Rome moet de nationale rechter, wanneer uit het geheel der omstandigheden blijkt dat de arbeidsovereenkomst nauwer verbonden is met een ander land, echter de aanknopingscriteria van artikel 6, lid 2, onder a) en onder b), van het Verdrag van Rome buiten toepassing laten en het recht van dat andere land toepassen (zie arrest van 12 september 2013, Schlecker, C‑64/12, EU:C:2013:551, punt 36). Hetzelfde geldt wanneer de partijen, zoals in casu, in de overeenkomst een bepaald recht hebben gekozen, indien dit de werknemer de bescherming ontneemt van de dwingende bepalingen van dat andere recht.

56      Daartoe dient de nationale rechter rekening te houden met alle factoren die de arbeidsverhouding kenmerken en te bepalen welke factor of factoren daarvan volgens hem het zwaarste wegen. Tot die factoren behoren met name het land waar de werknemer belastingen en heffingen op inkomsten uit arbeid betaalt en het land waar hij aangesloten is bij de sociale zekerheid en bij de verschillende pensioen-, ziekteverzekerings‑ en invaliditeitsregelingen. De nationale rechter dient eveneens rekening te houden met alle omstandigheden van de zaak, zoals met name de criteria betreffende de vaststelling van het salaris en de andere arbeidsvoorwaarden (zie in die zin arrest van 12 september 2013, Schlecker, C‑64/12, EU:C:2013:551, punten 40 en 41).

57      In dit verband vormt de plaats waar de werknemer zijn arbeid heeft verricht gedurende het laatste deel van de tijd waarin hij zijn arbeidsovereenkomst uitvoerde en die bedoeld is om een nieuwe plaats te worden waar de arbeid gewoonlijk wordt verricht, een relevante factor waarmee rekening moet worden gehouden bij het onderzoek van alle omstandigheden zoals dat plaatsvindt op grond van artikel 6, lid 2, laatste zinsdeel van het Verdrag van Rome.

58      Deze uitlegging van artikel 6, lid 2, laatste zinsdeel, van het Verdrag van Rome is in overeenstemming met de doelstellingen van deze bepaling en van dat verdrag in zijn geheel.

59      Aangezien ten eerste de doelstelling van artikel 6 van het Verdrag van Rome is om de werknemer een passende bescherming te bieden, moet deze bepaling verzekeren dat op de arbeidsovereenkomst het recht van het land wordt toegepast waarmee deze overeenkomst de nauwste banden schept (arrest van 12 september 2013, Schlecker, C‑64/12, EU:C:2013:551, punt 34).

60      Het is in overeenstemming met deze doelstelling om bij het onderzoek van alle omstandigheden krachtens artikel 6, lid 2, laatste zinsdeel, van dat verdrag, als een van de relevante factoren rekening te houden met de plaats waar de werknemer zijn arbeid heeft verricht gedurende het laatste deel van de tijd waarin hij zijn arbeidsovereenkomst uitvoerde en die bedoeld is om een nieuwe plaats te worden waar de arbeid gewoonlijk wordt verricht.

61      Ten tweede is het doel van het Verdrag van Rome in zijn geheel om meer rechtszekerheid te bieden door het vertrouwen in de bestendigheid van de verhoudingen tussen de contractspartijen te versterken, hetgeen veronderstelt dat het systeem ter bepaling van het toepasselijke recht duidelijk is en met een bepaalde mate van zekerheid kan worden voorzien welk recht toepasselijk is (zie in die zin arrest van 6 oktober 2009, ICF, C‑133/08, EU:C:2009:617, punt 44).

62      In dit verband moet worden opgemerkt dat de toepassing van het aanknopingscriterium van artikel 6, lid 2, laatste zinsdeel, van het Verdrag van Rome, overeenkomstig het vereiste van rechtszekerheid en voorzienbaarheid op objectieve gegevens moet berusten. Van een dergelijk objectief vast te stellen gegeven is sprake ingeval de werknemer, na zijn arbeid gedurende zekere tijd op een bepaalde plaats te hebben verricht, zijn werkzaamheden duurzaam op een andere plaats verricht die een nieuwe plaats moet worden waar de arbeid gewoonlijk wordt verricht.

63      In het onderhavige geval staat het dus aan de verwijzende rechter om vast te stellen of overeenkomstig artikel 6, lid 2, laatste zinsdeel van het Verdrag van Rome uit alle omstandigheden blijkt dat de in het hoofdgeding aan de orde zijnde arbeidsovereenkomst nauwer is verbonden met Frankrijk dan met Luxemburg, waarvan het recht door partijen is gekozen als het op deze overeenkomst toepasselijke recht en op het grondgebied waarvan de vestiging is gelegen die ES in dienst heeft genomen. In het kader van dit onderzoek moet rekening worden gehouden met alle factoren die de arbeidsverhouding kenmerken, zoals de laatste plaats waar ES zijn arbeid gewoonlijk verrichtte en de verplichting tot aansluiting bij de Franse sociale zekerheid.

64      Gelet op een en ander moet op de gestelde vraag worden geantwoord dat de artikelen 3 en 6 van het Verdrag van Rome, en met name het laatste zinsdeel van artikel 6, lid 2, aldus moeten worden uitgelegd dat wanneer een werknemer, na zijn arbeid gedurende zekere tijd op een bepaalde plaats te hebben verricht, zijn werkzaamheden op een andere plaats moet gaan verrichten die de nieuwe plaats moet worden waar deze werknemer gewoonlijk zijn arbeid verricht, deze laatste plaats in aanmerking moet worden genomen bij het onderzoek van alle omstandigheden ter bepaling van het recht dat bij gebreke van een rechtskeuze van de partijen van toepassing zou zijn.

 Kosten

65      Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.

Het Hof (Eerste kamer) verklaart voor recht:

De artikelen 3 en 6 van het Verdrag inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst, ter ondertekening opengesteld te Rome op 19 juni 1980, en met name het laatste zinsdeel van artikel 6, lid 2,

moeten aldus worden uitgelegd dat

wanneer een werknemer, na zijn arbeid gedurende zekere tijd op een bepaalde plaats te hebben verricht, zijn werkzaamheden op een andere plaats moet gaan verrichten die de nieuwe plaats moet worden waar deze werknemer gewoonlijk zijn arbeid verricht, deze laatste plaats in aanmerking moet worden genomen bij het onderzoek van alle omstandigheden ter bepaling van het recht dat bij gebreke van een rechtskeuze van de partijen van toepassing zou zijn.

ondertekeningen