Home

Arrest van het Hof (Achtste kamer) van 22 januari 2026

Arrest van het Hof (Achtste kamer) van 22 januari 2026

Gegevens

Instantie
Hof van Justitie EU
Datum uitspraak
22 januari 2026

Uitspraak

Voorlopige editie

ARREST VAN HET HOF (Achtste kamer)

22 januari 2026 (*)

„ Prejudiciële verwijzing – Procedures voor het plaatsen van overheidsopdrachten – Richtlijn 2014/23 – Plaatsen van concessieovereenkomsten – Richtlijn 2014/24 – Uitsluitingsgronden – Nationale regeling tot instelling van een register van partners van de publieke sector – Vereiste van onpartijdigheid van de persoon die bevoegd is om te zorgen voor de inschrijving van de partner van de publieke sector in dat register – Oplegging van een geldboete wegens niet-inachtneming van dit vereiste – Automatische uitsluiting van deelname aan overheidsopdrachten in geval van niet-betaling van deze boete – Artikel 49 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie – Strafrechtelijk karakter van de sanctie – Voorzienbaarheid en evenredigheid van de sanctie – Rechtzekerheidsbeginsel ”

In zaak C‑590/24,

betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de Najvyšší súd Slovenskej republiky (hoogste rechterlijke instantie van de Slowaakse Republiek) bij beslissing van 3 september 2024, ingekomen bij het Hof op 10 september 2024, in de strafzaak tegen

AK Dlhopolec s.r.o.,

MABONEX SLOVAKIA spol. s r.o.,

A. B.,

X. Y.,

wijst

HET HOF (Achtste kamer),

samengesteld als volgt: O. Spineanu-Matei, kamerpresident, C. Lycourgos (rapporteur), president van de Derde kamer, waarnemend rechter van de Achtste kamer, en S. Rodin, rechter,

advocaat-generaal: J. Kokott,

griffier: A. Calot Escobar,

gezien de stukken,

gelet op de opmerkingen van:

–        X. Y., A. B., AK Dlhopolec s.r.o., MABONEX SLOVAKIA spol. s r.o., vertegenwoordigd door Z. Klúzová, advokátka,

–        de Slowaakse regering, vertegenwoordigd door E. V. Larišová en A. Lukáčik als gemachtigden,

–        de Europese Commissie, vertegenwoordigd door A. Biolan, R. Lindenthal en G. Wils als gemachtigden,

gelet op de beslissing, de advocaat-generaal gehoord, om de zaak zonder conclusie te berechten,

het navolgende

Arrest

1        Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van de artikelen 26, 49 en 114 VWEU, artikel 49 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: „Handvest”), de artikelen 3, 38 en 41 van richtlijn 2014/23/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 februari 2014 betreffende het plaatsen van concessieovereenkomsten (PB 2014, L 94, blz. 1), de artikelen 57 en 58 van richtlijn 2014/24/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 februari 2014 betreffende het plaatsen van overheidsopdrachten en tot intrekking van richtlijn 2004/18/EG (PB 2014, L 94, blz. 65), en het rechtszekerheidsbeginsel.

2        Dit verzoek is ingediend in het kader van een procedure tot oplegging van een geldboete aan AK Dlhopolec, s.r.o. (hierna: „Dlhopolec”), aan MABONEX SLOVAKIA spol. s r.o. (hierna: „ Mabonex Slovakia”), aan A. B. en aan X. Y., bestuurders van Mabonex Slovakia (hierna samen: „Dlhopolec e.a.”), wegens een inbreuk die zou zijn gepleegd bij de inschrijving in Slowakije van Mabonex Slovakia in het register van partners van de publieke sector (hierna: „RPPS”).

 Toepasselijke bepalingen

 Unierecht

 Handvest

3        Artikel 49, leden 1 en 3, van het Handvest luidt:

„1.      Niemand mag worden veroordeeld wegens een handelen of nalaten dat geen strafbaar feit naar nationaal of internationaal recht uitmaakte ten tijde van het handelen of nalaten. Evenmin mag een zwaardere straf worden opgelegd dan die, die ten tijde van het begaan van het strafbare feit van toepassing was. Indien de wet na het begaan van het strafbare feit in een lichtere straf voorziet, is die van toepassing.

[...]

3.      De zwaarte van de straf mag niet onevenredig zijn aan het strafbare feit.”

 Richtlijn 2014/23

4        Artikel 3 van richtlijn 2014/23 heeft als opschrift „Beginsel van gelijke behandeling, non-discriminatie en transparantie” en bepaalt:

„1.      Aanbestedende diensten en aanbestedende instanties behandelen ondernemers op gelijke wijze zonder te discrimineren, en handelen op transparante en evenredige wijze.

Procedures voor het gunnen van concessies, met inbegrip van de raming van de waarde, worden niet opgezet met het doel deze buiten het toepassingsgebied van deze richtlijn te houden of bepaalde ondernemers of bepaalde werken, leveringen of diensten onrechtmatig te bevoordelen of te benadelen.

2.      Aanbestedende diensten en aanbestedende instanties streven ernaar de transparantie van de gunningsprocedure en van de uitvoering van de overeenkomst te waarborgen, waarbij zij tegelijkertijd voldoen aan artikel 28.”

5        Artikel 38 van deze richtlijn heeft als opschrift „Selectie en kwalitatieve beoordeling van gegadigden” en bevat onder meer de gronden voor uitsluiting van procedures voor de gunning van concessies.

6        Artikel 41 van die richtlijn stelt de criteria voor de gunning van concessies vast.

 Richtlijn 2014/24

7        Artikel 18, lid 1, van richtlijn 2014/24 bepaalt dat aanbestedende diensten ondernemers op gelijke en niet-discriminerende wijze behandelen en op een transparante en proportionele wijze handelen.

8        Artikel 57 van richtlijn 2014/24 stelt met name de gronden vast waarop een ondernemer kan worden uitgesloten van deelname aan een aanbestedingsprocedure. Artikel 58 van deze richtlijn bevat de selectiecriteria voor de deelname aan een dergelijke procedure.

 Slowaaks recht

 Wet RPPS

9        § 13, lid 1, van de zákon č. 315/2016 Z. z. o registri partnerov verejného sektora a o zmene a doplnení niektorých zákonov (wet nr. 315/2016 betreffende het register van partners van de publieke sector en tot wijziging en aanvulling van bepaalde wetten) van 25 oktober 2016, in de op het hoofdgeding toepasselijke versie (hierna: „wet RPPS”), bepaalt:

„1.      Indien in het verzoek tot inschrijving [in het RPPS] onjuiste of onvolledige gegevens van de uiteindelijke begunstigde of van de werknemers in de publieke sector in de zin van § 4, lid 4, onder f), worden vermeld, of niet is voldaan aan de verplichting om binnen de in § 9, lid 1, gestelde termijn een verzoek tot wijziging van de [in het RPPS] opgenomen gegevens van de uiteindelijke begunstigde in te dienen, dan wel het in § 19 bedoelde verbod wordt geschonden, legt de registratieautoriteit op:

a)      aan de partner van de publieke sector: een geldboete ten belope van het bedrag van het economische voordeel dat de partner van de publieke sector heeft behaald; indien het economische voordeel niet kan worden gekwantificeerd, legt de registratieautoriteit een geldboete ten belope van een bedrag tussen 10 000 EUR en 1 000 000 EUR op;

b)      aan de persoon die ten tijde van de niet-nakoming van de in de aanhef bedoelde verplichting een statutair orgaan is of aan de leden van een statutair orgaan van de partner van de publieke sector: een geldboete ten belope van een bedrag tussen 10 000 EUR en 100 000 EUR; leden van het statutair orgaan zijn hoofdelijk aansprakelijk voor de betaling van de in de voorgaande zin bedoelde geldboete.

[...]”

10      Volgens § 13, lid 2, van deze wet haalt de registratieautoriteit de inschrijving van de partner van de publieke sector in het RPPS door wanneer zij een definitief geworden geldboete heeft opgelegd wegens het niet-voldoen aan de verplichting om binnen de wettelijke termijn een verzoek tot wijziging van de in dat register opgenomen gegevens betreffende de uiteindelijke begunstigde in te dienen, dan wel wegens schending van het in § 19 vervatte verbod, en deze geldboete niet in de door de bevoegde rechter gestelde termijn is betaald.

11      Overeenkomstig § 13, lid 4, van de wet RPPS legt de registratieautoriteit een geldboete ten belope van een bedrag tussen de 10 000 EUR en 100 000 EUR op aan de bevoegde persoon indien deze het in § 19 van de wet RPPS bedoelde verbod schendt.

12      Volgens § 13, lid 5, eerste volzin, van de wet RPPS staat de bevoegde persoon in voor de betaling van de geldboete die is opgelegd aan een persoon die fungeert als statutair orgaan van de partner van de publieke sector.

13      Conform § 13, lid 6, van de wet RPPS houdt de registratieautoriteit bij het opleggen van een geldboete inzonderheid rekening met de aard, de ernst, de omstandigheden en de gevolgen van de inbreuk.

14      § 13a van deze wet verbiedt de latere inschrijving van een partner van de publieke sector in het RPPS gedurende een periode van twee jaar te rekenen vanaf de datum waarop hij uit dat register is geschrapt.

15      Volgens § 14 van de wet RPPS is een beslissing tot het opleggen van een geldboete op de in § 13, lid 2, van deze wet genoemde gronden tegelijkertijd een beslissing tot uitsluiting in de zin van § 13a van de Obchodný zakonnik (wetboek van koophandel). De uitsluiting is van toepassing op het statutair orgaan of de leden van een statutair orgaan van de partner van de publieke sector die in het RPPS is doorgehaald. De beslissing tot uitsluiting heeft tot gevolg dat het de uitgesloten leden van het statutair orgaan gedurende een periode van drie jaar vanaf de datum waarop de beslissing definitief is geworden niet is toegestaan te fungeren als leden van het statutair of toezichthoudend orgaan van enige handelsvennootschap of coöperatie.

16      Krachtens § 15 van deze wet is een entiteit van de publieke sector die als partij bij een overeenkomst financiële middelen of goederen, rechten op een goed of andere vermogensrechten aan de partner van de publieke sector verschaft, gerechtigd om de overeenkomst op te zeggen per de datum waarop de beslissing tot oplegging van de geldboete definitief is geworden.

17      Volgens § 19, onder c), van deze wet is het „de bevoegde persoon niet toegestaan handelingen zoals bedoeld in deze wet te verrichten indien [...] hij enige betrekkingen heeft met de partner van de publieke sector of leden van diens organen die twijfel kunnen doen rijzen over zijn onpartijdigheid, in het bijzonder indien die betrekkingen van persoonlijke of vermogensrechtelijke aard zijn; betrekkingen tussen de bevoegde persoon en de partner van de publieke sector in het kader van de door de bevoegde persoon uit hoofde van bijzondere wetsbepalingen verrichte handelingen zijn geen betrekkingen die twijfel kunnen doen rijzen over de onpartijdigheid van de bevoegde persoon”.

 Wet inzake overheidsopdrachten

18      Overeenkomstig artikel 11, lid 1, van zákon č. 343/2015 Z. z. o verejnom obstarávaní a o zmene a doplnení niektorých zákonov (wet nr. 343/2015 inzake de plaatsing van overheidsopdrachten en tot wijziging en aanvulling van bepaalde wetten) van 18 november 2015, in de op het hoofdgeding toepasselijke versie (hierna: „wet inzake overheidsopdrachten”), vormt de inschrijving in het RPPS een voorwaarde voor een marktdeelnemer om als inschrijver of als onderaannemer van een inschrijver te kunnen deelnemen aan een openbare aanbestedingsprocedure.

 Hoofdgeding en prejudiciële vragen

19      De wet RPPS vereist de inschrijving in dat register van natuurlijke personen of rechtspersonen die vermogensrechtelijke betrekkingen met de publieke sector wensen aan te gaan en die als gevolg daarvan financiële middelen (inclusief Europese middelen) ontvangen, met name door met de publieke sector een overeenkomst te sluiten waarvan de waarde van de prestaties de bij deze wet vastgestelde drempels overschrijdt. Als „partner van de publieke sector” wordt in die wet eenieder aangemerkt die dergelijke vermogensrechtelijke betrekkingen wenst aan te gaan met de verschillende entiteiten die tot de publieke sector behoren. Een van de gegevens die in het RPPS moet worden geregistreerd, betreft de uiteindelijke begunstigde van de partner van de publieke sector. De wet RPPS heeft namelijk tot doel de transparantie van de door de publieke sector aangegane rechtsbetrekkingen te waarborgen door te verzekeren dat de eigendoms- en beheersstructuren van de entiteiten die economische betrekkingen met die sector hebben openbaar worden gemaakt.

20      Met het oog op zijn inschrijving in het RPPS moet de partner van de publieke sector zich wenden tot een „bevoegde persoon”, te weten een onafhankelijke persoon (met name een advocaat of een notaris) die met de nodige zorgvuldigheid handelt, die de identificatie van de uiteindelijke begunstigde van die partner van de publieke sector moet controleren en die na die verificatie om inschrijving van die partner bij het RPPS zal verzoeken.

21      Bij beslissingen van 3 oktober 2022 en 21 februari 2023 heeft de Okresný súd Žilina (rechter in eerste aanleg Žilina, Slowakije) op grond van § 13 van de wet RPPS een geldboete van 20 000 EUR opgelegd aan Mabonex Slovakia als „partner van de publieke sector”; een geldboete van 10 000 EUR aan de bestuurders A. B. en X. Y., die namens die vennootschap als statutair orgaan optraden en die voor de betaling ervan hoofdelijk aansprakelijk zijn, en een geldboete van 20 000 EUR aan Dlhopolec als „bevoegde persoon”.

22      Deze rechter was van oordeel dat er – gelet op de bestaande relatie tussen een van de bestuurders van de partner van de publieke sector en de bestuurder van de bevoegde persoon, die vennoten en bestuurders van een derde vennootschap waren – objectieve elementen bestonden die twijfel konden doen rijzen over de onpartijdigheid van de bevoegde persoon in de zin van § 19, onder c), van de wet RPPS.

23      Dlhopolec e.a. hebben tegen deze beslissingen beroep ingesteld bij de Krajský súd v Žiline (rechter in tweede aanleg Žilina, Slowakije), die hun beroep bij beslissing van 18 juli 2023 heeft verworpen. Zij hebben daarop cassatieberoep tegen deze uitspraak ingesteld bij de Najvyšší súd Slovenskej republiky (hoogste rechterlijke instantie van de Slowaakse Republiek), de verwijzende rechter.

24      Deze rechter zet ten eerste uiteen dat de rechter in eerste aanleg en de rechter in hoger beroep zich voor het onderzoek van de onpartijdigheid van de bevoegde persoon hebben laten leiden door de rechtspraak over de beoordeling van de onpartijdigheid van rechters in procedures betreffende hun wraking.

25      Ten tweede preciseert hij dat, hoewel het cassatieberoep ertoe strekt de rechtmatigheid van de krachtens § 13 van de wet RPPS opgelegde geldboete te betwisten, ook rekening moet worden gehouden met de andere rechtsgevolgen die een dergelijke sanctie kan hebben voor de partner van de publieke sector, de personen die als statutair orgaan optreden en de bevoegde persoon.

26      De partner van de publieke sector wordt namelijk in het RPPS doorgehaald wanneer de hem opgelegde geldboete definitief is geworden en niet binnen de door de bevoegde rechter gestelde termijn is betaald. Bovendien is de bevoegde persoon hoofdelijk aansprakelijk voor de betaling van de geldboete die is opgelegd aan de persoon die als statutair orgaan van de partner van de publieke sector optreedt. Voorts kan de eventuele doorhaling van de partner van de publieke sector in het RPPS inhouden dat het voor de betrokkenen gedurende een periode van drie jaar verboden is op te treden als leden van het statutair orgaan van een vennootschap. Ten slotte is de entiteit van de publieke sector, die financiële middelen of goederen aan een partner van de publieke sector verschaft, gerechtigd om de met de partner van de publieke sector gesloten overeenkomst op te zeggen per de datum waarop de beslissing tot het opleggen van een geldboete definitief is geworden.

27      Ten derde merkt de verwijzende rechter op dat de inschrijving in het RPPS overeenkomstig § 11, lid 1, van de wet inzake overheidsopdrachten voor een marktdeelnemer een voorwaarde vormt om als inschrijver of als onderaannemer van een inschrijver te kunnen deelnemen aan een openbare aanbestedingsprocedure. Aangezien deze wet met name de richtlijnen 2014/23 en 2014/24 in Slowaaks recht heeft omgezet en zowel van toepassing is op de plaatsing van overheidsopdrachten waarvan de geraamde waarde de in deze richtlijnen vastgestelde drempels overschrijdt als op de plaatsing van overheidsopdrachten waarvan de waarde deze drempels niet overschrijdt, valt de kwestie van de inschrijving of eventuele doorhaling van een partner van de publieke sector in het RPPS rechtstreeks binnen de werkingssfeer van de Unierechtelijke regels voor het plaatsen van overheidsopdrachten.

28      Ten vierde merkt deze rechter op dat een natuurlijke of rechtspersoon bij gebreke van inschrijving in het RPPS of gedurende een periode van twee jaar vanaf de doorhaling in dat register bij wijze van sanctie geen vermogensrechtelijke betrekkingen met de publieke sector mag aangaan, geen Europese middelen mag ontvangen (met uitzondering van middelen uit het Europees Landbouwgarantiefonds) en niet mag inschrijven op een opdracht met het oog op de sluiting van een overeenkomst met een entiteit die tot de publieke sector behoort wanneer de waarde van de overeenkomst de in de wet RPPS vastgestelde drempel overschrijdt. Dergelijke verboden, die voortvloeien uit de oplegging van geldboeten en de eventuele daaruit voortvloeiende rechtsgevolgen, vormen volgens deze rechter bovendien belemmeringen voor de uitoefening van de vrijheid van ondernemerschap, het vrij verkeer van goederen en kapitaal en het vrij verrichten van diensten binnen de Unie. De verwijzende rechter preciseert voorts dat er in de Slowaakse Republiek twee systemen bestaan voor de identificatie van de uiteindelijke begunstigden van een marktdeelnemer, te weten het systeem dat voortvloeit uit de wet tot omzetting van richtlijn (EU) 2015/849 van het Europees Parlement en de Raad van 20 mei 2015 inzake de voorkoming van het gebruik van het financiële stelsel voor het witwassen van geld of terrorismefinanciering, tot wijziging van verordening (EU) nr. 648/2012 van het Europees Parlement en de Raad en tot intrekking van richtlijn 2005/60/EG van het Europees Parlement en de Raad en richtlijn 2006/70/EG van de Commissie (PB 2015, L 141, blz. 73), en het systeem dat voortvloeit uit de wet RPPS. In de praktijk is het dus niet uitgesloten dat de uiteindelijke begunstigde naar deze twee wetten verschillend is, hetgeen problematisch zou zijn.

29      Ten vijfde is de verwijzende rechter van oordeel dat, gelet op de aard van de schending van de wet RPPS en de zwaarte van de daaruit voortvloeiende sanctie, deze sanctie van strafrechtelijke aard is en bijgevolg moet worden opgelegd met inachtneming van het legaliteitsbeginsel en het evenredigheidsbeginsel inzake delicten en straffen, zoals neergelegd in artikel 49 van het Handvest.

30      De antwoorden op de eerste drie prejudiciële vragen acht de verwijzende rechter dan ook van doorslaggevende betekenis om te beoordelen of eventuele doorhaling in het RPPS, als secundair gevolg van het niet-betalen van de aan de partner van de publieke sector opgelegde geldboete, verenigbaar is met het Unierecht betreffende de werking van de interne markt en het plaatsen van overheidsopdrachten.

31      Verder is deze rechter van oordeel dat aan de hand van een antwoord op de derde tot en met de vijfde prejudiciële vraag kan worden beoordeeld of de oplegging van de geldboete en de mogelijke secundaire gevolgen ervan voor de bestrafte personen als voorzienbaar en evenredig kunnen worden beschouwd, en dus als verenigbaar met de Unierechtelijke beginselen inzake straffen. In dit verband zijn de onnauwkeurigheden en incoherenties die zijn vastgesteld in de bepalingen van de wet RPPS des te problematischer wanneer, zoals in het hoofdgeding, het „economische voordeel” dat de partner van de publieke sector haalt uit zijn commerciële transacties met de publieke sector negatief blijkt te zijn.

32      Het is juist dat uit § 13, lid 6, van de wet RPPS volgt dat de registratieautoriteit, wanneer zij de geldboete oplegt, in het bijzonder rekening houdt met de aard, de ernst, de wijze en de gevolgen van de niet-nakoming van de verplichting tot inschrijving in het RPPS. Deze bepaling is echter slechts van toepassing wanneer het niet mogelijk is om het door de partner van de publieke sector verkregen economische voordeel te bepalen. Wanneer dit voordeel wel kan worden bepaald, vereist § 13, lid 1, van deze wet daarenboven dat de geldboete wordt opgelegd ten belope van een bedrag dat overeenkomt met het bedrag van dat voordeel, zonder dat rekening wordt gehouden met de omstandigheden waarin de geldboete wordt opgelegd en zonder dat een bovengrens wordt gesteld aan het bedrag van de geldboete die kan worden opgelegd. Ten slotte verschaft alleen de uitlegging van de memorie van toelichting bij die wet door de nationale rechterlijke instanties aanwijzingen over de wijze waarop het begrip „economisch voordeel” moet worden opgevat.

33      Wat de zesde prejudiciële vraag betreft, benadrukt de verwijzende rechter dat § 19, onder c), van de wet RPPS niet voorziet in specifieke criteria met betrekking tot de hoedanigheid, de aard, de duur of de nauwheid van de betrekkingen of banden die twijfel kunnen doen rijzen over de onpartijdigheid van de bevoegde persoon, en dat deze bepaling de registratieautoriteit, die de sanctie oplegt, een ruime beoordelingsmarge toekent. Deze rechter vraagt zich dan ook af of het opleggen van een geldboete als die welke in het hoofdgeding aan de orde is als voorzienbaar en evenredig kan worden beschouwd, en dus als verenigbaar met de Unierechtelijke beginselen inzake straffen, in het bijzonder met artikel 49 van het Handvest.

34      In die omstandigheden heeft de Najvyšší správny súd Slovenskej republiky de behandeling van de zaak geschorst en het Hof de volgende prejudiciële vragen voorgelegd:

„1)      Moeten artikel 26 [VWEU], gelezen in samenhang met de artikelen 49 en 114 VWEU, artikel 57 van [richtlijn 2014/24], gelezen in samenhang met artikel 58 van die richtlijn, en artikel 3 van [richtlijn 2014/23], gelezen in samenhang met de artikelen 38 en 41 van die richtlijn, aldus worden uitgelegd dat zij zich verzetten tegen een regeling als die welke in casu aan de orde is, op grond waarvan de oplegging van een geldboete overeenkomstig § 13 van de wet RPPS en de niet-betaling ervan resulteren in de uitsluiting van het recht om overeenkomsten en concessieovereenkomsten met de publieke sector (al dan niet in het kader van openbare aanbestedingsprocedures) te sluiten, louter [vanwege] de doorhaling in het [RPPS]?

2)      Indien de eerste vraag bevestigend wordt beantwoord: moeten artikel 26 [VWEU], gelezen in samenhang met de artikelen 49 en 114 VWEU, artikel 57 van richtlijn 2014/24, gelezen in samenhang met artikel 58 van die richtlijn, en artikel 3 van richtlijn 2014/23, gelezen in samenhang met de artikelen 38 en 41 van die richtlijn, aldus worden uitgelegd dat zij zich verzetten tegen het opleggen van een geldboete op grond van § 13, lid 1, onder a), van de wet RPPS indien de niet-betaling ervan in doorhaling in het RPPS kan resulteren?

3)      Indien de eerste vraag ontkennend wordt beantwoord: moeten artikel 49 van het [Handvest] en het daaruit voortvloeiende evenredigheidsbeginsel inzake straffen aldus worden uitgelegd dat zij zich verzetten tegen een regeling als die welke in casu aan de orde is, op grond waarvan de niet-betaling van de aan de partner van de publieke sector opgelegde geldboete automatisch – zonder de mogelijkheid om rekening te houden met de ernst van het strafbare feit, de individuele omstandigheden bij het plegen ervan en de redenen van de niet-betaling van de boete – tot gevolg heeft dat deze partner in het RPPS wordt doorgehaald en dat hij zich gedurende een periode van twee jaar vanaf de doorhaling niet in [dat register] mag inschrijven?

4)      Moeten artikel 49 van het Handvest en het evenredigheidsbeginsel inzake straffen aldus worden uitgelegd dat zij zich verzetten tegen een regeling als die welke in casu aan de orde is, op grond waarvan de autoriteit die de geldboete aan de partner van de publieke sector oplegt, automatisch een geldboete ten belope van het bedrag van het [door die partner verkregen] economische voordeel oplegt, zonder dat zij een onderscheid kan maken naargelang van het strafbare feit dat ten grondslag ligt aan de oplegging van de sanctie en zonder dat zij rekening kan houden met de andere negatieve rechtsgevolgen (van de sanctie) die voor de bestrafte persoon na de oplegging van de geldboete kunnen ontstaan?

5)      Moeten artikel 49 van het Handvest en het legaliteits- en evenredigheidsbeginsel inzake straffen alsmede het rechtszekerheidsbeginsel aldus worden uitgelegd dat zij zich verzetten tegen een regeling als die welke in casu aan de orde is, op grond waarvan een geldboete ten belope van het bedrag van het [door de partner van de publieke sector verkregen] economische voordeel wordt opgelegd, terwijl die regeling zelf niet uitdrukkelijk voorziet in de basisparameters voor de vaststelling van het economische voordeel, en meer in het bijzonder de grondslag voor de berekening ervan en de periode waarin het is behaald?

6)      Moeten artikel 49 van het Handvest en het legaliteitsbeginsel inzake straffen alsmede het rechtszekerheidsbeginsel aldus worden uitgelegd dat zij zich verzetten tegen een regeling als die welke in casu aan de orde is, op grond waarvan de rechtsgrondslag voor de oplegging van een geldboete bestaat in het niet-voldoen aan het vereiste van onpartijdigheid van de bevoegde persoon, zonder dat de criteria aan de hand waarvan deze onpartijdigheid moet worden beoordeeld, nader worden omschreven?”

 Beantwoording van de prejudiciële vragen

 Bevoegdheid van het Hof

35      De Slowaakse regering betoogt primair dat het Hof niet bevoegd is om het onderhavige verzoek om een prejudiciële beslissing te beantwoorden. Geen van de door de verwijzende rechter genoemde gebieden van het Unierecht heeft immers betrekking op de wet RPPS, die, zoals deze rechter zelf aangeeft, geen enkele handeling van Unierecht in de Slowaakse rechtsorde omzet.

36      In dit verband stelt deze regering om te beginnen dat de verwijzende rechter zich ertoe beperkt op zeer onnauwkeurige wijze te wijzen op het bestaan van een aanknopingspunt tussen de Unieregeling inzake overheidsopdrachten en het voorwerp van het verzoek om een prejudiciële beslissing. Hoe dan ook baseert deze rechter zich op een onjuiste juridische beoordeling wat de gevolgen betreft die de wet RPPS zou kunnen hebben voor die regeling.

37      Vervolgens kunnen de aanwijzingen van deze rechter met betrekking tot de Slowaakse wetgeving inzake de bestrijding van witwassen op zich niet aantonen dat er sprake is van een toereikend aanknopingspunt met richtlijn 2015/849. Volgens de Slowaakse regering heeft het hoofdgeding overigens geenszins betrekking op de uitlegging van deze richtlijn.

38      Ten slotte is deze regering van mening dat de verwijzende rechter geenszins aangeeft op grond van welke overwegingen hij tot de slotsom is gekomen dat de wet RPPS de uitoefening van de fundamentele vrijheden belemmert, en dat de in het hoofdgeding aan de orde zijnde wettelijke regeling „het recht van de Unie ten uitvoer [brengt]” in de zin van artikel 51, lid 1, van het Handvest.

39      Dienaangaande zij eraan herinnerd dat het Hof volgens vaste rechtspraak in het kader van een prejudiciële verwijzing krachtens artikel 267 VWEU het Unierecht enkel binnen de grenzen van de aan het Hof toegekende bevoegdheden kan uitleggen (arrest van 4 september 2025, AW „T”, C‑225/22, EU:C:2025:649, punt 30 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

40      Wat ten eerste de toepasselijkheid van richtlijn 2015/849 betreft, kan worden volstaan met de vaststelling dat de verwijzende rechter het Hof geen vraag over de uitlegging van deze richtlijn heeft voorgelegd en dat het voor de beantwoording van het verzoek om een prejudiciële beslissing niet nodig is deze richtlijn uit te leggen. De argumenten die de Slowaakse Republiek in dit verband heeft aangevoerd, hebben dus geen invloed op de vraag of het Hof bevoegd is om het verzoek om een prejudiciële beslissing te beantwoorden.

41      Wat ten tweede de vraag betreft of er sprake is van voldoende aanknopingspunten tussen de Unieregeling inzake overheidsopdrachten en het voorwerp van het verzoek om een prejudiciële beslissing, preciseert de verwijzende rechter dat iedere natuurlijke of rechtspersoon die vermogensrechtelijke betrekkingen met de publieke sector wenst aan te gaan en met name een overeenkomst wil sluiten in het kader van een procedure voor het plaatsen van een overheidsopdracht, verplicht is om zich in het RPPS in te schrijven wanneer de waarde van de vermogensprestatie de in de toepasselijke wet vastgestelde drempel overschrijdt, ten minste voor de duur van de met de publieke sector gesloten overeenkomst.

42      De rechter voegt daaraan toe dat de wet RPPS de wet inzake overheidsopdrachten, waarbij met name de richtlijnen 2014/23 en 2014/24 in de Slowaakse rechtsorde zijn omgezet, heeft gewijzigd.

43      Bovendien heeft de verwijzende rechter, naar aanleiding van het verzoek om inlichtingen dat de president van het Hof op 22 oktober 2024 aan de verwijzende rechter heeft gericht, bevestigd dat sommige van de door Mabonex Slovakia verrichte commerciële transacties, waarvan de facturen in aanmerking zijn genomen voor de berekening van het door deze vennootschap verkregen economische voordeel met het oog op de oplegging van de in het hoofdgeding aan de orde zijnde geldboete, zijn uitgevoerd op basis van overeenkomsten die zijn gesloten na procedures voor het plaatsen van overheidsopdrachten die worden beheerst door de nationale wetgeving tot omzetting van de richtlijnen 2014/23 en 2014/24.

44      Gelet op een en ander moet worden vastgesteld dat er sprake is van voldoende aanknopingspunten tussen het voorwerp van het verzoek om een prejudiciële beslissing en de richtlijnen 2014/23 en 2014/24. Aan deze vaststelling wordt niet afgedaan door het feit dat, zoals de Slowaakse regering stelt, de verwijzende rechter zich heeft gebaseerd op een onjuiste uitlegging van de gevolgen die de wet RPPS zou hebben voor de Slowaakse wetgeving inzake overheidsopdrachten, aangezien deze beoordeling valt onder de uitlegging van het nationale recht, die het Hof niet ter discussie kan stellen in het kader van de prejudiciële procedure (zie in die zin arrest van 30 oktober 2025, Attal et Associés, C‑321/24, EU:C:2025:836, punt 24 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

45      Ten derde kan op basis van de in de punten 40 tot en met 42 van het onderhavige arrest onderzochte elementen ook worden geoordeeld dat de in het hoofdgeding aan de orde zijnde wettelijke regeling, anders dan de Slowaakse regering stelt, „het recht van de Unie ten uitvoer [brengt]” in de zin van artikel 51, lid 1, van het Handvest (zie in die zin arrest van 29 juli 2024, protectus, C‑185/23, EU:C:2024:657, punt 42 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

46      In het bijzonder is volgens de in punt 41 van het onderhavige arrest in herinnering gebrachte aanwijzingen van de verwijzende rechter de inschrijving in het RPPS een noodzakelijke voorwaarde opdat een marktdeelnemer een overeenkomst kan sluiten in het kader van een procedure voor het plaatsen van een overheidsopdracht. Het ontbreken van die inschrijving lijkt dus op een grond voor uitsluiting van deelname aan een dergelijke opdracht. Artikel 57 van richtlijn 2014/24 geeft weliswaar een limitatieve opsomming van de uitsluitingsgronden, maar dit sluit niet de bevoegdheid uit van de lidstaten om materieelrechtelijke voorschriften te handhaven of uit te vaardigen waarmee onder meer moet worden gewaarborgd dat ter zake van overheidsopdrachten het in artikel 18, lid 1, van richtlijn 2014/24 neergelegde beginsel van gelijke behandeling en het daarmee samenhangende beginsel van transparantie in acht worden genomen, die de aanbestedende diensten in al dit soort aanbestedingsprocedures moeten volgen en die de grondslag van de Unierichtlijnen betreffende de procedures voor het plaatsen van overheidsopdrachten vormen, mits het evenredigheidsbeginsel in acht wordt genomen (zie in die zin arresten van 19 mei 2009, Assitur, C‑538/07, EU:C:2009:317, punt 21, en 15 september 2022, J. Sch. Omnibusunternehmen en K. Reisen, C‑416/21, EU:C:2022:689, punt 58).

47      In die omstandigheden moet worden geoordeeld dat de Slowaakse Republiek – door inschrijving in het RPPS te eisen overeenkomstig de wet RPPS, op grond waarvan de in het hoofdgeding aan de orde zijnde geldboeten zijn opgelegd – gebruik heeft gemaakt van een discretionaire bevoegdheid of beoordelingsbevoegdheid die integrerend deel uitmaakt van de bij een Unierechtelijke handeling ingevoerde regeling, hetgeen volgens vaste rechtspraak impliceert dat deze lidstaat dit recht ten uitvoer brengt in de zin van artikel 51, lid 1, van het Handvest (zie in die zin arresten van 19 november 2019, TSN en AKT, C‑609/17 en C‑610/17, EU:C:2019:981, punt 50, en 29 juli 2024, protectus, C‑185/23, EU:C:2024:657, punt 59 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

48      Ten vierde is het argument van de Slowaakse Republiek dat de verwijzende rechter geenszins aangeeft op basis van welke overwegingen hij tot de slotsom is gekomen dat de wet RPPS een belemmering vormt voor de uitoefening van de fundamentele vrijheden, een exceptie van niet-ontvankelijkheid en kan het geen invloed hebben op de beoordeling van de bevoegdheid van het Hof om het verzoek om een prejudiciële beslissing te beantwoorden.

49      Uit de voorgaande overwegingen volgt dat het Hof bevoegd is om het verzoek om een prejudiciële beslissing te beantwoorden.

 Ontvankelijkheid van de prejudiciële vragen

50      De Slowaakse regering betoogt in de eerste plaats dat de eerste tot en met de derde prejudiciële vraag niet-ontvankelijk zijn omdat zij abstract zijn en irrelevant voor de beslechting van het hoofdgeding.

51      Deze regering wijst er in essentie op dat de vennootschap Mabonex Slovakia niet in het RPPS is doorgehaald op grond van § 13, lid 2, van de wet RPPS, maar dat deze vennootschap op de datum van indiening van de schriftelijke opmerkingen van deze regering bij het Hof integendeel nog steeds in het register was ingeschreven. De regering benadrukt tevens dat, nadat die vennootschap het bedrag van de haar opgelegde geldboete binnen de door de bevoegde rechter gestelde termijn had betaald, een dergelijke doorhaling niet meer op grond van die bepaling kon plaatsvinden. De eerste tot en met de derde prejudiciële vraag hebben dan ook uitsluitend betrekking op de thans uitgesloten hypothese van een „eventuele doorhaling [van Mabonex Slovakia] in het RPPS als secundair gevolg van het niet-betalen van de aan de partner van de publieke sector opgelegde geldboete”, en zijn volgens die regering dan ook niet-ontvankelijk.

52      De Slowaakse regering betoogt in de tweede plaats dat een antwoord op de vierde en de vijfde prejudiciële vraag niet relevant is voor de beslechting van het hoofdgeding. Anders dan deze vragen lijken te suggereren, is aan Mabonex Slovakia immers geen geldboete opgelegd die overeenkomt met het bedrag van het verkregen economische voordeel in de zin van § 13, lid 1, onder a), eerste zinsdeel, van de wet RPPS, aangezien de registratieautoriteit deze vennootschap in werkelijkheid een geldboete heeft opgelegd op grond van § 13, lid 1, onder a), tweede zinsdeel, daar het economisch voordeel niet kon worden bepaald omdat het economische resultaat van deze vennootschap negatief bleek te zijn.

53      Dienaangaande zij eraan herinnerd dat volgens vaste rechtspraak de krachtens artikel 267 VWEU ingestelde procedure een instrument is voor de samenwerking tussen het Hof en de nationale rechterlijke instanties dat het Hof in staat stelt de nationale rechters de elementen voor uitlegging van het Unierecht te verschaffen die zij nodig hebben om uitspraak te kunnen doen in de bij hen aanhangige gedingen (arrest van 21 maart 2024, Remia Com Impex, C‑10/23, EU:C:2024:259, punt 27 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

54      Volgens eveneens vaste rechtspraak is het in het kader van de samenwerking tussen het Hof en de nationale rechterlijke instanties, wegens het vereiste om tot een voor de nationale rechter nuttige uitlegging van het Unierecht te komen, noodzakelijk dat deze rechter nauwgezet de vereisten met betrekking tot de inhoud van een verzoek om een prejudiciële beslissing naleeft zoals die uitdrukkelijk zijn vermeld in artikel 94 van het Reglement voor de procesvoering van het Hof (arrest van 21 maart 2024, Remia Com Impex, C‑10/23, EU:C:2024:259, punt 28 en aldaar aangehaalde rechtspraak). Die vereisten zijn bovendien in herinnering gebracht in de punten 13, 15 en 16 van de Aanbevelingen van het Hof van Justitie van de Europese Unie aan de nationale rechterlijke instanties over het aanhangig maken van prejudiciële procedures (PB 2019, C 380, blz. 1), die thans zijn opgenomen in de punten 13, 15 en 16 van de Aanbevelingen van het Hof van Justitie van de Europese Unie aan de nationale rechterlijke instanties over het aanhangig maken van prejudiciële procedures (PB C, C/2024/6008).

55      De verwijzende rechter moet overeenkomstig artikel 94, onder a), van het Reglement voor de procesvoering dus een omschrijving geven van het feitelijke en juridische kader waarin zijn vragen moeten worden geplaatst, of op zijn minst de feitelijke hypothesen uiteenzetten waarop die vragen zijn gebaseerd. In het kader van de procedure van artikel 267 VWEU mag het Hof zich immers enkel op basis van het feitenrelaas van de nationale rechter uitspreken over de uitlegging van een tekst van de Unie (arrest van 21 maart 2024, Remia Com Impex, C‑10/23, EU:C:2024:259, punt 29 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

56      Wat in de eerste plaats de eerste tot en met de derde vraag van de verwijzende rechter betreft, geeft deze rechter aan dat het antwoord op deze vragen van wezenlijk belang is om te beoordelen of eventuele doorhaling van de partner van de publieke sector in het RPPS als secundair gevolg van het niet-betalen van de aan hem opgelegde geldboete verenigbaar is met het Unierecht, in het bijzonder met sommige bepalingen inzake de uitoefening van de fundamentele vrijheden. Het verzoek om een prejudiciële beslissing bevat in dit verband een onvolledige uiteenzetting van de feiten van het hoofdgeding en geeft geen aanwijzingen op basis waarvan het Hof kan vaststellen of Mabonex Slovakia als partner van de publieke sector de geldboete niet heeft betaald en of deze vennootschap wegens dit niet-betalen daadwerkelijk in het RPPS is doorgehaald, met als gevolg dat zij met geen enkele overheidsinstantie overeenkomsten kan sluiten in het kader van een procedure voor het plaatsen van overheidsopdrachten en concessieovereenkomsten.

57      Hieruit volgt dat deze vragen berusten op een hypothetische situatie, namelijk de doorhaling van Mabonex Slovakia in het RPPS, of dat zij onvoldoende gegevens bevatten om het Hof in staat te stellen de verwijzende rechter een nuttig antwoord te geven [zie in die zin arrest van 21 maart 2023, Mercedes-Benz Group (Aansprakelijkheid van fabrikanten van met een manipulatie-instrument uitgeruste voertuigen), C‑100/21, EU:C:2023:229, punt 53].

58      In die omstandigheden moeten de eerste tot en met de derde prejudiciële vraag als niet-ontvankelijk worden beschouwd.

59      In de tweede plaats zij opgemerkt dat de vierde en de vijfde prejudiciële vraag in essentie betrekking hebben op de uitlegging van artikel 49, leden 1 en 3, van het Handvest, teneinde de verwijzende rechter in staat te stellen te bepalen of § 13, lid 1, onder a), eerste zinsdeel, van de wet RPPS voldoende nauwkeurig is en of het in overeenstemming is met het evenredigheidsbeginsel inzake straffen.

60      Het feit dat de registratieautoriteit Mabonex Slovakia een geldboete heeft opgelegd, niet op grond van het door deze vennootschap verkregen voordeel overeenkomstig §13, lid 1, onder a), eerste zinsdeel, van de wet RPPS, maar op grond van de in het tweede zinsdeel van deze bepaling bedoelde bedragen, impliceert op zich niet dat deze vragen niet-ontvankelijk zijn.

61      Uit het verzoek om een prejudiciële beslissing blijkt namelijk dat Dlhopolec e.a. van mening zijn dat de registratieautoriteit deze vennootschap een geldboete had moeten opleggen op grond van § 13, lid 1, onder a), eerste zinsdeel, van de wet RPPS, aangezien het volgens hen mogelijk was het „economische voordeel” vast te stellen, zelfs al was het negatief. Derhalve kan niet worden uitgesloten dat het onderzoek van die vragen in het licht van deze bepaling relevant is voor de beslechting van het hoofdgeding.

62      De vierde en de vijfde vraag zijn dan ook ontvankelijk.

 Vierde tot en met zesde vraag

 Overwegingen vooraf

63      Aangezien de vierde tot en met de zesde prejudiciële vraag in essentie betrekking hebben op de uitlegging van artikel 49 van het Handvest, moet worden vastgesteld of deze bepaling van toepassing is in het kader van het hoofdgeding door te onderzoeken of de sanctieregeling die in het hoofdgeding aan de orde is van strafrechtelijke aard is.

64      Uit vaste rechtspraak volgt dat drie criteria relevant zijn om te bepalen of een sanctie van strafrechtelijke aard is, met name met het oog op de toepassing van artikel 49 van het Handvest. Het eerste is de juridische kwalificatie van de inbreuk in het nationale recht, het tweede de aard van de inbreuk, en het derde de zwaarte van de sanctie die aan de betrokkenen kan worden opgelegd (arrest van 1 augustus 2025, BAJI Trans, C‑544/23, EU:C:2025:614, punt 63 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

65      Hoewel het aan de verwijzende rechter staat om in het licht van deze criteria te beoordelen of de aan Dlhopolec e.a. opgelegde geldboeten een strafrechtelijk karakter hebben in de zin van artikel 49, lid 1, van het Handvest, kan het Hof in zijn uitspraak op een verzoek om een prejudiciële beslissing niettemin preciseringen geven om die rechter bij zijn beoordeling te leiden (arrest van 1 augustus 2025, BAJI Trans, C‑544/23, EU:C:2025:614, punt 64 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

66      Ten eerste zij opgemerkt dat in de wet RPPS de sanctie die op grond van § 13 ervan wordt opgelegd, niet als „strafrechtelijk” wordt gekwalificeerd. Artikel 49 van het Handvest is evenwel ook van toepassing op sancties die, onafhankelijk of zij naar nationaal recht als strafrechtelijke sancties worden gekwalificeerd, als strafrechtelijk moeten worden aangemerkt op grond van de twee andere in punt 64 van het onderhavige arrest bedoelde criteria (zie in die zin arrest van 1 augustus 2025, BAJI Trans, C‑544/23, EU:C:2025:614, punt 66 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

67      Wat ten tweede de aard van de inbreuk betreft, blijkt dat de geldboeten die worden opgelegd wegens schending van de vereisten van de wet RPPS zowel afschrikking als repressie nastreven, aangezien krachtens § 13, lid 1, onder a), van de wet RPPS aan de partner van de publieke sector een geldboete wordt opgelegd hetzij ten belope van het bedrag van het verkregen economische voordeel hetzij voor een bedrag tussen de 10 000 EUR en 1 000 000 EUR, waarbij die geldboeten niet bedoeld zijn om de door de inbreuk veroorzaakte schade te vergoeden (zie in die zin arrest van 1 augustus 2025, BAJI Trans, C‑544/23, EU:C:2025:614, punten 67 en 68 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

68      Wat ten derde het criterium inzake de zwaarte van de opgelegde sanctie betreft, blijkt uit het verzoek om een prejudiciële beslissing dat de niet-nakoming van de verplichting tot onpartijdigheid van de persoon die bevoegd is om te zorgen voor de inschrijving van de partner van de publieke sector in het RPPS kan rechtvaardigen dat aan deze laatste een geldboete wordt opgelegd ten belope van hetzij het bedrag van het economische voordeel dat deze partner heeft verkregen, hetzij, wanneer dit economische voordeel niet kan worden gekwantificeerd, een bedrag tussen de 10 000 EUR en 1 000 000 EUR. Voorts wordt aan de bevoegde persoon zelf een geldboete opgelegd die tussen de 10 000 EUR en 100 000 EUR bedraagt.

69      In dit verband zij eraan herinnerd dat de zwaarte van de opgelegde sanctie moet worden beoordeeld aan de hand van de maximumstraf waarin de relevante bepalingen voorzien (arrest van 1 augustus 2025, BAJI Trans, C‑544/23, EU:C:2025:614, punt 70 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

70      In casu moet worden vastgesteld dat wanneer de geldboete wordt opgelegd op basis van het economische voordeel dat de partner van de publieke sector heeft verkregen, dienaangaande geen enkele bovengrens is vastgesteld. Bovendien kan, indien dit voordeel niet kan worden gekwantificeerd, de opgelegde boete oplopen tot 1 000 000 EUR voor de partner van de publieke sector en tot 100 000 EUR voor de bevoegde persoon, wat aanzienlijke bedragen zijn.

71      In die omstandigheden dient, onder voorbehoud van de door de verwijzende rechter te verrichten verificaties, te worden benadrukt dat een sanctieregeling met de in § 13 van de wet RPPS genoemde kenmerken van strafrechtelijke aard is in de zin van artikel 49 van het Handvest. Hieruit volgt dat deze regeling moet worden beoordeeld in het licht van het legaliteitsbeginsel inzake delicten en straffen en het evenredigheidsbeginsel, die zijn neergelegd in artikel 49, leden 1 en 3, van het Handvest.

 Zesde vraag

72      Met zijn zesde vraag, die als eerste moet worden onderzocht, wenst de verwijzende rechter in essentie te vernemen of artikel 49, lid 1, van het Handvest en het rechtszekerheidsbeginsel aldus moeten worden uitgelegd dat zij zich verzetten tegen een nationale regeling volgens welke de persoon die bevoegd is om te zorgen voor de inschrijving van een vennootschap in een register van partners van de publieke sector, een dergelijke inschrijving niet mag verrichten indien de betrekkingen die hij met de partner van de publieke sector onderhoudt twijfel kunnen doen rijzen over zijn onpartijdigheid, in het bijzonder wegens persoonlijke of vermogensrechtelijke banden met die partner van de publieke sector, zonder dat andere criteria zijn gepreciseerd aan de hand waarvan die onpartijdigheid kan worden beoordeeld en terwijl de niet-naleving van dit vereiste van onpartijdigheid tot de oplegging van een sanctie van strafrechtelijke aard leidt.

73      Het rechtszekerheidsbeginsel vereist dat rechtsregels duidelijk en nauwkeurig zijn alsook dat hun toepassing voorzienbaar is voor de justitiabelen, in het bijzonder wanneer die regels nadelige gevolgen kunnen hebben. Dat beginsel vereist met name dat een regeling de belanghebbenden in staat stelt de omvang van de verplichtingen die zij hun oplegt nauwkeurig te kennen, en dat deze laatsten ondubbelzinnig hun rechten en verplichtingen kunnen kennen en dienovereenkomstig hun voorzieningen kunnen treffen (arrest van 29 juli 2024, Belgian Association of Tax Lawyers e.a., C‑623/22, EU:C:2024:639, punt 36 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

74      Het legaliteitsbeginsel op strafrechtelijk gebied, dat is vervat in artikel 49, lid 1, van het Handvest en een bijzondere uitdrukking van het algemene rechtszekerheidsbeginsel vormt, impliceert onder meer dat de wet een duidelijke omschrijving geeft van de strafbare feiten en de daarop gestelde straffen. Aan deze voorwaarde is voldaan wanneer de justitiabele uit de bewoordingen van de relevante bepaling, zo nodig met behulp van de door de rechterlijke instanties daaraan gegeven uitlegging, kan opmaken voor welk handelen of nalaten hij strafrechtelijk aansprakelijk kan worden gesteld (zie in die zin arresten van 3 mei 2007, Advocaten voor de Wereld, C‑303/05, EU:C:2007:261, punt 50; 28 maart 2017, Rosneft, C‑72/15, EU:C:2017:236, punt 162, en 29 juli 2024, Belgian Association of Tax Lawyers e.a., C‑623/22, EU:C:2024:639, punten 39 en 40).

75      Volgens de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens betreffende artikel 7 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend te Rome op 4 november 1950, waarin rechten zijn vastgelegd die overeenkomen met de door artikel 49 van het Handvest gewaarborgde rechten, kunnen wetgevingshandelingen vanwege de noodzakelijke algemeenheid ervan niet met absolute nauwkeurigheid worden geredigeerd. Dat betekent onder meer dat het gebruik van de wetgevingstechniek om algemene categorieën in plaats van uitputtende opsommingen te benutten er weliswaar vaak toe leidt dat er grijze gebieden zijn aan de grenzen van de definitie, maar dat deze twijfels bij grensgevallen op zichzelf onvoldoende zijn om een bepaling onverenigbaar te maken met artikel 7 van dat verdrag, zolang die bepaling in de overgrote meerderheid van de gevallen voldoende duidelijk is (zie in die zin onder meer EHRM, 15 november 1996, Cantoni tegen Frankrijk, CE:ECHR:1996:1115JUD001786291, §§ 31 en 32). Deze overwegingen gelden op grond van artikel 52, lid 3, van het Handvest ook voor artikel 49 ervan (arrest van 28 maart 2017, Rosneft, C‑72/15, EU:C:2017:236, punt 165).

76      Verder blijkt uit de rechtspraak van het Hof dat het lex-certabeginsel niet aldus kan worden uitgelegd dat zij de geleidelijke verfijning van de regels van strafrechtelijke aansprakelijkheid langs de weg van rechterlijke uitlegging verbiedt, zolang die uitlegging redelijkerwijs kan worden voorzien (arresten van 28 maart 2017, Rosneft, C‑72/15, EU:C:2017:236, punt 167, en 29 juli 2024, Belgian Association of Tax Lawyers e.a., C‑623/22, EU:C:2024:639, punt 43).

77      In casu geeft de verwijzende rechter in essentie aan dat § 19, onder c), van de wet RPPS niet voorziet in specifieke criteria met betrekking tot de hoedanigheid, de aard, de duur en de nauwheid van de betrekkingen of banden die twijfel kunnen doen rijzen over de onpartijdigheid van de bevoegde persoon wanneer deze zorgt voor inschrijving van een partner van de publieke sector in het RPPS, en dat die bepaling in dit verband een ruime beoordelingsmarge toekent aan de registratieautoriteit, die in voorkomend geval de sanctie wegens niet-naleving van dit vereiste van onpartijdigheid oplegt.

78      Om te beginnen zij eraan herinnerd dat het Hof in het kader van een prejudiciële verwijzing niet bevoegd is om zich uit te spreken over de uitlegging van de nationale bepalingen en te beoordelen of de daaraan door de nationale rechter gegeven uitlegging juist is, aangezien uitsluitend deze rechter bevoegd is om die bepalingen uit te leggen [arrest van 15 juni 2023, Bank M. (Gevolgen van de nietigverklaring van een overeenkomst), C‑520/21, EU:C:2023:478, punt 52 en aldaar aangehaalde rechtspraak].

79      Daarentegen is het Hof in het kader van een prejudiciële verwijzing op basis van het dossier van het hoofdgeding en van de bij het Hof ingediende schriftelijke en mondelinge opmerkingen bevoegd om de verwijzende rechter nuttige aanwijzingen te verschaffen die hem in staat stellen het bij hem aanhangige geding te beslechten (arrest van 19 juni 2025, Lietuvos bankas, C‑671/23, EU:C:2025:457, punt 47 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

80      Om de verwijzende rechter in staat te stellen om te bepalen of de mate van nauwkeurigheid van § 19, onder c), van de wet RPPS voldoet aan de vereisten van artikel 49, lid 1, van het Handvest wat de criteria betreft aan de hand waarvan kan worden beoordeeld of al dan niet is voldaan aan het vereiste van onpartijdigheid dat is opgelegd aan de persoon die bevoegd is om de relevante informatie te controleren en te zorgen voor inschrijving van de partner van de publieke sector in het RPPS, moet in dat verband ten eerste worden vastgesteld dat volgens § 19, onder c), van de wet RPPS „[het] de bevoegde persoon niet toegestaan [is] handelingen zoals bedoeld in deze wet te verrichten indien hij enige betrekkingen heeft met de partner van de publieke sector of leden van diens organen die twijfel kunnen doen rijzen over zijn onpartijdigheid, in het bijzonder indien die betrekkingen van persoonlijke of vermogensrechtelijke aard zijn; betrekkingen tussen de bevoegde persoon en de partner van de publieke sector in het kader van de door de bevoegde persoon uit hoofde van bijzondere wetsbepalingen verrichte handelingen zijn geen betrekkingen die twijfel kunnen doen rijzen over de onpartijdigheid van de bevoegde persoon”.

81      Hieruit volgt dat § 19, onder c), van de wet RPPS, voor zover daarin de draagwijdte van het vereiste van onpartijdigheid wordt verduidelijkt door te verwijzen naar het bestaan van zowel persoonlijke als vermogensrechtelijke banden tussen de bevoegde persoon en de partner van de publieke sector, een formulering bevat die in overeenstemming is met het vereiste van artikel 49, lid 1, van het Handvest, zoals deze bepaling door het Hof is uitgelegd in de in punt 74 van het onderhavige arrest aangehaalde rechtspraak. Een dergelijke formulering, die de aard van de betrekkingen tussen de bevoegde persoon en de partner van de publieke sector kenmerkt, stelt hen namelijk in staat om met een voldoende mate van duidelijkheid en nauwkeurigheid de omvang van hun verplichtingen op het gebied van onpartijdigheid te kennen met het oog op de inschrijving van die partner in het RPPS, en te weten dat de niet-nakoming van deze verplichtingen tot hun strafrechtelijke aansprakelijkheid kan leiden doordat zij worden blootgesteld aan de geldboeten waarin § 13 van de wet RPPS voorziet.

82      Dit geldt des te meer omdat in § 19, onder c), van deze wet bovendien de situaties worden gepreciseerd die niet kunnen worden beschouwd als betrekkingen die twijfel kunnen doen rijzen over de onpartijdigheid van de bevoegde persoon, te weten de betrekkingen tussen de partner van de publieke sector en de bevoegde persoon in het kader van de door de bevoegde persoon uit hoofde van bijzondere wetsbepalingen verrichte handelingen, hetgeen volgens de verwijzende rechter met name ziet op de relatie advocaat-client of de tussenkomst van notarissen en belastingadviseurs.

83      Ten tweede kan het feit dat § 19, onder c), de registratieautoriteit een beoordelingsmarge laat om te onderzoeken of de bestaande banden tussen de bevoegde persoon en de partner van de publieke sector afbreuk kunnen doen aan het in dat artikel neergelegde vereiste van onpartijdigheid op zich niet tot de conclusie leiden dat deze bepaling niet voldoende duidelijk en nauwkeurig is in de zin van artikel 49, lid 1, van het Handvest. Zoals de Slowaakse regering opmerkt en onder voorbehoud van de door de verwijzende rechter te verrichten verificaties, moet de persoon die bevoegd is om te zorgen voor de inschrijving van een partner van de publieke sector in het RPPS, gelet op de bewoordingen van deze § 19, onder c), redelijkerwijs verwachten dat deze autoriteit de feitelijke en juridische elementen die kenmerkend zijn voor de persoonlijke en vermogensrechtelijke banden tussen hem en die partner verifieert om vast te stellen of zij twijfel kunnen doen rijzen over de onpartijdigheid van die persoon, waardoor deze niet mag zorgen voor inschrijving van die partner in het RPPS.

84      Ten derde kan de door de verwijzende rechter vermelde omstandigheid dat de bevoegde nationale rechterlijke instanties naar de rechtspraak inzake de onpartijdigheid van rechters hebben verwezen om de draagwijdte te verduidelijken van het vereiste van onpartijdigheid dat rust op de persoon die bevoegd is om te zorgen voor de inschrijving van een partner van de publieke sector in het RPPS in de zin van § 19, onder c), van de wet RPPS, evenmin worden geacht in strijd te zijn met artikel 49, lid 1, van het Handvest.

85      Zoals in punt 76 van het onderhavige arrest in herinnering is gebracht, staat dat artikel 49, lid 1, namelijk toe dat de regels van strafrechtelijke aansprakelijkheid geleidelijk worden verfijnd langs de weg van rechterlijke uitlegging, zolang die uitlegging redelijkerwijs kan worden voorzien. Opgemerkt zij dat de overeenkomstige toepassing van bestaande rechtspraak in een andere juridische context niet als onvoorzienbaar kan worden beschouwd, aangezien zij deel uitmaakt van de gebruikelijke methoden van uitlegging van het recht.

86      Onder voorbehoud van de door de verwijzende rechter te verrichten verificaties blijkt, gelet op de bewoordingen van § 19, onder c), van de wet RPPS, gelezen in samenhang met § 13 van deze wet, en op de door de bevoegde nationale rechterlijke instanties gebruikte uitleggingsmethode, dus niet dat de bevoegde persoon en de partner van de betrokken publieke sector niet op voldoende duidelijke en nauwkeurige wijze in de zin van artikel 49, lid 1, van het Handvest kunnen bepalen welk handelen of nalaten tot hun strafrechtelijke aansprakelijkheid kan leiden.

87      Aan deze vaststelling kan niet worden afgedaan door het feit dat volgens de verwijzende rechter in casu zowel de Okresný súd Žilina als de Krajský súd v Žiline in essentie heeft geoordeeld dat de bevoegde persoon § 19, onder c), van de wet RPPS had geschonden louter op basis van de vaststelling dat de vennoot en bestuurder van de bevoegde persoon enerzijds en een vennoot en bestuurder van de partner van de publieke sector anderzijds samen betrokken zijn bij een derde vennootschap, zonder andere aanwijzingen te verstrekken over de aard en de omvang van die zakelijke relatie.

88      Dit element betreft namelijk de kwestie van de juistheid van de uitlegging van het nationale recht door die rechterlijke instanties en van de naleving van de motiveringsplicht, die geen invloed kan hebben op de beoordeling of deze bepaling voldoende duidelijk en nauwkeurig is om te voldoen aan de vereisten van artikel 49, lid 1, van het Handvest. Gesteld al dat deze uitlegging als onvoorzienbaar in de zin van de rechtspraak betreffende dat artikel 49, lid 1, wordt beschouwd, kan op basis van een dergelijke vaststelling hoe dan ook niet tot de slotsom worden gekomen dat § 19, onder c), van de wet RPPS als zodanig niet voldoet aan de vereisten van dat artikel 49, lid 1, maar impliceert die vaststelling veeleer dat die uitlegging niet kan worden aanvaard aangezien zij in strijd is met de grondrechten.

89      Gelet op een en ander moet op de zesde vraag worden geantwoord dat artikel 49, lid 1, van het Handvest en het rechtszekerheidsbeginsel aldus moeten worden uitgelegd dat zij zich niet verzetten tegen een nationale regeling volgens welke de persoon die bevoegd is om te zorgen voor de inschrijving van een vennootschap in een register van partners van de publieke sector, die inschrijving niet mag verrichten indien de betrekkingen die hij met de partner van de publieke sector onderhoudt twijfel kunnen doen rijzen over zijn onpartijdigheid, in het bijzonder wegens persoonlijke of vermogensrechtelijke banden met die partner van de publieke sector, zonder dat andere criteria zijn gepreciseerd aan de hand waarvan die onpartijdigheid kan worden beoordeeld en terwijl de niet-naleving van dit vereiste van onpartijdigheid tot de oplegging van een sanctie van strafrechtelijke aard leidt, voor zover die bevoegde persoon en die partner van de publieke sector, gelet op de bewoordingen van die nationale regeling en de uitlegging ervan op basis van de gebruikelijke methoden van uitlegging van het recht door de bevoegde nationale rechterlijke instanties, in staat zijn om op voldoende duidelijke en nauwkeurige wijze te bepalen welk handelen of nalaten tot hun strafrechtelijke aansprakelijkheid kan leiden.

 Vijfde vraag

90      Met zijn vijfde vraag, die vóór de vierde vraag moet worden onderzocht, wenst de verwijzende rechter in essentie te vernemen of artikel 49, lid 1, van het Handvest en het rechtszekerheidsbeginsel aldus moeten worden uitgelegd dat zij zich verzetten tegen een nationale regeling die, in geval van niet-naleving van het vereiste van onpartijdigheid dat is opgelegd aan de persoon die bevoegd is om te zorgen voor inschrijving van een vennootschap in het register van partners van de publieke sector, enkel bepaalt dat aan die vennootschap een geldboete wordt opgelegd die overeenkomt met het bedrag van het economische voordeel dat deze vennootschap in het kader van haar betrekkingen met de publieke sector heeft verkregen, zonder de parameters te preciseren aan de hand waarvan dat voordeel kan worden vastgesteld.

91      Uit het verzoek om een prejudiciële beslissing blijkt dat § 13, lid 1, onder a), eerste zinsdeel, van de wet RPPS bepaalt dat in geval van schending van met name het in § 19, onder c), van deze wet neergelegde verbod, dat vereist dat de bevoegde persoon met het oog op de inschrijving van een partner van de publieke sector in het RPPS geen betrekkingen onderhoudt met die partner of met de leden van diens organen die twijfel kunnen doen rijzen over zijn onpartijdigheid, de registratieautoriteit de partner van de publieke sector een geldboete oplegt „ten belope van het bedrag van het economische voordeel dat de partner van de publieke sector heeft behaald”. Wanneer dit economische voordeel niet kan worden gekwantificeerd, legt die autoriteit die partner van de publieke sector een geldboete ten belope van een bedrag tussen 10 000 EUR en 1 000 000 EUR op.

92      Aldus volgt uit deze § 13, lid 1, onder a), dat de mogelijkheid om het door de partner van de publieke sector verkregen economische voordeel te kwantificeren, alsook het bedrag van het voordeel wanneer dit kan worden gekwantificeerd, bepalend is voor of op zijn minst van invloed is op het bedrag van de geldboete die aan die partner wordt opgelegd wegens niet-nakoming van de verplichting van § 19, onder c), van de wet RPPS. Om aan de vereisten van artikel 49, lid 1, van het Handvest te voldoen, is het derhalve van belang dat het begrip “economisch voordeel” in de zin van deze wet voldoende duidelijk en nauwkeurig is om de partners van de publieke sector in staat te stellen te bepalen aan welke sancties zij zich blootstellen in geval van schending van die wet.

93      In dit verband merkt de verwijzende rechter op dat § 13, lid 1, onder a), eerste zinsdeel, van de wet RPPS niet preciseert of dit begrip „economisch voordeel” ziet op het economische voordeel dat de gesanctioneerde vennootschap heeft verkregen op grond van een overeenkomst met een entiteit uit de publieke sector, waarvan de sluiting bijvoorbeeld afhankelijk is van haar inschrijving in het RPPS, dan wel of rekening moet worden gehouden met het economische voordeel dat voortvloeit uit de totale commerciële en economische activiteit van die vennootschap. De verwijzende rechter voegt daaraan toe dat deze bepaling niet aangeeft welke periode relevant is voor de beoordeling van dat voordeel, in het bijzonder of rekening moet worden gehouden met de periode na de inschrijving in het RPPS, de periode na de sluiting van de overeenkomst of het kalenderjaar dat voorafgaat aan dat waarin de sanctie wordt opgelegd.

94      In dit verband wijst de verwijzende rechter erop dat zowel de Okresný súd Žilina als de Krajský súd v Žiline het begrip „economisch voordeel” in de zin van § 13, lid 1, onder a), eerste zinsdeel, van de wet RPPS heeft uitgelegd op basis van de memorie van toelichting bij die wet. Deze rechterlijke instanties hebben aldus geoordeeld dat dit begrip ziet op het voordeel dat de partner van de publieke sector heeft behaald uit de relevante transacties met de publieke sector in de periode tussen de inschrijving van die partner in het RPPS en het begin van de sanctieprocedure.

95      De verwijzende rechter vraagt zich dan ook af of deze interpretatieve benadering in overeenstemming is met artikel 49, lid 1, van het Handvest, waarbij hij benadrukt dat een dergelijke uitlegging in overeenstemming is met de memorie van toelichting bij de wet RPPS.

96      Er zij aan herinnerd dat de omstandigheid dat een regeling verwijst naar ruime begrippen die geleidelijk moeten worden verduidelijkt, er in beginsel niet aan in de weg staat dat die regeling wordt geacht duidelijke en nauwkeurige regels vast te stellen aan de hand waarvan justitiabelen in geval van schending van die regeling kunnen voorspellen welke sancties van strafrechtelijke aard kunnen worden opgelegd. In dat verband is het van belang of eventuele dubbelzinnigheid of vaagheid in die begrippen kan worden weggenomen middels de gebruikelijke methoden van uitlegging van het recht (zie in die zin arrest van 29 juli 2024, Belgian Association of Tax Lawyers e.a., C‑623/22, EU:C:2024:639, punt 44 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

97      In casu dient te worden opgemerkt dat een uitlegging van het begrip „economisch voordeel” in de zin van § 13, lid 1, onder a), eerste zinsdeel, van de wet RPPS door een verwijzing naar de memorie van toelichting bij deze wet, volgens de door de verwijzende rechter verstrekte aanwijzingen een gebruikelijke methode van uitlegging in het Slowaakse recht is.

98      In die omstandigheden blijkt dit begrip, zoals uitgelegd door middel van een dergelijke methode, voldoende duidelijk en nauwkeurig te zijn in het licht van de vereisten die voortvloeien uit de beginselen van rechtszekerheid en legaliteit op strafrechtelijk gebied.

99      De verwijzende rechter voegt daaraan toe dat in casu, nadat de Okresný súd Žilina en de Krajský súd v Žiline hebben vastgesteld dat Mabonex Slovakia een negatief „economisch voordeel” had behaald als gevolg van haar commerciële transacties met de publieke sector, zij die vennootschap op grond van § 13, lid 1, onder a), tweede zinsdeel, van de wet RPPS een geldboete van 20 000 EUR hebben opgelegd. Die uitlegging is volgens de verwijzende rechter problematisch, aangezien in deze wet niet wordt gepreciseerd dat een negatief „economisch voordeel” aldus moet worden opgevat dat het betrekking heeft op een situatie waarin dat voordeel niet kan worden gekwantificeerd.

100    In dit verband moet worden benadrukt dat deze kwestie, zoals in punt 88 van het onderhavige arrest is aangegeven, betrekking heeft op de juistheid van de uitlegging van het nationale recht, die de verwijzende rechter dient te beoordelen. Deze kwestie heeft daarentegen geen invloed hebben op de duidelijkheid en nauwkeurigheid van § 13, lid 1, onder a), eerste zinsdeel, van de wet RPPS, in de zin van de beginselen van rechtszekerheid en legaliteit op strafrechtelijk gebied.

101    Om te beoordelen of artikel 49, lid 1, van het Handvest in acht is genomen, moet worden bepaald of een partner van de publieke sector kan voorzien in welke situaties hij zich blootstelt aan een geldboete en of de wijze van berekening daarvan redelijkerwijs voorzienbaar is.

102    In navolging van de Slowaakse regering en onder voorbehoud van de door de verwijzende rechter te verrichten verificaties, moet worden opgemerkt dat, gelet op de opzet en het doel van die wet, zoals die blijken uit het verzoek om een prejudiciële beslissing, een partner van de publieke sector bij een negatief economisch resultaat als gevolg van zijn betrekkingen met de publieke sector redelijkerwijs kan voorzien dat hij zich blootstelt aan een overeenkomstig § 13, lid 1, onder a), van die wet berekende geldboete wanneer hij die wet heeft overtreden. Het staat aan de verwijzende rechter om te beoordelen of een dergelijke partner van de publieke sector in dergelijke omstandigheden redelijkerwijs kon voorzien dat een negatief „economisch voordeel” kon worden gelijkgesteld met de onmogelijkheid om dat voordeel te kwantificeren.

103    Gelet op een en ander moet op de vijfde vraag worden geantwoord dat artikel 49, lid 1, van het Handvest en het rechtszekerheidsbeginsel aldus moeten worden uitgelegd dat zij zich niet verzetten tegen een nationale regeling die, in geval van niet-naleving van het vereiste van onpartijdigheid dat is opgelegd aan de persoon die bevoegd is om te zorgen voor de inschrijving van een vennootschap in het register van partners van de publieke sector, enkel bepaalt dat aan die vennootschap een geldboete wordt opgelegd die overeenkomt met het bedrag van het economische voordeel dat deze vennootschap in het kader van haar betrekkingen met de publieke sector heeft verkregen, zonder de parameters te preciseren aan de hand waarvan dat voordeel kan worden vastgesteld, voor zover die parameters voortvloeien uit een gebruikelijke methode van uitlegging van het recht die door de bevoegde nationale rechterlijke instanties wordt toegepast, zodat die vennootschap in staat is om op voldoende duidelijke en nauwkeurige wijze te bepalen aan welke sancties zij zich in geval van schending van die regeling blootstelt.

 Vierde vraag

104    Met zijn vierde vraag wenst de verwijzende rechter in essentie te vernemen of artikel 49, lid 3, van het Handvest aldus moet worden uitgelegd dat het zich verzet tegen een nationale regeling waarbij aan een vennootschap die deze regeling heeft geschonden automatisch een geldboete wordt opgelegd die overeenkomt met het bedrag van het economische voordeel dat deze vennootschap in het kader van haar betrekkingen met de publieke sector heeft verkregen, zonder dat de bevoegde autoriteit een onderscheid kan maken naargelang van de aard van het gepleegde strafbare feit of rekening kan houden met de andere negatieve rechtsgevolgen die de oplegging van die geldboete voor de bestrafte vennootschap kan hebben.

105    In dit verband zij eraan herinnerd dat het in artikel 49, lid 3, van het Handvest neergelegde beginsel van evenredigheid van straffen vereist dat de zwaarte van een sanctie strookt met de ernst van de inbreuk in kwestie (zie in die zin arrest van 6 oktober 2021, ECOTEX BULGARIA, C‑544/19, EU:C:2021:803, punt 97 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

106    Het evenredigheidsbeginsel moet niet alleen in acht worden genomen bij de vaststelling van de constitutieve bestanddelen van een inbreuk, maar ook bij de vaststelling van de regels inzake de hoogte van de geldboeten en de beoordeling van de factoren die in aanmerking kunnen worden genomen om de geldboete te bepalen (arrest van 6 oktober 2021, ECOTEX BULGARIA, C‑544/19, EU:C:2021:803, punt 98 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

107    Uit de rechtspraak van het Hof volgt tevens dat de repressieve maatregelen die krachtens een nationale wettelijke regeling zijn toegestaan, niet buiten de grenzen mogen treden van wat noodzakelijk is voor de verwezenlijking van de legitieme doelstellingen die met deze wettelijke regeling worden nagestreefd. In dit verband heeft het Hof verduidelijkt dat de strengheid van de sancties in verhouding dient te staan tot de ernst van de strafbaar gestelde feiten. De sancties moeten met name een reële afschrikkende werking hebben (zie in die zin arrest van 6 oktober 2021, ECOTEX BULGARIA, C‑544/19, EU:C:2021:803, punten 99 en 100 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

108    In casu blijkt uit het verzoek om een prejudiciële beslissing dat krachtens § 13, lid 1, onder a), eerste zinsdeel, van de wet RPPS aan de partner van de publieke sector een geldboete wordt opgelegd die overeenkomt met het bedrag van het economische voordeel dat die partner in het kader van zijn betrekkingen met de publieke sector heeft verkregen, en dit voor alle daarin bedoelde inbreuken, in het bijzonder in geval van schending van het verbod van § 19, onder c), van die wet.

109    In de eerste plaats moet worden opgemerkt dat deze bepalingen, gelet op de bewoordingen ervan en op de elementen in het verzoek om een prejudiciële beslissing, een stelsel van objectieve aansprakelijkheid invoeren, op grond waarvan de vaststelling van de feiten die de inbreuk opleveren, los van opzet of nalatigheid van de betrokken personen – te weten de marktdeelnemer die partner van de publieke sector is en de persoon die bevoegd is om te zorgen voor diens inschrijving in het RPPS –, volstaat opdat de registratieautoriteit een geldboete oplegt die overeenkomt met het economische voordeel dat deze marktdeelnemer in het kader van zijn betrekkingen met de publieke sector heeft verkregen.

110    Dat de geldboete die bij schending van met name die § 19, onder c), wordt opgelegd gelijk kan zijn aan een dergelijk voordeel, betekent op zich niet dat artikel 49, lid 3, van het Handvest zich verzet tegen § 13, lid 1, onder a), eerste zinsdeel, van de wet RPPS. Het valt namelijk niet uit te sluiten dat een sanctie die erop gericht is het gehele economische voordeel weg te nemen dat een onderneming in het kader van haar betrekkingen met de publieke sector heeft verkregen wanneer deze onderneming niet aan de vereisten van die wet heeft voldaan, coherent en doeltreffend is om het door die wet nagestreefde doel te bereiken, namelijk de transparantie van de juridische en commerciële betrekkingen die de publieke sector met zijn partners onderhoudt te waarborgen.

111    Evenzo is de door de verwijzende rechter vermelde omstandigheid dat § 13, lid 1, onder a), eerste zinsdeel, van de wet RPPS geen enkele bovengrens voor een dergelijke geldboete vaststelt op zich niet in strijd met het beginsel van evenredigheid van straffen in de zin van artikel 49, lid 3, van het Handvest, aangezien de invoering van een dergelijke bovengrens de doeltreffendheid van de geldboete en de afschrikkende en repressieve werking ervan in gevaar zou kunnen brengen, doordat zij bepaalde marktdeelnemers ertoe zou kunnen aanzetten om de uit deze wet voortvloeiende verplichtingen niet na te komen wanneer het economische voordeel dat zij in het kader van hun betrekkingen met de publieke sector verwachten die bovengrens overschrijdt.

112    In de tweede plaats wijst de verwijzende rechter er echter op dat de registratieautoriteit bij de toepassing van § 13, lid 1, onder a), eerste zinsdeel, van wet RPPS automatisch de in die bepaling bedoelde geldboete oplegt, zonder rekening te houden met de specifieke omstandigheden van het concrete geval. Opgemerkt zij dat een dergelijk automatisme in het kader van een geldboete waarvan het bedrag potentieel zeer hoog is, niet in overeenstemming is met het evenredigheidsbeginsel in de zin van artikel 49, lid 3, van het Handvest aangezien die autoriteit niet de mogelijkheid heeft om het bedrag van de geldboete aan te passen aan de ernst van de gepleegde inbreuk.

113    In het bijzonder preciseert deze rechter dat de registratieautoriteit geen rekening houdt met het feit dat de in het RPPS opgenomen informatie over de uiteindelijke begunstigde van de partner van de publieke sector juist is. De juistheid van deze informatie is evenwel een relevante omstandigheid bij de oplegging van de geldboete door deze autoriteit. In een dergelijk geval stelt deze informatie de entiteiten van de publieke sector namelijk in staat om op betrouwbare wijze te beschikken over alle relevante gegevens over de marktdeelnemer die juridische en commerciële betrekkingen met die sector wenst aan te gaan, waardoor de transparantie in het kader van die betrekkingen wordt gewaarborgd en daarmee de verwezenlijking van de door de wet RPPS nagestreefde doelstelling.

114    In de derde plaats blijkt uit § 13, lid 6, van deze wet dat de registratieautoriteit bij het opleggen van een geldboete inzonderheid rekening houdt met de aard, de ernst, de wijze en de gevolgen van de niet-nakoming van de verplichting in kwestie. De verwijzende rechter preciseert evenwel dat deze bepaling in de praktijk slechts van toepassing is wanneer het door de partner van de publieke sector verkregen economische voordeel niet kan worden gekwantificeerd, zodat het bedrag van de geldboete moet worden beoordeeld in het licht van § 13, lid 1, onder a), tweede zinsdeel, van de wet RPPS.

115    De toepassing van § 13, lid 6, van deze wet kan in een dergelijk geval weliswaar voldoen aan het evenredigheidsvereiste van artikel 49, lid 3, van het Handvest, maar het staat dus aan de verwijzende rechter om zich ervan te vergewissen dat in casu, indien hij van oordeel zou zijn dat de registratieautoriteit de in het hoofdgeding aan de orde zijnde geldboeten correct heeft opgelegd op grond van § 13, lid 1, onder a), tweede zinsdeel, van die wet, die autoriteit overeenkomstig dat § 13, lid 6, alle relevante omstandigheden van het geval in aanmerking heeft genomen.

116    Wat in de vierde en laatste plaats de andere nadelige gevolgen van de wet RPPS voor de bestrafte vennootschap betreft, wijst de verwijzende rechter er ten eerste op dat zodra de opgelegde geldboete definitief is geworden de entiteit van de publieke sector krachtens § 15 van deze wet elke overeenkomst met de partner van de publieke sector kan opzeggen. In dit verband is het juist dat een dergelijke opzegging potentieel aanzienlijke gevolgen kan hebben voor de betrokken marktdeelnemer. Voor het onderzoek of artikel 49, lid 3, van het Handvest in acht is genomen, is het evenwel van belang erop te wijzen dat het aan de entiteit van de publieke sector staat, en niet aan de registratieautoriteit die de geldboete in de zin van § 13, lid 1, onder a), van deze wet oplegt, om rekening te houden met de ernst van de gevolgen van een dergelijke opzegging in het licht van alle andere relevante omstandigheden van het geval. In het stadium van de oplegging van de geldboete is die autoriteit namelijk niet in staat om te bepalen of de entiteit van de publieke sector de overeenkomst daadwerkelijk zal opzeggen.

117    Ten tweede acht de verwijzende rechter het in het kader van de eerbiediging van artikel 49, lid 3, van het Handvest problematisch dat diezelfde autoriteit, overeenkomstig § 13, lid 2, van de wet RPPS, overgaat tot doorhaling van de partner van de publieke sector in het RPPS wanneer zij een geldboete heeft opgelegd, die definitief is geworden, met name wegens schending van het in § 19 van die wet neergelegde verbod, en deze geldboete niet binnen de door de bevoegde rechter gestelde termijn is betaald.

118    In dit verband moet worden benadrukt dat de registratieautoriteit bij het opleggen van de geldboete niet in staat is om te bepalen of de partner van de publieke sector zal nalaten deze geldboete te betalen zodat hij in het RPPS zal worden doorgehaald. Bijgevolg kan niet in het licht van artikel 49, lid 3, van het Handvest worden geëist dat de wet RPPS deze autoriteit verplicht om bij de vaststelling van het bedrag van de geldboete rekening te houden met een dergelijke mogelijkheid.

119    Gelet op een en ander moet op de vierde vraag worden geantwoord dat artikel 49, lid 3, van het Handvest aldus moet worden uitgelegd dat het zich verzet tegen een nationale regeling waarbij aan een vennootschap die deze regeling heeft geschonden automatisch een geldboete wordt opgelegd die overeenkomt met het bedrag van het economische voordeel dat deze vennootschap in het kader van haar betrekkingen met de publieke sector heeft verkregen, zonder dat de bevoegde autoriteit bij de vaststelling van het bedrag van die geldboete rekening kan houden met enige omstandigheid die verband houdt met de niet-nakoming van de verplichting in kwestie. Daarentegen moet artikel 49, lid 3, van het Handvest aldus worden uitgelegd dat het zich niet verzet tegen een nationale regeling die voorziet in de oplegging van een geldboete met een onder- en bovengrens, mits de bevoegde autoriteit in het bijzonder rekening houdt met de aard, de ernst, de wijze en de gevolgen van de niet-nakoming van de verplichting in kwestie.

 Kosten

120    Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.

Het Hof (Achtste kamer) verklaart voor recht:

1)      Artikel 49, lid 1, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie en het rechtszekerheidsbeginsel

moeten aldus worden uitgelegd dat

zij zich niet verzetten tegen een nationale regeling volgens welke de persoon die bevoegd is om te zorgen voor de inschrijving van een vennootschap in een register van partners van de publieke sector, die inschrijving niet mag verrichten indien de betrekkingen die hij met de partner van de publieke sector onderhoudt twijfel kunnen doen rijzen over zijn onpartijdigheid, in het bijzonder wegens persoonlijke of vermogensrechtelijke banden met die partner van de publieke sector, zonder dat andere criteria zijn gepreciseerd aan de hand waarvan die onpartijdigheid kan worden beoordeeld en terwijl de niet-naleving van dit vereiste van onpartijdigheid tot de oplegging van een sanctie van strafrechtelijke aard leidt, voor zover die bevoegde persoon en die partner van de publieke sector, gelet op de bewoordingen van die nationale regeling en de uitlegging ervan op basis van de gebruikelijke methoden van uitlegging van het recht door de bevoegde nationale rechterlijke instanties, in staat zijn om op voldoende duidelijke en nauwkeurige wijze te bepalen welk handelen of nalaten tot hun strafrechtelijke aansprakelijkheid kan leiden.

2)      Artikel 49, lid 1, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie en het rechtszekerheidsbeginsel

moeten aldus worden uitgelegd dat

zij zich niet verzetten tegen een nationale regeling die, in geval van niet-naleving van het vereiste van onpartijdigheid dat is opgelegd aan de persoon die bevoegd is om te zorgen voor de inschrijving van een vennootschap in het register van partners van de publieke sector, enkel bepaalt dat aan die vennootschap een geldboete wordt opgelegd die overeenkomt met het bedrag van het economische voordeel dat deze vennootschap in het kader van haar betrekkingen met de publieke sector heeft verkregen, zonder de parameters te preciseren aan de hand waarvan dat voordeel kan worden vastgesteld, voor zover die parameters voortvloeien uit een gebruikelijke methode van uitlegging van het recht die door de bevoegde nationale rechterlijke instanties wordt toegepast, zodat die vennootschap in staat is om op voldoende duidelijke en nauwkeurige wijze te bepalen aan welke sancties zij zich in geval van schending van die regeling blootstelt.

3)      Artikel 49, lid 3, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie

moet aldus worden uitgelegd dat

het zich verzet tegen een nationale regeling waarbij aan een vennootschap die deze regeling heeft geschonden automatisch een geldboete wordt opgelegd die overeenkomt met het bedrag van het economische voordeel dat deze vennootschap in het kader van haar betrekkingen met de publieke sector heeft verkregen, zonder dat de bevoegde autoriteit bij de vaststelling van het bedrag van die geldboete rekening kan houden met enige omstandigheid die verband houdt met de niet-nakoming van de verplichting in kwestie. Daarentegen moet artikel 49, lid 3, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie aldus worden uitgelegd dat het zich niet verzet tegen een nationale regeling die voorziet in de oplegging van een geldboete met een onder- en bovengrens, mits de bevoegde autoriteit in het bijzonder rekening houdt met de aard, de ernst, de wijze en de gevolgen van de niet-nakoming van de verplichting in kwestie.

ondertekeningen