DNB onderzoekt veerkracht industrie bij kostenstijgingen

DNB onderzoekt veerkracht industrie bij kostenstijgingen

Gegevens

Publicatiedatum
2 april 2025
Trefwoorden
Nieuws, Economie
Nieuws

Van zinksmelter tot asfaltproducent, en van voedselverwerker tot raffinaderij: de kosten voor energie en uitstoot zijn voor een goed deel van onze industrie bepalend voor hun productie. DNB onderzocht welke industriesectoren het meest kwetsbaar zijn voor prijsstijgingen.

Een ouder stel loopt door de haven van Rotterdam, met de olie industrie bij de Europoort op de achtergrond

Drie recente kostenstijgingen in het energiedomein waren een reden voor DNB om dit onderzoek te starten. Alle drie raken de industrie in Europa. Het gaat om de kosten van energie, het gebruik van het stroomnetwerk en de belasting op de uitstoot van broeikasgassen. Deze stijgingen zetten de concurrentiekracht van grote energieverbruikers in de industrie onder druk.  

In 2023 leverde de energie-intensieve industrie 7% van de toegevoegde waarde in Nederland. Ook voert de overheid al zowel subsidiërend als beprijzend beleid voor deze sectoren, met gevolgen voor de overheidsfinanciën. Het vermogen van deze bedrijven om te concurreren heeft daarom uiteindelijk ook gevolgen voor de economische structuur van Nederland, overheidsinkomsten en financiële instellingen die in deze bedrijven investeren of beleggen. Daarom is het voor De Nederlandsche Bank relevant om de impact van deze prijsveranderingen in kaart te brengen. 

Energieprijzen grootste impact

Het DNB-onderzoek bestaat uit twee delen. In het eerste deel bestuderen we hoe productiecijfers in de energie-intensieve sectoren worden beïnvloed door stijgende prijzen. Daaruit blijkt dat stijgende energieprijzen de meest doorslaggevende factor zijn. Verschillen zijn wel groot tussen sectoren: vooral de chemie en basismetaal worden geraakt. Papierfabrikanten lijken juist iets te profiteren.

In het tweede deel kijken we naar verschillen in gevoeligheid binnen de industrietakken die het meeste energie gebruiken. Om die verschillen bloot te leggen veronderstellen we dat de uitstootbelasting flink wordt verhoogd: dit kan gezien worden als een ‘stress-scenario’. Om de klimaatdoelen van de overheid te halen zijn verschillende beleidsopties mogelijk: subsidiëren, normeren en beprijzen. DNB kijkt met dit ‘stress-scenario’ naar één van de opties, namelijk beprijzen. De verschillen binnen takken blijken vervolgens inderdaad groot: we zien bijvoorbeeld dat grotere bedrijven, bedrijven die zich buiten de vijf geconcentreerde industriële clusters bevinden, en bedrijven met een buitenlands moederbedrijf een relatief goede uitgangspositie hebben om hogere uitstootkosten te dragen.

Russisch gas weg

Vergeleken met andere economische blokken, zoals de Verenigde Staten, stegen de energieprijzen in Europa aanzienlijk harder. Dat heeft alles te maken met het wegvallen van Russisch gas na de volledige militaire inval van Oekraïne door Rusland, die nu drie jaar geleden begon. Daardoor zijn en blijven de prijzen hoger dan in de regio's waarmee de EU concurreert. De handel in futures voor gas suggereert een gasprijs in Nederland eind 2025 op €39/MWh, tegenover €11/MWh in de VS. 

Ook elektriciteitskosten zijn hoog, en is er voorlopig geen zicht op een daling. In elektriciteitsnetwerken moet stevig worden geïnvesteerd de komende jaren. Ze moeten worden uitgebreid met het grotere aanbod van en vraag naar minder uitstootintensieve energiebronnen. Ten opzichte van het buitenland zijn de kosten voor Nederlandse grootverbruikers sterk gestegen. Dat komt omdat een belangrijke kortingsregeling eind 2024 is stopgezet.

Verder is de prijs van emissierechten voor uitstoot van broeikasgassen onder het Europese Emissiehandelssysteem (ETS) de afgelopen jaren flink gestegen. Jarenlang fluctueerde de prijs tussen de €5 en €10, maar sinds 2018 is deze flink opgelopen. Voor 2025 wordt een gemiddelde prijs van €67 verwacht. Zelfs als we rekening houden met de gratis rechten die de Europese industrie ontvangt, betalen Europese uitstoters meer dan uitstoters buiten Europa, waar uitstootbeprijzing vaak minimaal is. Het effect van de gestegen CO2-belasting blijft door die gratis rechten vooralsnog wel klein, wanneer we dat vergelijken met de stijging van de energieprijzen.

Vooral chemie en basismetaal geraakt

De impact van de prijsstijgingen op industriebedrijven loopt sterk uiteen, zowel tussen als binnen sectoren. De chemische- en basismetaalindustrie worden relatief hard geraakt door de kostenstijgingen. Het gecombineerde effect van een stijging van de prijzen van energie, het stroomnetwerk en uitstoot, is volgens onze schattingen een daling van 8% in de chemische productie en 9% in de basismetaalproductie in Nederland. 

De productiedaling in de chemie is groot vergeleken met andere EU-landen. Dit komt vanwege intensief gebruik van gas, en doordat de Nederlandse chemische industrie een relatief groot deel exporteert naar landen buiten de EU, waar energie- en uitstootprijzen lager zijn. In de meeste andere sectoren is de daling van de productie kleiner.  

Voor de competitiviteit in het komende decennium zijn nog andere factoren die een rol kunnen spelen in de toekomst, zoals de mogelijkheden om te verduurzamen, de invoering van een Europese importheffing voor CO2-intensieve producten (CBAM), arbeidskosten, subsidies en de nationale CO2-heffing. Deze blijven in onze analyse buiten beschouwing, omdat ze sterk bedrijfsspecifiek zijn, op een andere tijdsschaal spelen of al in veel detail bekeken zijn.

Niet iedereen verliest

Enkele sectoren, zoals papierfabrikanten, profiteren door de bank genomen zelfs van de prijsstijgingen. Dat heeft te maken met hun energie-efficiëntie. Sommige bedrijven in deze sectoren ontvangen door hun schone productie bijvoorbeeld meer gratis uitstootrechten dan ze nodig hebben. Anderen zien weliswaar een stijging in de kosten, maar die is minder sterk dan die van hun Europese concurrenten wat hun een relatief voordeel oplevert. 

Binnen sectoren zijn er grote verschillen tussen bedrijven. Dit blijkt uit  een doorrekening met een ‘stressscenario’: een fictieve, forse CO2-belasting op industriebedrijven die onder het ETS vallen. Hoewel deze hogere belasting overal de winstmarges verlaagt, varieert de impact sterk. Sommige bedrijven behouden hun marges grotendeels, zeker als ze hun gedrag aanpassen, terwijl andere verlieslatend worden. Zelfs binnen relatief zwaar getroffen sectoren, zoals de chemie, blijven er bedrijven die winst maken, ook na de fictieve verhoging van het CO2-heffingstarief. 

Prijsprikkels leiden ook tot gedragsaanpassingen. Bij een fictieve uitstootbelasting van €50 euro per ton, veel hoger dan de huidige effectieve kosten voor CO2, stijgt het aantal industriële bedrijven dat verlies maakt van 17% naar 32% als we aannemen dat bedrijven de kosten van de belasting volledig zelf dragen. Dit is het meest pessimistische scenario. In de praktijk is het tarief lager, en kunnen bedrijven waarschijnlijk een deel van de kosten doorberekenen of ze uit te sparen door zuiniger met energie om te gaan.

Europese coördinatie levert winst op

Bedrijven kunnen kosten beter of zelfs uitsluitend doorberekenen als concurrerende landen met gelijkaardige prijsstijgingen te maken krijgen. Daarom is het belangrijk gezamenlijk Europees beleid te voeren. Dit is belangrijk voor de Nederlandse industrie, omdat deze vooral op de Europese markt concurreert.

Uit onze schattingen blijkt dan ook dat aanpassingen op nationaal niveau een beduidend groter effect op de productie hebben dan veranderingen op Europees niveau. Een nationale stijging van netwerkkosten heeft bijvoorbeeld een grotere impact dan een hoger Europees CO2-tarief. Dit benadrukt de noodzaak van coördinatie van energie- en klimaatbeleid op EU-niveau. 

De veranderende geopolitieke realiteit onderstreept het belang van een krachtig Europa. Dat biedt ook kansen, bijvoorbeeld om het beleid voor grote energieverbruikers verder te harmoniseren. Dat is goed voor Europa als geheel, maar in het bijzonder voor Nederland. De EU heeft met het Draghi-rapport, het Competitiveness Compass en de EU Clean Industrial Deal al stappen gezet. Daarin staan bijvoorbeeld voorstellen voor verdere integratie van markten. Tegelijkertijd blijft er veel te winnen. Zo verruimt de EU met de EU Clean Industrial Deal de mogelijkheden voor landen om hun industrieën te subsidiëren. Dit kan een verdere subsidierace tussen landen binnen Europa tot gevolg hebben. Vooral landen met fiscale ruimte en een grote bereidheid om hun industrieën te ondersteunen zullen subsidies geven, en niet de landen waar deze industrieën het meest efficiënt kunnen produceren. Dat lijkt niet in het belang van Europa, en in het bijzonder niet in het belang van Nederland.   

DNB onderzoekt veerkracht industrie bij kostenstijgingen

Meer lezen? In het economenvakblad Economisch Statistische Berichten (ESB) gaan experts van DNB in twee artikelen dieper in op dit onderwerp. Het eerste artikel is Effect CO₂-beprijzing verschilt sterk tussen industriële bedrijven, het tweede is Toekomst energie-intensieve industrie vergt Europese coördinatie.