Home

College van Beroep voor het bedrijfsleven, 12-12-2013, ECLI:NL:CBB:2013:331, AWB 11/1098

College van Beroep voor het bedrijfsleven, 12-12-2013, ECLI:NL:CBB:2013:331, AWB 11/1098

Gegevens

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
12 december 2013
Datum publicatie
28 januari 2014
ECLI
ECLI:NL:CBB:2013:331
Formele relaties
Zaaknummer
AWB 11/1098
Relevante informatie
Meststoffenwet [Tekst geldig vanaf 01-01-2025 tot 01-01-2030]

Inhoudsindicatie

bestuurlijke boete, overtreding Meststoffenwet, misleiding, verwijtbaarheid, matiging

Uitspraak

uitspraak

zaaknummer: 11/1098

16005

Uitspraak van de meervoudige kamer van 12 december 2013 op het hoger beroep van:

te [vestigingsplaats], appellante,

tegen de uitspraak van de rechtbank Almelo van 2 november 2011 in het geding tussen appellante

en

gemachtigde van appellante: mr. G. Beekman

gemachtigde van verweerder: mr. B. Raven

Procesverloop in hoger beroep

Appellante heeft bij brief van 8 december 2011 hoger beroep ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank Almelo van 2 november 2011 (10/689 BESLU V1 A en 10/690 BESLU V1 A, ECLI:NL:RBALM:2011:BU5204, hierna: de aangevallen uitspraak).

Bij brief van 7 maart 2012 heeft verweerder een reactie op het hoger beroepschrift ingediend.

Op 19 september 2013 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgehad, waarbij de gemachtigden van partijen en van de zijde van appellante [naam 1] en [naam 2] zijn verschenen.

Grondslag van het geschil

1.

Voor een uitgebreide weergave van het verloop van de procedure en de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden, voor zover niet bestreden, wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak, die is aangehecht. Het College volstaat met het volgende.

1.1

Op 5 december 2007 is door de Algemene inspectiedienst (hierna: de AID) bij een controle vastgesteld dat door [bedrijfsnaam 2] (hierna: [bedrijfsnaam 2]) op een perceel van appellante een vracht werd gelost. De AID heeft vervolgens op 20 maart 2008 onderzoek gedaan bij appellante. Bij dit onderzoek bleek dat er geen afleveringsbewijs kon worden overgelegd voor de levering in december. Vervolgens is een strafrechtelijk traject gestart, waarbij monsters zijn genomen van de betreffende levering, omdat het vermoeden bestond dat het om afval ging. Uit die monsters bleek evenwel dat het compost betrof. Het strafrechtelijke traject is daarop beëindigd en het bestuursrechtelijk traject is voortgezet op 29 september 2008. Reden voor nader onderzoek was ook dat uit onderzoek naar [bedrijfsnaam 2] op 19 mei 2008 naar voren was gekomen dat in de periode van oktober 2007 tot en met 17 december 2007 minimaal 96 vrachten compost door [bedrijfsnaam 2] aan appellante geleverd zouden zijn. De AID heeft de bevindingen van het onderzoek naar appellante neergelegd in een afdoeningsrapport van 12 december 2008. In dat rapport is ook informatie opgenomen over overige aan- en afvoer van mest, de mestproductie en uit de opslag gekomen meststoffen op het bedrijf van appellante. Op basis van die bevindingen heeft verweerder aan appellante bij primair besluit van 14 juli 2009 een boete opgelegd van € 95.194,-- voor de overtreding van artikel 7 van de Meststoffenwet (hierna: Msw) in het jaar 2007. Daarbij is uitgegaan van een overschrijding van de fosfaatgebruiksnorm met 8.654 kg. Bij primair besluit van 5 januari 2010 is een boete opgelegd van € 28.996,-- voor overtreding van artikel 7 van de Msw in het jaar 2008. Daarbij is uitgegaan van een overschrijding van de fosfaatgebruiksnorm met 2.636 kg. Dat de 96 vrachten compost bevatten is gebaseerd op gegevens van [bedrijfsnaam 2], met name door haar opgemaakte (koppel)afleveringsbewijzen en verkoopbevestigingen, die zijn vergeleken met gegevens van Dienst Regelingen. Voor alle vrachten stond appellante geregistreerd als gebruiker en is als losplaats [vestigingsplaats] vermeld. Verder zijn verklaringen van appellante en van de directeuren van [bedrijfsnaam 2] bij het bewijs betrokken. Zo heeft [naam 1] namens appellante de aanvoer van een grondverbeteringsproduct door [bedrijfsnaam 2] bevestigd en verklaard dit product op zijn land te hebben gebruikt.

1.2

De bezwaren van appellante zijn gedeeltelijk gegrond verklaard bij besluiten van 25 en 26 mei 2010. Op basis van bewijzen die appellante heeft ingebracht omtrent de beginvoorraad in 2008, de daarmee corresponderende eindvoorraad in 2007 en de afvoer van mest naar (onder meer) Duitsland heeft verweerder de overschrijding van de gebruiksnormen bijgesteld. Voor het jaar 2007 is in het besluit van 26 mei 2010 uitgegaan van een overschrijding van de fosfaatgebruiksnorm met 3.609 kg. De uiteindelijke opgelegde boete bedraagt € 17.864,--. Daarbij is een matiging toegepast van 50% wegens de bijzondere omstandigheden van het geval en van 10% wegens overschrijding van de beslistermijn. Voor het jaar 2008 is in het besluit van 25 mei 2010 uitgegaan van een overschrijding van de fosfaatgebruiksnorm met 4.283 kg. De boete die uiteindelijk is opgelegd bedraagt € 35.334,--. Daarbij is een matiging van 25% toegepast wegens bijzondere omstandigheden.

De uitspraak van de rechtbank

2.

De rechtbank heeft het beroep tegen de besluiten van 25 en 26 mei 2010 ongegrond verklaard. De overwegingen die de rechtbank tot deze beslissing hebben gebracht zijn vermeld onder 3 van de aangevallen uitspraak.

De beoordeling van het geschil in hoger beroep

Beslissing