Home

College van Beroep voor het bedrijfsleven, 12-12-2013, ECLI:NL:CBB:2013:332, AWB 11/877

College van Beroep voor het bedrijfsleven, 12-12-2013, ECLI:NL:CBB:2013:332, AWB 11/877

Gegevens

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
12 december 2013
Datum publicatie
28 januari 2014
ECLI
ECLI:NL:CBB:2013:332
Zaaknummer
AWB 11/877
Relevante informatie
Meststoffenwet [Tekst geldig vanaf 01-01-2025 tot 01-01-2030] art. 7

Inhoudsindicatie

boete, compost is een meststof, verwijtbaarheid, misleiding, redelijke termijn

Uitspraak

uitspraak

zaaknummer: 11/877

16005

Uitspraak van de meervoudige kamer van 12 december 2013 op het hoger beroep van:

[Maatschap] en [bedrijfsnaam 1] en [naam 1] als rechtsopvolger van [Maatschap] en [bedrijfsnaam 1],

te [vestigingsplaats], appellanten,

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 15 september 2011 (AWB 11/113 WET-T2) in het geding tussen appellanten

en

gemachtigde van appellanten: mr. W.P.N. Remie

gemachtigde van verweerder: mr. B. Raven

Procesverloop in hoger beroep

Appellanten hebben bij brief van 26 oktober 2011 hoger beroep ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 15 september 2011.

Bij brief van 28 december 2011 heeft verweerder een reactie op het hoger beroepschrift ingediend.

Op 19 september 2013 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgehad, waarbij de gemachtigden van partijen en [naam 2] zijn verschenen.

Grondslag van het geschil

1.

Voor een uitgebreide weergave van het verloop van de procedure en de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden, voor zover niet bestreden, wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak, die is aangehecht. Het College volstaat met het volgende.

1.1

Op 19 mei 2008 heeft de Algemene Inspectiedienst (hierna: AID) een onderzoek ingesteld bij [bedrijfsnaam 2] (hierna: [bedrijfsnaam 2]) en [bedrijfsnaam 3] (hierna: [bedrijfsnaam 3]). Uit dit onderzoek kwam naar voren dat door [bedrijfsnaam 2] in de periode van 23 april tot en met 2 mei 2007 56 vrachten compost afgeleverd zouden zijn bij appellanten. De AID is vervolgens in

juli 2008 een onderzoek gestart naar appellanten. In een rapport van 3 november 2008 zijn de bevindingen van dat onderzoek neergelegd. In dat rapport is ook informatie opgenomen over overige aan-en afvoer van mest, de mestproductie en uit de opslag gekomen meststoffen op het bedrijf van appellanten. Op basis van dat rapport heeft verweerder aan appellanten bij primair besluit van 7 juli 2009 een boete opgelegd van € 53.141,- wegens overtreding van artikel 7 van de Meststoffenwet (Msw). Daarbij is uitgegaan van overschrijding van de fosfaatgebruiksnorm met 4.831 kg. Dat het geleverde product compost bevat is gebaseerd op gegevens van [bedrijfsnaam 2], met name op door haar opgemaakte afleverbewijzen en verkoopbevestigingen, die zijn vergeleken met gegevens van Dienst Regelingen. Voor 49 vrachten stond [bedrijfsnaam 3] als afnemer vermeld en voor 7 vrachten appellanten. Voor alle vrachten stond als losplaats het adres van appellanten vermeld en appellanten stonden geregistreerd als gebruiker. Aan de boete zijn ook bewijzen uit de administratie van appellanten zelf ten grondslag gelegd, zoals een fax met een overzicht van de eerdergenoemde 56 vrachten met daarbij als beschrijving ‘civiel project’ en doorslagen van afleveringsbewijzen. Daarnaast zijn bij de accountant van appellanten stukken aangetroffen, zoals doorslagen van afleveringsbewijzen en een factuur van [bedrijfsnaam 2], waarop 56 vrachten waren gespecificeerd naar gewicht en leverdatum. Bij elk van de vrachten stond als omschrijving ‘compost’ vermeld. Blijkens deze factuur ontving appellanten een bedrag van € 2.139,38 van [bedrijfsnaam 2]. Tevens is bij de accountant een factuur aangetroffen van een loon- en verhuurbedrijf voor het verspreiden van mest. In het rapport staan ook verklaringen van (de directeuren van) [bedrijfsnaam 2] opgenomen, waarin wordt bevestigd dat compost aan appellanten is geleverd. Ook staat opgenomen een verklaring van een door appellanten ingeschakelde loonwerker, die heeft verklaard compost te hebben verspreid op het land van appellanten.

1.2

Het bezwaar van appellanten is gedeeltelijk gegrond verklaard bij besluit van 29 november 2010. De staatssecretaris heeft aangenomen, op basis van verklaringen van [naam 1], die werden ondersteund door verklaringen van de directeur van [bedrijfsnaam 2], dat een deel van de door [bedrijfsnaam 2] aangevoerde compost (de leveringen van 15 en 16 december 2006) niet is aangewend op het land van appellanten, maar na menging op het bedrijf van appellanten is afgevoerd naar een nieuwbouwproject genaamd [...]. Naar aanleiding van een verzoek van 4 november 2009 zijn de afleveringsbewijzen voor de vrachten van 15 en 16 december 2006 aangepast. De overschrijding van de fosfaatgebruiksnorm is verminderd en door verweerder vastgesteld op 3220 kg. Verweerder heeft de boete van € 35.420,-- vervolgens gematigd met 25% en nog eens met 10% wegens overschrijding van de beslistermijn, waarmee de uiteindelijk opgelegde boete € 23.908,- bedraagt.

De uitspraak van de rechtbank

2.

De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard. De overwegingen die de rechtbank tot deze beslissing hebben gebracht zijn vermeld onder 2.5 tot en met 2.7.3 van de aangevallen uitspraak.

De beoordeling van het geschil in hoger beroep

Beslissing