College van Beroep voor het bedrijfsleven, 12-12-2013, ECLI:NL:CBB:2013:333, AWB 11/573
College van Beroep voor het bedrijfsleven, 12-12-2013, ECLI:NL:CBB:2013:333, AWB 11/573
Gegevens
- Instantie
- College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Datum uitspraak
- 12 december 2013
- Datum publicatie
- 29 januari 2014
- ECLI
- ECLI:NL:CBB:2013:333
- Formele relaties
- Eerste aanleg: ECLI:NL:RBMID:2011:BT2059
- Zaaknummer
- AWB 11/573
- Relevante informatie
- Meststoffenwet [Tekst geldig vanaf 01-01-2025 tot 01-01-2030] art. 7
Inhoudsindicatie
Boete, compost is een meststof, verwijtbaarheid, misleiding, redelijke termijn
Uitspraak
uitspraak
zaaknummer: 11/573
16005
Uitspraak van de meervoudige kamer van 12 december 2013 op het hoger beroep van:
en [naam 3], te [vestigingsplaats], appellanten,
tegen de uitspraak van de rechtbank Middelburg van 9 juni 2011 (AWB 10/633, www.rechtspraak.nl, LJN BT2059) in het geding tussen appellanten
en
gemachtigde van appellanten: mr. W.P.N. Remie
gemachtigde van verweerder: mr. B. Raven
Procesverloop in hoger beroep
Appellanten hebben bij brief van 20 juli 2011 hoger beroep ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank Middelburg 9 juni 2011 (de aangevallen uitspraak).
Bij brief van 20 oktober 2011 heeft de staatssecretaris een reactie op het hoger beroepschrift ingediend.
Op 19 september 2013 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgehad, waarbij de gemachtigden van partijen zijn verschenen.
De grondslag van het geschil
Voor een uitgebreide weergave van het verloop van de procedure en de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden, voor zover niet bestreden, wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. Het College volstaat met het volgende.
Op 19 mei 2008 heeft de Algemene Inspectiedienst (hierna: AID) een onderzoek ingesteld bij [bedrijfsnaam 1](hierna: [bedrijfsnaam 1]) en [bedrijfsnaam 2] (hierna: [bedrijfsnaam 2]). Uit dit onderzoek kwam naar voren dat door [bedrijfsnaam 1] in de periode van 14 juni 2007 tot en met 25 juni 2007 44 vrachten compost afgeleverd zouden zijn aan appellanten (ad.1298,70 ton). De AID is vervolgens op 24 juli 2008 een onderzoek gestart naar appellanten. In een afdoeningsrapport van 30 oktober 2008 zijn de bevindingen van dat onderzoek neergelegd. In dat rapport is ook informatie opgenomen over overige aan- en afvoer van mest, de mestproductie en uit de opslag gekomen meststoffen op het bedrijf van appellanten. Op basis van dat rapport heeft de staatssecretaris aan appellanten bij primair besluit van 7 juli 2009 een boete opgelegd van € 14.630,- wegens overtreding van artikel 7 van de Meststoffenwet (Msw). Daarbij is uitgegaan van een overschrijding van de fosfaatgebruiksnorm met 1330 kg. Dat het geleverde product compost bevatte is gebaseerd op gegevens van [bedrijfsnaam 1], met name op door haar opgemaakte (koppel)afleveringsbewijzen en verkoopbevestigingen, welke gegevens zijn vergeleken met gegevens van Dienst Regelingen. Voor 44 vrachten stond [bedrijfsnaam 2] als afnemer vermeld. Voor 17 vrachten zijn door [bedrijfsnaam 2] koppelafleveringsbewijzen opgemaakt met als afnemer appellanten. Voor 44 vrachten stonden appellanten geregistreerd als gebruiker. Aan de boete zijn ook bewijzen uit de administratie van appellanten zelf ten grondslag gelegd, zoals doorslagen van 17 afleveringsbewijzen, een verkoopbevestiging voor 500 ton compost van [bedrijfsnaam 1] aan appellanten, voor € 1,-- per ton en een overeenkomst grondverbetering tussen [bedrijfsnaam 1] en appellanten. Daarnaast zijn bij de accountant van appellanten stukken aangetroffen, te weten twee facturen van [bedrijfsnaam 1] B.V. van € 505,90 (voor 17 vrachten compost) en € 792,94 (voor ‘aanvulling grondverbeterwerkzaamheden’). Ook verklaringen van appellanten, van de directeuren van [bedrijfsnaam 1] en van [naam 4] zijn bij het bewijs betrokken. Zo staat in het rapport een verklaring opgenomen van [naam 3] waarin hij de aanvoer van een grondverbeteringsproduct door [bedrijfsnaam 1] heeft bevestigd, waarvoor een bedrag van € 1 per ton is betaald aan [bedrijfsnaam 1], en waarin hij heeft verklaard dat appellanten dit product door een werknemer hebben laten verspreiden op hun land.
Het bezwaar van appellanten is gedeeltelijk gegrond verklaard bij besluit van 29 juni 2010. Verweerder heeft de boete gematigd met 25% en nog eens met 10% wegens overschrijding van de beslistermijn, waarmee de uiteindelijk opgelegde boete € 9.874,-- bedraagt.
De uitspraak van de rechtbank
De rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard, voor zover het de hoogte van de bestuurlijke boete betreft, heeft het besluit in zoverre vernietigd en de boete vastgesteld op € 6.583,50. De rechtbank heeft geoordeeld dat de bijzondere omstandigheden in dit geval aanleiding hadden moeten geven de boete met 50% in plaats van 25% te matigen. De overwegingen die de rechtbank tot deze beslissing hebben gebracht zijn vermeld onder rechtsoverweging 8 tot en met 12 van de aangevallen uitspraak.