College van Beroep voor het bedrijfsleven, 12-12-2013, ECLI:NL:CBB:2013:335, AWB 12/6
College van Beroep voor het bedrijfsleven, 12-12-2013, ECLI:NL:CBB:2013:335, AWB 12/6
Gegevens
- Instantie
- College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Datum uitspraak
- 12 december 2013
- Datum publicatie
- 29 januari 2014
- ECLI
- ECLI:NL:CBB:2013:335
- Zaaknummer
- AWB 12/6
- Relevante informatie
- Meststoffenwet [Tekst geldig vanaf 01-01-2025 tot 01-01-2030] art. 7
Inhoudsindicatie
meststoffen, verwijtbare misleiding, matiging van de boete, redelijke termijn
Uitspraak
uitspraak
zaaknummer: 12/6
16005
Uitspraak van de meervoudige kamer van 12 december 2013 op het hoger beroep van :
te [vestigingsplaats 1], appellante,
tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 24 november 2011 (AWB 11/1661 WET-T2) in het geding tussen appellante
en
gemachtigde van appellante: mr. W.P.N. Remie
gemachtigde van de staatssecretaris: mr. B. Raven
Procesverloop in hoger beroep
Appellante heeft bij brief van 3 januari 2012 hoger beroep ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 24 november 2011 (de aangevallen uitspraak).
Bij brief van 29 maart 2012 heeft de staatssecretaris een reactie op het hoger beroepschrift ingediend.
Bij brief van 6 september 2013 heeft appellant een nader stuk ingediend.
Op 19 september 2013 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgehad, waarbij de gemachtigden van partijen en [naam 1] zijn verschenen. Voor appellante is tevens verschenen [naam 4].
Grondslag van het geschil
Voor een uitgebreide weergave van het verloop van de procedure en de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden, voor zover niet bestreden, wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. Het College volstaat met het volgende.
Op 19 mei 2008 heeft de Algemene Inspectiedienst (hierna: AID) een onderzoek ingesteld bij [bedrijfsnaam 1] (hierna: [bedrijfsnaam 1]) en [bedrijfsnaam 2] (hierna: [bedrijfsnaam 2]). Uit dit onderzoek kwam naar voren dat door [bedrijfsnaam 1] in de periode van 2 juli 2007 tot en met 14 augustus 2007 309 vrachten compost afgeleverd zouden zijn aan appellante. De AID is vervolgens op 17 september 2008 een onderzoek gestart naar appellante. In een afdoeningsrapport van 3 november 2008 zijn de bevindingen van dat onderzoek neergelegd. In dat rapport is ook informatie opgenomen over overige aan- en afvoer van mest, de mestproductie en uit de opslag gekomen meststoffen op het bedrijf van appellante. Op basis van dat rapport heeft de staatssecretaris aan appellante bij primair besluit van 7 juli 2009 een boete opgelegd van € 168.754,-- voor overtreding van artikel 7 van de Meststoffenwet (Msw). Daarbij is uitgegaan van een overschrijding van de stikstofgebruiksnorm met 5.766 kg en overschrijding van de fosfaatgebruiksnorm met 11.672 kg. Dat het geleverde product compost bevat is gebaseerd op gegevens van [bedrijfsnaam 1], met name op door [bedrijfsnaam 1] en [bedrijfsnaam 2] opgemaakte (koppel)afleverbewijzen en verkoopbevestigingen, die zijn vergeleken met gegevens van Dienst Regelingen en gegevens van vervoerders en compost producerende ondernemingen. De vrachten zijn volgens die gegevens afgeleverd bij appellante. Als losplaats is daarbij zowel [vestigingsplaats 1] als [vestigingsplaats 2] vermeld. Voor alle 309 vrachten stond appellante geregistreerd als gebruiker in de administratie van [bedrijfsnaam 1]. Aan de boete is ook bewijs uit de administratie van appellante zelf ten grondslag gelegd, te weten een factuur van [bedrijfsnaam 1] aan appellante voor € 13.228,71 (exclusief BTW) voor de levering van in totaal 7.700,57 ton grond. De hoeveelheden komen overeen met de gegevens van de aan appellante afgeleverde vrachten compost zoals aangetroffen bij [bedrijfsnaam 1], en zoals bekend bij Dienst Regelingen. Bij de accountant van appellante is een factuur aangetroffen van een loonbedrijf voor de verstrooiing van organisch materiaal ten behoeve van een grondverbeteringsproject (ten bedrage van € 13.470,35). In het rapport zijn verder verklaringen van [naam 1], [naam 2] en van de directeuren van [bedrijfsnaam 1] opgenomen. Zo heeft [naam 1] de aanvoer van een grondverbeteringsproduct door [bedrijfsnaam 1] bevestigd en heeft hij verklaard dat het aangevoerde product op landbouwgrond is gebruikt, welke grond in 2006 door appellante bij een bedrijfsovername is overgenomen.
Het bezwaar van appellante is gedeeltelijk gegrond verklaard bij besluit van 3 maart 2011. De staatssecretaris heeft de boete gematigd met 50% en nog eens met 10% wegens overschrijding van de beslistermijn, waarmee de uiteindelijk opgelegde boete € 75.939,-- bedraagt.
De uitspraak van de rechtbank
De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard. De overwegingen die de rechtbank tot deze beslissing hebben gebracht zijn vermeld onder 2.5 tot en met 2.7.2 van de aangevallen uitspraak.