College van Beroep voor het bedrijfsleven, 31-03-2014, ECLI:NL:CBB:2014:105, AWB 13/337
College van Beroep voor het bedrijfsleven, 31-03-2014, ECLI:NL:CBB:2014:105, AWB 13/337
Gegevens
- Instantie
- College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Datum uitspraak
- 31 maart 2014
- Datum publicatie
- 1 april 2014
- ECLI
- ECLI:NL:CBB:2014:105
- Formele relaties
- Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2013:BZ6780, Overig
- Zaaknummer
- AWB 13/337
Inhoudsindicatie
Hoger beroep tegen uitspraak Rb Rotterdam, waarbij het beroep tegen een door DNB gegeven aanwijzing ongegrond is verklaard. De aan een onderneming van appellant gegeven aanwijzing betreft het volgen van de gedragslijn dat appellant het beleid van die onderneming niet meer kan bepalen of mede bepalen. De aanwijzing is gegrond op een negatief betrouwbaarheidsoordeel, naar aanleiding van een aantal toezichtantecedenten dat zich volgens DNB ten aanzien van appellant heeft voorgedaan.
Uitspraak
College van Beroep voor het bedrijfsleven
AWB 13/337 31 maart 2014
21700
Uitspraak op het hoger beroep van:
[naam 1] , te [woonplaats], appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 28 maart 2013 in het geding tussen appellant
en
De Nederlandsche Bank N.V., verweerster (hierna: DNB).
Gemachtigden van appellant: mr. C.A. Doets en mr. C. Riekerk.
Gemachtigde van DNB: mr. H.J. Sachse.
1 Het procesverloop in hoger beroep
Appellant heeft bij brief van 15 mei 2013, op dezelfde datum bij het College binnengekomen, hoger beroep ingesteld tegen de op 11 april 2013 aan hem toegezonden uitspraak van de rechtbank Rotterdam (hierna: rechtbank) van 28 maart 2013, www.rechtspraak.nl, ECLI:NL:RBROT:2013:BZ6780.
Bij brief van 20 juni 2013 heeft appellant een aanvullend beroepschrift ingediend.
Bij brief van 26 september 2013 heeft DNB een reactie op het hoger beroepschrift ingediend.
Op 10 december 2013 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgehad. Appellant is in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigden. DNB heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde. Voorts zijn namens DNB verschenen mr. U.E. Holdinga en mr. J.J.E. van Doorn.
2 De grondslag van het geschil
Voor een uitgebreide weergave van het verloop van de procedure, het wettelijk kader en de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden, voor zover niet bestreden, wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. Het College volstaat met het volgende.
Bij besluit van 8 maart 2012 (het primaire besluit) heeft DNB aan [bedrijfsnaam 1] (hierna: [bedrijfsnaam 1]) een aanwijzing gegeven tot het volgen van een gedragslijn dat appellant het beleid van [bedrijfsnaam 1] niet meer kan bepalen of mede bepalen.Deze aanwijzing is gegrond op een negatief betrouwbaarheidsoordeel, naar aanleiding van een aantal toezichtantecedenten, te weten: de door de Centrale Bank van Curaҫao en Sint Maarten (hierna: CBCS) aan de op Curaҫao gevestigde trustkantoor [bedrijfsnaam 3] (hierna: [bedrijfsnaam 3]) opgelegde boetes van 19 mei 2008 en 17 december 2009, het niet onmiddellijk aan DNB melden van deze boetebesluiten, het niet onmiddellijk aan DNB melden van het besluit van CBSC van 14 juli 2010 tot intrekking van de aan [bedrijfsnaam 3] verleende vergunning en het verstrekken van onjuiste informatie ter gelegenheid van zowel de op 18 juli 2011 bij DNB ingediende vergunningaanvraag voor [bedrijfsnaam 2] (hierna: [bedrijfsnaam 2]) als het op 11 november 2011 met een medewerker van DNB gevoerde telefoongesprek. Appellant is bestuurder van zowel [bedrijfsnaam 1] als [bedrijfsnaam 3] en was tevens beoogd bestuurder van [bedrijfsnaam 2].
Bij besluit van 27 augustus 2012 heeft DNB het door appellant tegen het primaire besluit ingediende bezwaar ongegrond verklaard. Tegen dit besluit heeft appellant beroep ingesteld.
3 De uitspraak van de rechtbank
De rechtbank heeft het beroep van appellant ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank, voor zover hier van belang, onder meer het volgende overwogen.
“ 6.2 Dat eiser zich niet bewust is geweest van de te melden antecedenten bij het doen van de aanvraag voor [bedrijfsnaam 2] op 18 juli 2011 en tijdens het telefoongesprek met een medewerker van DNB op 11 november 2011, acht de rechtbank niet aannemelijk. (...) DNB heeft eiser kunnen aanrekenen dat hij tijdens het telefoongesprek op 11 november 2011, wat er verder ook zij van de wijze waarop dat gesprek is verlopen, toen de situatie op Curaҫao aan de orde kwam niet onmiddellijk openheid van zaken heeft gegeven, terwijl hij daartoe wel gehouden was.
6.3 Anders dan eiser heeft aangevoerd behoefde DNB zich niet een eigen oordeel te vormen over de achterliggende feiten en omstandigheden van de boetes. In het onderhavige geval is sprake van onherroepelijke, in rechte vaststaande boetes. (...)Dat het Gerecht in eerste aanleg van Curaҫao bij uitspraak van 20 december 2011 de intrekking van de vergunning heeft vernietigd, welke uitspraak door het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaҫao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba op 25 april 2012 is bevestigd (...), is in dezen evenmin relevant. DNB heeft immers niet de intrekking van de vergunning van [bedrijfsnaam 2] aan haar besluitvorming ten grondslag gelegd, maar het niet melden van die als toezichtsantecedent te kwalificeren intrekking. (...)
6.5 De boeteopleggingen en de intrekking van de vergunning van [bedrijfsnaam 2] zijn aan te merken als toezichtsantecedenten (conflict met een toezichthouder) als bedoeld in artikel 2, tweede lid, en Bijlage C, van de Beleidsregel, die op grond van artikel 5, derde lid, van de Wtt onverwijld aan DNB hadden moeten worden gemeld. Naar het oordeel van de rechtbank heeft DNB, gelet op het vorenoverwogene, zowel het niet melden van deze antecedenten als de boetes zelf aan eiser als beleidsbepaler mogen toerekenen. Dat geldt evenzeer voor het verstrekken van onjuiste informatie over zijn arbeidsverleden. Voorts heeft DNB hieraan redelijkerwijs de gevolgtrekking kunnen verbinden dat eiser gedragingen heeft vertoond die er blijk van geven dat het hem in relevante mate ontbreekt aan eigenschappen als waarheidslievendheid, verantwoordelijkheidszin, wetsgetrouwheid en openheid als bedoeld in artikel 1, tweede lid, van de Beleidsregel, zodat de betrouwbaarheid van eiser niet langer buiten twijfel stond als bedoeld in artikel 11, tweede lid van de Wtt. DNB was dan ook bevoegd de in geding zijnde aanwijzing te geven. (...)
7.2 (...) De rechtbank is van oordeel dat DNB bij de afweging van belangen in redelijkheid een groter gewicht heeft kunnen toekennen aan de twijfel aan de betrouwbaarheid van eiser dan aan diens belangen bij het behoud van zijn functie als (mede)beleidsbepaler van [bedrijfsnaam 1]. (...)
7.3 Gelet op het vorenstaande heeft DNB dan ook in redelijkheid op grond van artikel 11, tweede lid, van de Wtt aan [bedrijfsnaam 1] de aanwijzing kunnen geven dat eiser het beleid van het trustkantoor niet meer (mede) kan bepalen.”