Home

College van Beroep voor het bedrijfsleven, 17-01-2014, ECLI:NL:CBB:2014:13, AWB 11/704

College van Beroep voor het bedrijfsleven, 17-01-2014, ECLI:NL:CBB:2014:13, AWB 11/704

Gegevens

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
17 januari 2014
Datum publicatie
30 januari 2014
ECLI
ECLI:NL:CBB:2014:13
Zaaknummer
AWB 11/704
Relevante informatie
Meststoffenwet [Tekst geldig vanaf 01-01-2025 tot 01-01-2030]

Inhoudsindicatie

boete wegens overtreding gebruiksnormen meststoffenwetgeving

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

11/704 17 januari 2014

16005

Uitspraak op het hoger beroep van:

[naam] , te [woonplaats], appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank te Middelburg van 4 augustus 2011 in het geding tussen

appellant

en

de Staatssecretaris van Economische Zaken, verweerder,

(gemachtigde: mr. F. Nijnuis).

1 Het procesverloop in hoger beroep

Appellant heeft bij brief van 24 augustus 2011, bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) binnengekomen op 26 augustus 2011, hoger beroep ingesteld tegen de hiervoor vermelde, op 4 augustus 2011 aan partijen verzonden, uitspraak van de rechtbank (AWB 11/213).

Bij brief van 30 augustus 2011 heeft de Afdeling met toepassing van artikel 6:15 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) het hoger beroepschrift aan het College doorgezonden.

Bij brief van 8 september 2011 heeft appellant de gronden van het hoger beroep ingediend.

Bij brief van 29 september 2011 heeft verweerder een reactie op het hoger beroepschrift ingediend.

Nadien heeft appellant nadere stukken aan het College gezonden.

Op 31 oktober 2012 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgehad. Appellant is in persoon verschenen. Verweerder is verschenen bij gemachtigde.

Ter zitting is het geding gevoegd behandeld met het geding met nummer 11/690. Na de zitting zijn de zaken gesplitst en heeft het College bepaald dat daarin afzonderlijk uitspraak zal worden gedaan.

Bij beslissing van 19 maart 2013 heeft het College het onderzoek heropend om aan verweerder een vraag voor te leggen.

Bij brief van 10 april 2013 heeft verweerder een reactie in het geding gebracht.

Nadat partijen daarvoor toestemming hebben gegeven heeft het College bepaald dat een nadere zitting achterwege kan blijven.

2 De grondslag van het geschil

Bij besluit van 16 december 2009 heeft verweerder appellant een boete opgelegd van € 14.116 wegens overtreding van de in de meststoffenwetgeving neergelegde normen die van toepassing zijn op het blijvend grasland van het bedrijf van appellant. Uitgaande van een eindvoorraad stikstof van 1.750 kg en een eindvoorraad fosfaat van 975 kg heeft appellant in strijd met het bepaalde in artikel 57, eerste en derde lid, van de Meststoffenwet de gebruiksnorm dierlijke mest met 1.190 kg (€ 8.330) en de gebruiksnorm fosfaat met 1.052 kg (€ 5.786) overschreden. Verweerder heeft daarbij in ogenschouw genomen dat appellant heeft verklaard dat hij in 2008 geen beginvoorraad mest had en in dat jaar geen dieren hield. Hij heeft in 2008 21 vrachten varkensmest met mestcode 50 aangevoerd en één vracht varkensmest met mestcode 46. Er was dus voornamelijk mest met mestcode 50 in de eindvoorraad aanwezig. De eindvoorraad van 250 ton is gewaardeerd tegen de forfaitaire waarden, die voor mestcode 50 zijn vastgesteld op 3,9 kg fosfaat en 7,0 kg stikstof per ton mest.

Tegen dit besluit heeft appellant bezwaar gemaakt. Bij besluit van 23 februari 2011 heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard en de boete gehandhaafd. Voor een uitgebreide weergave van het verloop van de procedure, het wettelijk kader en de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden, voor zover niet bestreden, verwijst het College naar de aangevallen uitspraak.

3 De uitspraak van de rechtbank

De rechtbank heeft het tegen het besluit van 23 februari 2011 gerichte beroep van appellant ongegrond verklaard. De rechtbank heeft geoordeeld dat verweerder terecht heeft besloten tot het opleggen aan appellant van een boete van € 14.116 en daartoe overwogen dat appellant niet heeft onderbouwd dat hij, om de vruchtbaarheid van zijn 18.69 ha grasland te verhogen, méér mest nodig heeft dan de voor hem geldende gebruiknorm van 3.177 kg. Hij heeft zich bovendien niet bij verweerder aangemeld om in aanmerking te komen voor een hogere gebruiksnorm. Voorts heeft appellant niet aannemelijk gemaakt dat hij minder mest heeft uitgereden dan verweerder heeft berekend. Dat, zoals appellant stelt, niet alle aangeleverde mest op het land zou zijn uitgereden maar als bezinksel in de kelder is achtergebleven, is volgens de rechtbank niet komen vast te staan.

4 De standpunten van partijen in hoger beroep

5 De beoordeling van het geschil in hoger beroep

6 De beslissing