College van Beroep voor het bedrijfsleven, 14-04-2014, ECLI:NL:CBB:2014:151, AWB 13/534 AWB 13/595
College van Beroep voor het bedrijfsleven, 14-04-2014, ECLI:NL:CBB:2014:151, AWB 13/534 AWB 13/595
Gegevens
- Instantie
- College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Datum uitspraak
- 14 april 2014
- Datum publicatie
- 25 april 2014
- ECLI
- ECLI:NL:CBB:2014:151
- Formele relaties
- Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2013:CA3079, Overig
- Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2013:5042, Overig
- Zaaknummer
- AWB 13/534 AWB 13/595
- Relevante informatie
- Mededingingswet [Tekst geldig vanaf 01-01-2023 tot 01-07-2025]
Inhoudsindicatie
hoger beroep, College van procureurs-generaal geen belanghebbende, niet-ontvankelijk
Uitspraak
College van Beroep voor het bedrijfsleven
13/534 en 13/595 14 april 2014
9500
Uitspraak op de hoger beroepen van:
het College van procureurs-generaal, appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 13 juni 2013 (met zaaknummers ROT 12/1711, 12/1712 en 12/1713; ECLI:NL:RBROT:2013:CA3079) in het geding tussen
[bedrijf 1] B.V., te [vestigingsplaats 1], [bedrijf 2] B.V., te [vestigingsplaats 2],
[bedrijf 3] B.V., te [vestigingsplaats 2],
[naam 1] , [naam 2],
en
de Autoriteit Consument en Markt,
en tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 11 juli 2013 (met zaaknummers ROT 12/1946, 12/1947, 12/1948 en 12/1949; ECLI:NL:RBROT:2013:5042) in het geding tussen
[bedrijf 4] B.V., te [vestigingsplaats 3],
[bedrijf 5] B.V., te [vestigingsplaats 4],[bedrijf 6] B.V., te [vestigingsplaats 3],[bedrijf 7] N.V., te [vestigingsplaats 3],[bedrijf 8] B.V., te [vestigingsplaats 3][bedrijf 9] B.V., te [vestigingsplaats 3],[bedrijf 10] B.V. te [vestigingsplaats 5]
en
de Autoriteit Consument en Markt.
Gemachtigde van het College van procureurs-generaal: mr. R.W. Veldhuis, advocaat te Den Haag;
Gemachtigden van de Autoriteit Consument en Markt (ACM): mr. J.M. Strijker-Reintjes en mr. L. Jörg, beiden werkzaam bij ACM;Gemachtigden van [bedrijf 1] B.V., [bedrijf 2] B.V., [bedrijf 3] B.V. (hierna: [bedrijf c.s.]): mr. G. van der Wal, advocaat te Brussel en mr. V.H. Affourtit, advocaat te Amsterdam;
Gemachtigde van [naam 1] en [naam 2]: mr. A.N.A. Buyserd, advocaat te ‘s-Hertogenbosch; Gemachtigden van [bedrijf 4] B.V.: mr. M.A. Jacobs en mr. F.W. Barendrecht, beiden advocaat te Rotterdam;Gemachtigde van [bedrijf 5] B.V.: mr. F.L. van der Eerden, advocaat te Rotterdam;Gemachtigde van [bedrijf 6] B.V. en [bedrijf 7] N.V.: mr. R. Wesseling, advocaat te Amsterdam; Gemachtigden van [bedrijf 8] B.V., [bedrijf 9] B.V. en [bedrijf 10] B.V.: mr. M.A.D. Bol en mr. H.A. Bravenboer, beiden advocaat te Rotterdam.
ACM, [bedrijf c.s.], [naam 1] en [naam 2] hebben eveneens hoger beroep ingesteld tegen de hiervoor genoemde uitspraak van de rechtbank Rotterdam (hierna: rechtbank) van 13 juni 2013. Deze beroepen zijn in deze uitspraak niet aan de orde.
ACM, [bedrijf 4] B.V., [bedrijf 5] B.V., [bedrijf 6] B.V. en [bedrijf 7] N.V., [bedrijf 8] B.V., [bedrijf 9] B.V. en [bedrijf 10] B.V. hebben eveneens hoger beroep ingesteld tegen de hiervoor genoemde uitspraak van de rechtbank van 11 juli 2013. Deze beroepen zijn in deze uitspraak evenmin aan de orde.
1 Het procesverloop in hoger beroep
Bij brief van 24 juli 2013, bij het College binnengekomen op diezelfde datum, heeft appellant - destijds samen met de Staat der Nederlanden - hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank van 13 juni 2013. Bij brief van 16 augustus 2013, bij het College binnengekomen op diezelfde datum, heeft appellant - destijds samen met de Staat der Nederlanden - hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank van 11 juli 2013.
Bij brieven van 14 oktober 2013 heeft appellant in beide zaken een aanvulling van het hoger beroepschrift ingediend.
Op 9 januari 2014 heeft het onderzoek ter zitting in beide gedingen plaatsgehad. Partijen hebben zich daarbij laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden, behoudens [bedrijf 6] B.V. en [bedrijf 7] N.V. die met voorafgaande kennisgeving niet zijn verschenen. Voor [bedrijf 5] B.V. is tevens verschenen T. Wubbe.
Ter zitting heeft de gemachtigde van appellant - tevens optredend namens de Staat der Nederlanden - te kennen gegeven dat de hoger beroepen, voor zover deze mede waren ingesteld namens de Staat der Nederlanden, niet worden gehandhaafd.
2 De grondslag van het geschil
Voor een uitgebreide weergave van het verloop van de procedure, het wettelijk kader en de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden, voor zover niet bestreden, wordt verwezen naar de aangevallen uitspraken. Het College volstaat met het volgende.
Aangezien ACM per 1 april 2013 – voor zover hier van belang – in de plaats is getreden van (het bestuur van) de Nederlandse Mededingingsautoriteit, zal in het onderstaande steeds van ACM worden gesproken.
ACM heeft bij besluiten van 29 oktober 2010 aan [bedrijf c.s.], [naam 1] en [naam 2] boetes opgelegd wegens overtreding van artikel 6 van de Mededingingswet (hierna ook: Mw). Bij besluiten van 8 maart 2012 heeft ACM de bezwaren tegen deze boetebesluiten ongegrond verklaard, tegen welke besluiten beroep is ingesteld bij de rechtbank.
ACM heeft voorts bij besluit van 16 november 2011 aan [bedrijf 4] B.V., [bedrijf 5] B.V., [bedrijf 6] B.V. en [bedrijf 7] N.V., [bedrijf 8] B.V., [bedrijf 9] B.V. en [bedrijf 10] B.V., boetes opgelegd wegens overtreding van artikel 6 Mw. Tegen dit boetebesluit is rechtstreeks beroep ingesteld bij de rechtbank.
ACM heeft zich bij bedoelde boetebesluiten telkens gebaseerd op informatie verkregen uit telefoontaps door de Rijksrecherche (in de zaken met nummers ROT 12/1711, 12/1712 en 12/1713) dan wel door de Inlichtingen- en opsporingsdienst van het Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (in de zaken met nummers ROT 12/1946, 12/1947, 12/1948 en 12/1949). Deze gegevensverstrekking was gebaseerd op artikel 39f van de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens (hierna: Wjsg).
3 De uitspraken van de rechtbank
Bij de aangevallen uitspraak van 13 juni 2013 heeft de rechtbank de beroepen van [bedrijf c.s.], [naam 1] en [naam 2] tegen de ongegrondverklaring van de bezwaren tegen de aan hen opgelegde boetes gegrond verklaard, de bestreden besluiten vernietigd en de oorspronkelijke boetebesluiten herroepen.
Bij de aangevallen uitspraak van 12 juli 2013 heeft de rechtbank de (rechtstreekse) beroepen van [bedrijf 4], [bedrijf 5] B.V., [bedrijf 6] B.V. en [bedrijf 7] N.V., [bedrijf 8] B.V., [bedrijf 9] B.V. en [bedrijf 10] B.V. tegen het besluit waarbij hun boetes waren opgelegd, gegrond verklaard en dit besluit vernietigd.
De rechtbank heeft daartoe in beide uitspraken het volgende overwogen.
De rechtbank is van oordeel dat de telefoontaps kwalificeren als strafvorderlijke gegevens. Voor de verstrekking van strafvorderlijke gegevens moet volgens de rechtbank sprake zijn van een kenbare, voor de rechter toetsbare afweging van de officier van justitie. Van een dergelijke afweging is de rechtbank niet gebleken. De officier heeft niet gemotiveerd welk zwaarwegend belang werd gediend met de verstrekking van de gegevens aan ACM, noch waarom verstrekking van de gegevens met het oog daarop noodzakelijk was. Ook is niet gebleken dat de officier van justitie heeft getoetst of de verstrekking voldoet aan de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit.
De rechtbank overweegt voorts dat een inbreuk op artikel 6 Mw onder omstandigheden een belang zou kunnen zijn dat onder artikel 39f Wjsg valt, maar dat doet er niet aan af dat in het onderhavige geval geen sprake is van een kenbare, voor de rechter toetsbare afweging van de officier van justitie zelf, die heeft geleid tot de conclusie dat er sprake is van noodzaak tot het verstrekken van de gegevens vanwege een zwaarwegend algemeen belang. ACM mocht volgens de rechtbank de telefoontaps niet gebruiken als bewijs omdat dan geen recht wordt gedaan aan de eisen van artikel 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en fundamentele vrijheden. Artikel 39f Wjsg beoogt juist de naleving van die eisen te waarborgen. Alvorens gebruik te maken van de gegevens had NMa zich ervan moeten vergewissen dat en waarom de officier van justitie van oordeel was dat sprake was van een zwaarwegend maatschappelijk belang en waarom de verstrekking met het oog daarop noodzakelijk was. Aangezien de bewijsvoering geheel is geënt op de informatie verkregen met de ter beschikking gestelde tapverslagen of verklaringen na confrontatie met de tapverslagen, is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende bewezen dat de overtredingen zijn begaan, zodat ACM niet de bevoegdheid toekwam een boete op te leggen.