College van Beroep voor het bedrijfsleven, 11-06-2014, ECLI:NL:CBB:2014:227, AWB 12/498
College van Beroep voor het bedrijfsleven, 11-06-2014, ECLI:NL:CBB:2014:227, AWB 12/498
Gegevens
- Instantie
- College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Datum uitspraak
- 11 juni 2014
- Datum publicatie
- 23 juni 2014
- ECLI
- ECLI:NL:CBB:2014:227
- Formele relaties
- Einduitspraak na bestuurlijke lus: ECLI:NL:CBB:2014:429
- Zaaknummer
- AWB 12/498
- Relevante informatie
- Meststoffenwet [Tekst geldig vanaf 01-01-2025 tot 01-01-2030]
Inhoudsindicatie
natuurterrein; hoofdfunctie natuur; feitelijke omstandigheden; betreffende gronden vallen onder het regiem van de MSW. Snijmais aan rosékalveren; scenario's die zich redelijkerwijs laten denken; gebreken in het bestreden besluit; mogelijkheid tot herstel; 6 weken
Uitspraak
uitspraak
zaaknummer: 12/498
16005
tegen de uitspraak van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 13 april 2012 in het geding tussen appellant
en
gemachtigde van appellant: P.J. Houtsma;
gemachtigde van de staatssecretaris: mr. B. Raven.
Procesverloop in hoger beroep
Appellant heeft op 21 mei 2012 hoger beroep ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 13 april 2012 (ECLI:NL:RBZLY:2012:405, hierna: de aangevallen uitspraak).
De staatssecretaris heeft een reactie op het hoger beroepschrift ingediend.
Op 5 februari 2014 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgehad, waarbij appellant en de gemachtigden van partijen zijn verschenen.
Grondslag van het geschil
Voor een uitgebreide weergave van het verloop van de procedure, het wettelijk kader en de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden, voor zover niet bestreden, wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. Het College volstaat met het volgende.
Bij primair besluit van 15 december 2010 is aan appellant een boete van € 11.733,--
opgelegd wegens het overtreden van artikel 7 van de Meststoffenwet (Msw) in 2008. De staatssecretaris heeft zich daarbij gebaseerd op een onderzoek van de Algemene Inspectie Dienst (AID). In een rapport van 1 juni 2010 zijn de resultaten van dat onderzoek neergelegd. Mede op grond daarvan heeft de staatssecretaris in totaal 33,67 hectare van de door appellant opgegeven oppervlakte tot zijn bedrijf behorende landbouwgrond niet meegerekend bij de berekening van de gebruiksruimte. Hierdoor is er sprake van een overschrijding van de gebruiksnormen. Het gaat om 15,90 hectare grond die appellant in 2008 huurde van de stichting Het Drentse landschap. Volgens de staatssecretaris kan deze grond, waarover appellant het beheer had, als natuurterrein niet meetellen voor de gebruiksruimte. Daarnaast gaat het om 17,77 hectare grond van particulieren waarvoor appellant een grondgebruikersverklaring had, maar waarvan de staatssecretaris heeft geoordeeld dat deze niet de tot de landbouwgrond van zijn bedrijf behoren. Bij oplegging van de boete is uitgegaan van overschrijding van de gebruiksnorm voor dierlijke meststoffen en de fosfaatgebruiksnorm. Bij besluit van 19 juli 2011 is het primaire besluit gehandhaafd. Tegen dat besluit heeft appellant beroep ingesteld.
De uitspraak van de rechtbank
De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard. De overwegingen die de rechtbank tot deze beslissing hebben gebracht zijn vermeld in rubrieken 3.3 tot en met 7 van de aangevallen uitspraak.