College van Beroep voor het bedrijfsleven, 28-05-2014, ECLI:NL:CBB:2014:310, AWB 12/633
College van Beroep voor het bedrijfsleven, 28-05-2014, ECLI:NL:CBB:2014:310, AWB 12/633
Gegevens
- Instantie
- College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Datum uitspraak
- 28 mei 2014
- Datum publicatie
- 14 augustus 2014
- ECLI
- ECLI:NL:CBB:2014:310
- Formele relaties
- Einduitspraak na bestuurlijke lus: ECLI:NL:CBB:2014:427
- Zaaknummer
- AWB 12/633
- Relevante informatie
- Meststoffenwet [Tekst geldig vanaf 01-01-2025 tot 01-01-2030]
Inhoudsindicatie
Begrip meststof. Compost, Tot het bedrijf behorende landbouwgrond.
Uitspraak
uitspraak
zaaknummer: 12/633
16005
(hierna: maatschap [naam 1]),
[naam 2],
[naam 3],
[naam 4] ,
te [plaats 1],
appellanten,
tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 15 mei 2012 in het geding tussen appellanten
en
gemachtigde van appellanten: mr. W.P.N. Remie
gemachtigde van verweerder: mr. B. Raven
Procesverloop in hoger beroep
Appellanten hebben bij brief van 2 juli 2012 hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak
(12/413; ECLI:NL:RBBRE:2012:1747).
Bij brief van 27 september 2012 heeft de staatssecretaris een reactie op het hoger beroepschrift
ingediend.
Op 6 september 2013 hebben appellanten nadere stukken ingediend.
Op 19 september 2013 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgehad, waarbij voor appellanten zijn
verschenen hun gemachtigde, [naam 4] en [naam 5], agrarisch bedrijfsadviseur. De
staatssecretaris is verschenen bij zijn gemachtigde.
Grondslag van het geschil
Voor een uitgebreide weergave van het verloop van de procedure en de in dit geding van belang
zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. Het College volstaat
met het volgende.
Op 19 mei 2008 heeft de Algemene Inspectiedienst (hierna: AID) een onderzoek ingesteld
bij [naam 6] B.V. (hierna: [naam 6]) en [naam 7] B.V. (hierna: [naam 7]). Uit dit onderzoek kwam
naarvoren dat door [naam 6] in de periode van 6 september tot en met 22 november 2007
112 vrachten compost afgeleverd zouden zijn bij appellanten. De AID is vervolgens op 25 juli 2008
een onderzoek gestart naar appellanten. In een rapport van 30 oktober 2008 zijn de bevindingen van
dat onderzoek neergelegd. Op basis daarvan heeft de staatssecretaris aan appellanten bij primair
besluit van 7 juli 2009 een boete opgelegd van € 53.485,00 wegens overtreding van artikel 7 van de
Meststoffenwet (Msw). Daarbij is uitgegaan van een overschrijding van de stikstofgebruiksnorm met
563 kg en de fosfaatgebruiksnorm met 4504 kg. Deze overschrijding is volgens de staatssecretaris
(mede) het gevolg van het feit dat appellanten 112 vrachten compost aangevoerd hebben gekregen van
[naam 6], welke compost daarna niet meer is afgevoerd. Voor de berekening van de boete is
uitgegaan van een tot het bedrijf behorende oppervlakte van 42,22 ha landbouwgrond. Dat de
afgeleverde vrachten compost bevatten is gebaseerd op gegevens van [naam 6], met name op door
haar opgemaakte (koppel)afleveringsbewijzen en verkoopbevestigingen, die zijn vergeleken met
gegevens van Dienst Regelingen. Voor het grootste deel van de vrachten stond [naam 7] als afnemer
vermeld, voor een deel appellanten. Voor alle 112 vrachten stond als losplaats het adres van
appellanten te [plaats 1] vermeld en stonden appellanten in de administratie van [naam 6]
geregistreerd als gebruiker. Het gehalte stikstof en fosfaat heeft verweerder gebaseerd op
bemonsteringen en analyses uitgevoerd door de compost producerende ondernemingen waar [naam 6]
de compost heeft afgenomen. Aan de boete zijn ook bewijzen uit de administratie van appellanten zelf
ten grondslag gelegd, zoals afleveringsbewijzen ten aanzien van 23 vrachten. Daarnaast zijn bij de
accountant van appellanten stukken aangetroffen, te weten een factuur van [naam 6] aan appellanten
voor een bedrag van € 3.492,62 waarop de omschrijving ‘compost’ is vermeld. Tevens is een factuur
aangetroffen van een loonbedrijf aan appellanten voor een bedrag van € 6.592,32 voor het uitrijden
van 3767.04 ton compost, die vermeldt dat dit gewicht volgens opgave van [naam 6] is. Ook
verklaringen van appellanten, van de directeuren van [naam 6] en van een door appellanten
ingeschakelde loonwerker zijn bij het bewijs betrokken. Appellanten [naam 3 en 4] hebben bevestigd dat
compost op hun grond is uitgereden en dat zij daarvoor aan [naam 6] en de loonwerker hebben
betaald.
Het bezwaar van appellanten is gedeeltelijk gegrond verklaard bij besluit van 14 december
2011. De staatssecretaris heeft de boete gematigd met 25% en nog eens met 10% wegens
overschrijding van de beslistermijn, waarmee de uiteindelijk opgelegde boete € 36.101,-- bedraagt.
De uitspraak van de rechtbank
De rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard, het besluit van 14 december 2011 vernietigd
en de boete vastgesteld op € 24.068,25. Daartoe heeft de rechtbank, samengevat, overwogen dat in de
omstandigheden van het geval, in onderlinge samenhang bezien, een boete gelijk aan de helft van het
oorspronkelijk vastgestelde boetebedrag passend is. De overwegingen die de rechtbank tot deze
beslissing hebben gebracht zijn vermeld onder 4.4 van de aangevallen uitspraak.