College van Beroep voor het bedrijfsleven, 08-10-2014, ECLI:NL:CBB:2014:383, AWB 13/127
College van Beroep voor het bedrijfsleven, 08-10-2014, ECLI:NL:CBB:2014:383, AWB 13/127
Gegevens
- Instantie
- College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Datum uitspraak
- 8 oktober 2014
- Datum publicatie
- 16 oktober 2014
- ECLI
- ECLI:NL:CBB:2014:383
- Zaaknummer
- AWB 13/127
- Relevante informatie
- Meststoffenwet [Tekst geldig vanaf 01-01-2025 tot 01-01-2030]
Inhoudsindicatie
Bestuurlijke boete wegens overtreding artikel 14 Meststoffenwet. Vaststelling eindvoorraad mest. Bezinklaag.
Uitspraak
uitspraak
zaaknummer: 13/127
16005
tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 14 januari 2013, kenmerk AWB 11/2821, in het geding tussen
(gemachtigde: mr. A.H. Spriensma-Heringa).
Procesverloop in hoger beroep
Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant (rechtbank) van 14 januari 2013 met kenmerk AWB 11/2821.
De staatssecretaris heeft een reactie op het hogerberoepschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 augustus 2014. Appellant is verschenen. De staatssecretaris heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Grondslag van het geschil
Voor een uitgebreide weergave van het verloop van de procedure, het wettelijk kader en de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden, voor zover niet bestreden, wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. Het College volstaat met het volgende.
Bij besluit van 15 september 2010 heeft de staatssecretaris aan appellant een bestuurlijke boete van in totaal € 19.287,-- opgelegd wegens overtreding van artikel 14 van de Meststoffenwet (Msw). De overtreding baseert de staatssecretaris op een (administratieve) controle van het bedrijf van appellant. Op grond van deze controle concludeert de staatssecretaris dat appellant niet in staat is gebleken de afvoer te verantwoorden van 813 kg stikstof en 1236 kg fosfaat in de op zijn bedrijf in 2009 geproduceerde mest.
Bij besluit van 11 juli 2011 heeft de staatssecretaris het tegen de boete gerichte bezwaar van appellant gedeeltelijk gegrond verklaard en de boete verlaagd naar € 5.975,--. Hierbij heeft de staatssecretaris de eindvoorraad meststoffen 2009 in het voordeel van appellant verhoogd, op basis van de aanname dat een deel van de zich in de geproduceerde mest bevindende stikstof en fosfaat is terechtgekomen in de zogeheten bezinklagen in de opslagputten op het bedrijf van appellant. Voorts heeft de staatssecretaris de begin- en eindvoorraad 2009 zoals opgegeven door appellant herberekend door voor de stikstof- en fosfaatgehalten uit te gaan van de uit monsteranalyses blijkende gemiddelde gehalten van de in 2009 en 2010 door appellant afgevoerde mest. De verlaagde boete berust op een niet verantwoorde hoeveelheid stikstof van 302 kg en fosfaat van 351 kg.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep van appellant ongegrond verklaard en daartoe, voor zover voor het hoger beroep van belang, overwogen dat de staatssecretaris het stikstof- en fosfaatgehalte in de bezinklaag in de mestopslagen van appellant heeft mogen berekenen op basis van het 'Praktijkrapport Varkens 21 Bezinklagen en bemonstering van varkensmest' uit 2003 (Praktijkrapport Varkens 21). Appellant heeft volgens de rechtbank geen gegevens aangedragen waaruit blijkt dat de berekening door de staatssecretaris van de niet verantwoorde hoeveelheden stikstof en fosfaat onjuist is. Daarbij heeft de rechtbank overwogen dat daartoe onvoldoende is dat in de jaren na 2009 een hoger fosfaatgehalte in de mest is aangetroffen terwijl sprake was van voer met een lagere fosfaatwaarde. De rechtbank heeft in dat verband van belang geacht dat de staatssecretaris reeds rekening heeft gehouden met de gehalten fosfaat en stikstof zoals die in de in 2010 afgevoerde mest zijn aangetroffen.