Home

College van Beroep voor het bedrijfsleven, 30-12-2014, ECLI:NL:CBB:2014:486, AWB 13/56

College van Beroep voor het bedrijfsleven, 30-12-2014, ECLI:NL:CBB:2014:486, AWB 13/56

Gegevens

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
30 december 2014
Datum publicatie
21 januari 2015
ECLI
ECLI:NL:CBB:2014:486
Zaaknummer
AWB 13/56
Relevante informatie
Meststoffenwet [Tekst geldig vanaf 01-01-2025 tot 01-01-2030]

Inhoudsindicatie

overtreding artikel 7 van de Msw, bewijs en matiging boete

Uitspraak

uitspraak

zaaknummer: 13/56

16005

uitspraak van de meervoudige kamer van 30 december 2014 op het hoger beroep van:

tegen de uitspraak van de rechtbank Middelburg van 20 december 2012, kenmerk 12/2122, in het geding tussen

(gemachtigde: mr. A.H. Spriensma-Heringa).

Procesverloop in hoger beroep

Appellant heeft bij brief van 25 januari 2013 hoger beroep ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank Middelburg van 20 december 2012 (hierna: de aangevallen uitspraak).

Bij brief van 27 mei 2013 heeft de staatssecretaris een reactie op het hoger beroepschrift ingediend.

Op 29 oktober 2014 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgehad, waarbij [naam 1] is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. De staatssecretaris heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Grondslag van het geschil

1.1

Voor een uitgebreide weergave van het verloop van de procedure, het wettelijk kader en de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden, voor zover niet bestreden, wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. Het College volstaat met het volgende.

1.2

Medio oktober 2007 werd door de Algemene inspectiedienst (AID) geconstateerd dat op het bedrijf van appellant compost was afgeleverd. Uit een onderzoek van de AID naar [naam 4] B.V. (hierna: [naam 4]) en [naam 5] B.V. (hierna: [naam 5]) is vervolgens naar voren gekomen dat in de periode 25 juni tot en met 31 juli 2007 251 vrachten compost zouden zijn afgeleverd bij appellant en [naam 2]. De AID is in juli 2008 een onderzoek gestart naar naleving van de gebruiksnormen door appellant en [naam 2]. In een rapport van 30 oktober 2008 (het rapport) zijn de bevindingen van dat onderzoek neergelegd. In het rapport is tevens informatie opgenomen over overige aan- en afvoer van mest, de mestproductie en uit de opslag gekomen meststoffen. Daarbij is ervan uitgegaan dat de bedrijven van appellant en [naam 2], respectievelijk gevestigd te [plaats 1] en [plaats 2], gezamenlijk werden geëxploiteerd als Vennootschap onder Firma met de naam Firma [naam 3], gevestigd te [plaats 2]. De mestboekhouding van [naam 1] en [naam 2] was niet gescheiden per bedrijf bijgehouden. Voor de controle op de gebruiksnormen zijn daarom beide bedrijven samen genomen. In het rapport is geconcludeerd dat beide bedrijven tezamen in 2007 de fosfaat- en stikstofgebruiksnorm hebben overschreden. Op basis van het rapport heeft de staatssecretaris aan appellant bij primair besluit van 28 oktober 2009 een boete opgelegd van € 45.000,- wegens overtreding van artikel 7 van de Meststoffenwet (Msw). De boete is beperkt tot het maximumbedrag dat volgens de Msw aan een natuurlijke persoon kan worden opgelegd. Uitgegaan is van overschrijding van de fosfaatgebruiksnorm met 13.226 en de stikstofgebruiksnorm met 6.067 kg. Dat het geleverde product compost betreft, is gebaseerd op gegevens van [naam 4], met name op door haar opgemaakte afleverbewijzen en verkoopbevestigingen, die zijn vergeleken met gegevens van de Dienst Regelingen. Als gebruiker kwam daaruit de Firma [naam 3] naar voren, blijkens het rapport. Bij het onderzoek is tevens aangetroffen een ‘overeenkomst grondverbetering project Firma [naam 3]’ waaruit blijkt dat in het voorjaar van 2007 compost zou worden aangevoerd op een perceel van de Firma [naam 3], te [plaats 3]. Als losadressen op de afleverbewijzen zijn [plaats 3] en [plaats 1] vermeld. Aan de boete zijn ook bewijzen uit de administratie van appellant ten grondslag gelegd, die voor de Firma [naam 3] de boekhouding bijhield, zoals de genoemde overeenkomst grondverbetering en facturen en verkoopbevestigingen voor compost. Op een van de facturen waren alle 251 vrachten vermeld, gespecificeerd naar gewicht en leverdatum (pagina 15 van het rapport). In het rapport staan daarnaast verklaringen opgenomen van appellant zelf die de aanlevering van de vrachten bevestigd en het uitrijden van het geleverde product. Tevens zijn verklaringen opgenomen van (de directeuren van) [naam 4], waarin wordt bevestigd dat compost aan (de firma van) appellant is geleverd.

1.2

Het bezwaar van appellant is gedeeltelijk gegrond verklaard bij besluit van 23 december 2010. De staatssecretaris heeft bij dit besluit de boete met 25% gematigd, omdat het economische voordeel geringer is en van een andere aard dan het economische voordeel dat de wetgever voor ogen had bij het vaststellen van de boetebedragen. Daarnaast is volgens de staatssecretaris de afzet van compost niet op één lijn te stellen met de afzet van dierlijke meststoffen. De boete is nog eens met 10% gematigd wegens overschrijding van de beslistermijn, waarmee de uiteindelijk opgelegde boete € 30.375,- bedraagt.

Uitspraak van de rechtbank

2.1

De rechtbank heeft het beroep van appellant gegrond verklaard, het besluit van 23 december 2010 vernietigd en zelf de boete vastgesteld op € 20.250,--. De rechtbank heeft geoordeeld dat de bijzondere omstandigheden van dit geval maken dat sprake is van verminderde verwijtbaarheid van appellant. Deze omstandigheden geven aanleiding de boete met 50% in plaats van 25% te matigen. De overwegingen die de rechtbank tot deze beslissing hebben gebracht zijn vermeld onder rechtsoverweging 6 van de aangevallen uitspraak, waarnaar hier wordt verwezen.

Beoordeling van het geschil in hoger beroep

Beslissing