College van Beroep voor het bedrijfsleven, 11-02-2014, ECLI:NL:CBB:2014:66, AWB 12/254 AWB 12/255 AWB 12/256
College van Beroep voor het bedrijfsleven, 11-02-2014, ECLI:NL:CBB:2014:66, AWB 12/254 AWB 12/255 AWB 12/256
Gegevens
- Instantie
- College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Datum uitspraak
- 11 februari 2014
- Datum publicatie
- 5 maart 2014
- ECLI
- ECLI:NL:CBB:2014:66
- Zaaknummer
- AWB 12/254 AWB 12/255 AWB 12/256
- Relevante informatie
- Meststoffenwet [Tekst geldig vanaf 01-01-2025 tot 01-01-2030]
Inhoudsindicatie
ne bis in idem: betekenis vonnis strafrechter; bevoegdheid verweerder; overtreding art. 14 Msw niet begaan
Uitspraak
uitspraak
zaaknummers: 12/254, 12/255 en 12/256
16005
[bedrijfsnaam 1] B.V., te [vestigingsplaats 1],
[...] Handelsonderneming inc., statutair gevestigd te [vestigingsplaats 2],
[naam] , te [woonplaats],
appellanten,
tegen de uitspraken van de rechtbank ‘s-Hertogenbosch van 11 januari 2012 in het geding tussen appellanten
en
gemachtigde van appellanten: mr. drs. R.A.C.J. van Kessel
gemachtigde van de staatssecretaris: mr. B. Raven
Procesverloop in hoger beroep
Appellanten hebben bij brieven van 20 februari 2012 hoger beroep ingesteld tegen de uitspraken van de rechtbank ‘s-Hertogenbosch van 11 januari 2012 (AWB 10/1453 en 10/1454, ECLI:NL:RBSHE:2012:4139, AWB 10/1442, ECLI:NL:RBSHE:2012:4137 en AWB 10/1450, ECLI:NL:RBSHE:2012:4138, hierna: de aangevallen uitspraken).
Bij brieven van 30 mei 2012 heeft de staatssecretaris reacties op de hoger beroepschriften ingediend.
Op 11 oktober 2013 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgehad, waarbij de gemachtigden van partijen en [naam] zijn verschenen.
Grondslag van het geschil
Voor een uitgebreide weergave van het verloop van de procedure en de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden, voor zover niet bestreden, wordt verwezen naar de aangevallen uitspraken. Het College volstaat met het volgende.
[naam] (hierna: [naam]) is bestuurder van [bedrijfsnaam 1] B.V. (hierna: [bedrijfsnaam 1]) en [...] Handelsonderneming Inc. (hierna: [...] Handelsonderneming). Beide ondernemingen waren, in de hier relevante periode, feitelijk op hetzelfde adres gevestigd. [bedrijfsnaam 1] is op 23 september 2008 failliet verklaard.
Bij brief van 16 oktober 2008 heeft de staatssecretaris [bedrijfsnaam 1] verzocht om de begin- en de eindvoorraden meststoffen voor 2006 en 2007 op te geven, alsmede de totaal in die jaren aangevoerde en afgevoerde meststoffen en de grootte van de opslagcapaciteit. Op basis van de opgave van [bedrijfsnaam 1] heeft de staatsecretaris vervolgens bij besluiten van 20 maart 2009 twee boetes opgelegd wegens overtreding van artikel 14 van de Meststoffenwet (Msw). Daaraan heeft de staatssecretaris ten grondslag gelegd dat op [bedrijfsnaam 1] artikel 14 van de Msw van toepassing is, omdat zij meststoffen verhandelt, nu zij immers volgens eigen opgave mest aanbiedt en aflevert aan gebruikers van meststoffen. De stelling van [bedrijfsnaam 1] dat zij in het verleden is vrijgesteld van de verplichting de afvoer van de bij haar aangevoerde mest te verantwoorden, omdat alleen aan particulieren wordt geleverd, heeft de staatssecretaris van de hand gewezen. Met de invoering van artikel 14 van de Msw moet [bedrijfsnaam 1] als verhandelaar van mest steeds de afvoer van de bij haar aangevoerde hoeveelheden mest verantwoorden, aldus de staatssecretaris. Deze verantwoording heeft betrekking op de hoeveelheden fosfaat in de meststoffen en op de afnemers van de meststoffen. Aan die verplichting heeft [bedrijfsnaam 1] in 2006 en 2007 niet voldaan.
Voor het jaar 2006 is een boete opgelegd van € 450.000,--. Daarbij is er van uitgegaan dat in 2006 bij [bedrijfsnaam 1] 29.480.000 kg dierlijke mest is aangevoerd en daarmee 258.527 kg fosfaat, terwijl voor 0 kg fosfaat de afvoer is verantwoord. De begin- en de eindvoorraad zijn vanwege het ontbreken van mestopslagcapaciteit op 0 gesteld.
Voor het jaar 2007 is eveneens een boete opgelegd van € 450.000,--. Daarbij is er van uit gegaan dat in 2007 bij [bedrijfsnaam 1] 14.103.000 kg dierlijke mest is aangevoerd en daarmee 180.527 kg fosfaat, terwijl slechts voor 73 kg fosfaat de afvoer is verantwoord. De begin- en de eindvoorraad zijn ook voor 2007 vanwege het ontbreken van mestopslagcapaciteit op 0 gesteld.
De boetes zijn voor beide jaren vastgesteld op het maximumbedrag dat ingevolge artikel 62 van de Msw (oud) aan een rechtspersoon kon worden opgelegd.
Bij afzonderlijke besluiten van 23 maart 2010 zijn de bezwaren van [bedrijfsnaam 1] ongegrond verklaard.
Aan [...] Handelsonderneming is bij besluit van 25 maart 2009 voor het jaar 2007 eveneens een boete opgelegd wegens overtreding van artikel 14 van de Msw. De aan [...] Handelsonderneming opgelegde boete bedraagt € 50.996,--. Die boete is gebaseerd op bij de Dienst Regelingen geregistreerde Vervoersbewijzen dierlijke meststoffen waaruit blijkt dat [bedrijfsnaam 2] B.V. en [bedrijfsnaam 3] B.V. mest bij [...] Handelsonderneming hebben aangevoerd, waarvoor zij de afvoer niet heeft kunnen verantwoorden. Het gaat daarbij om 4.636 kg fosfaat. Bij besluit van 23 maart 2010 is het bezwaar van [...] Handelsonderneming ongegrond verklaard.
[naam] heeft als feitelijk leidinggevende van [bedrijfsnaam 1] en [...] Handelsonderneming drie bestuursrechtelijke boetes opgelegd gekregen van elk € 45.000,--. Dat betreft twee boetes opgelegd bij besluiten van 20 maart 2009 wegens het feitelijk leidinggeven aan het overtreden van artikel 14 van de Msw door [bedrijfsnaam 1] in 2006 en 2007. Een derde boete is aan [naam] opgelegd bij besluit van 25 maart 2009 wegens het feitelijk leidinggeven aan de overtreding van artikel 14 van de Msw door [...] Handelsonderneming. Bij besluit van 23 maart 2010 zijn de bezwaren van [naam] ongegrond verklaard.
De uitspraken van de rechtbank
De rechtbank heeft de beroepen van appellanten ongegrond verklaard. De overwegingen die de rechtbank tot deze beslissingen hebben gebracht zijn weergegeven in de aangevallen uitspraken.