Home

College van Beroep voor het bedrijfsleven, 27-05-2015, ECLI:NL:CBB:2015:168, AWB 13/755 AWB 13/759

College van Beroep voor het bedrijfsleven, 27-05-2015, ECLI:NL:CBB:2015:168, AWB 13/755 AWB 13/759

Gegevens

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
27 mei 2015
Datum publicatie
11 juni 2015
ECLI
ECLI:NL:CBB:2015:168
Zaaknummer
AWB 13/755 AWB 13/759
Relevante informatie
Meststoffenwet [Tekst geldig vanaf 01-01-2025 tot 01-01-2030] art. 7

Inhoudsindicatie

Bewijslastverdeling. Staatssecretaris heeft niet aangetoond dat agrariër het verbod om op het bedrijf meststoffen op of in de bodem te brengen heeft overtreden. Geen bevoegdheid tot opleggen bestuurlijke boete.

Uitspraak

uitspraak

zaaknummers: 13/755 en 13/759

16005

1. de staatssecretaris van Economische Zaken, (hierna: de staatssecretaris)

2. Vof [naam 1], te [plaats], appellante,

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 29 augustus 2013, kenmerk ROT 12/3526, in het geding tussen appellante

en

de staatsecretaris.

gemachtigde van appellante: mr. G.J.M. de Jager

gemachtigde van de staatssecretaris: mr. A.H. Spriensma-Heringa

Procesverloop in hoger beroep

De staatssecretaris en appellante hebben hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 29 augustus 2013 (ECLI:NL:RBROT:2013:6625, hierna: de aangevallen uitspraak). Het hoger beroep van de staatssecretaris is geregistreerd onder nummer AWB 13/755. Het hoger beroep van appellante is geregistreerd onder nummer AWB 13/759.

De staatssecretaris en appellante hebben een reactie op elkaars hogerberoepschrift ingediend.

Appellante heeft nadere stukken ingediend.

Op 29 januari 2015 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgehad, waarbij de gemachtigden van partijen zijn verschenen. Voor appellante zijn voorts verschenen [naam 2], [naam 3] en [naam 4].

Grondslag van het geschil

1. Voor een uitgebreide weergave van het verloop van de procedure en de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden, voor zover niet bestreden, wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. Het College volstaat met het volgende.

De Algemene Inspectie Dienst (AID) heeft in het kader van het toezicht op de naleving van de Meststoffenwet (Msw) in het jaar 2008 een controle uitgevoerd bij appellante. In een rapport (met nr. 59655) van 12 mei 2010 zijn de bevindingen van dat onderzoek neergelegd. Daarin is vermeld dat onderzoek heeft uitgewezen dat appellante in het jaar 2008 10.657,22 ton varkensdrijfmest heeft aangevoerd op haar bedrijf. De AID concludeert dat appellante geen bewijzen heeft kunnen overleggen dat op het bedrijf mestscheiding heeft plaatsgevonden, waarna een deel van de na mestscheiding verkregen vaste mest zou zijn afgevoerd en een deel daarvan zou zijn opgeslagen, welk deel eind 2008 nog als eindvoorraad aanwezig was, zoals door appellant opgegeven bij Dienst Regelingen. Op basis van het rapport van de AID heeft de staatssecretaris bij primair besluit van 19 juli 2011 aan appellante een boete opgelegd van

€ 253.404,50 wegens overtreding van artikel 7 van de Meststoffenwet (Msw) in het jaar 2008. Bij de vaststelling van de overtreding van artikel 7 van de Msw en de berekening van de boete is uitgegaan van een overschrijding van de gebruiksnorm voor dierlijke meststoffen met 19.051 kg stikstof, overschrijding van de stikstofgebruiksnorm met 8.894 kg stikstof en overschrijding van de fosfaatgebruiksnorm met 16.167 kg fosfaat.

1.2

Bij besluit van 12 juli 2012 is het bezwaar ongegrond verklaard. Tegen dit besluit is beroep ingesteld.

Uitspraak van de rechtbank

2. De rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard, het besluit van 12 juli 2012 vernietigd, het besluit van 19 juli 2011 herroepen, de boete vastgesteld op een bedrag van€ 190.053,38,- en bepaald dat de uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit. Voorts heeft de rechtbank een beslissing genomen inzake de proceskosten en het griffierecht.

De rechtbank heeft, samengevat, aan haar oordeel ten grondslag gelegd dat, hoewel zij niet uitgesloten acht dat op het bedrijf van appellante enige vorm van mestscheiding heeft plaatsgevonden, appellante er niet in is geslaagd een voldoende onderbouwing te geven voor haar stelling dat de in 2008 te veel aangevoerde drijfmest, waardoor de gebruiksnormen zijn overschreden, niet over haar landbouwgronden is uitgereden, maar door mestscheiding is verwerkt. De staatssecretaris was derhalve bevoegd een boete aan appellante op te leggen wegens overtreding van artikel 7 van de Msw. Appellante wordt echter naar het oordeel van de rechtbank onevenredig zwaar wordt getroffen door de boete zoals door de staatssecretaris opgelegd. Hoewel niet gezegd kan worden dat appellante in het geheel geen economisch voordeel heeft genoten doordat zij voor de aangevoerde mest een vergoeding heeft gekregen, bestaat, gelet op de feiten en omstandigheden van het geval in onderlinge samenhang gezien, aanleiding de boete met 25% te matigen. Daarbij kent de rechtbank betekenis toe aan de omstandigheid dat het economisch voordeel dat appellante heeft genoten van andere aard is dan de wetgever voor ogen had bij de vaststelling van de boetetarieven. Ook bij matiging van de boete wordt naar het oordeel van de rechtbank nog steeds recht gedaan aan de afschrikwekkende werking die de wetgever wenst.

Beoordeling van het geschil in hoger beroep

Beslissing

Het College: