Home

College van Beroep voor het bedrijfsleven, 18-05-2015, ECLI:NL:CBB:2015:169, AWB 13/419

College van Beroep voor het bedrijfsleven, 18-05-2015, ECLI:NL:CBB:2015:169, AWB 13/419

Gegevens

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
18 mei 2015
Datum publicatie
11 juni 2015
ECLI
ECLI:NL:CBB:2015:169
Zaaknummer
AWB 13/419
Relevante informatie
Meststoffenwet [Tekst geldig vanaf 01-01-2025 tot 01-01-2030]

Inhoudsindicatie

Begrip landbouwgrond. Bosbouw. Aansluiten bij Regeling meldings- en herplantplicht op grond van Boswet

Uitspraak

uitspraak

zaaknummer: 13/419

16005

tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 7 mei 2013, kenmerk AWB 11/588, in het geding tussen

appellant

(gemachtigde: mr. A.H. Spriensma-Heringa).

Procesverloop in hoger beroep

Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 7 mei 2013 (hierna: de aangevallen uitspraak).

De staatssecretaris heeft een reactie op het hoger beroepschrift ingediend.

Op 29 januari 2015 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgehad, waarbij appellant is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. De staatssecretaris heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Grondslag van het geschil

1.1

Voor een uitgebreide weergave van het verloop van de procedure, het wettelijk kader en de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden, voor zover niet bestreden, wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. Het College volstaat met het volgende.

1.2

In het kader van het toezicht op de naleving van de Meststoffenwet (Msw) in het jaar 2009 heeft de Dienst Regelingen het bedrijf van appellant onderzocht. De staatssecretaris heeft naar aanleiding van die controle bij brief van 29 oktober 2010 het voornemen kenbaar gemaakt een boete op te leggen van € 35.581,- wegens overtreding van artikel 7 van de Msw in het jaar 2009, daarbij uitgaande van een overschrijding van de gebruiksnorm voor dierlijke meststoffen met 3.133 kg stikstof, de stikstofgebruiksnorm met 1.282 kg stikstof en de fosfaatgebruiksnorm met 1.666 kg fosfaat. Appellant heeft een zienswijze ingediend. Daarbij heeft appellant onder meer naar voren gebracht dat de staatssecretaris ten onrechte 40 hectare grond bij de vaststelling van de gebruiksruimte buiten beschouwing heeft gelaten vanwege bosbouw. Volgens appellant had deze oppervlakte meegeteld moeten worden als bij zijn bedrijf in gebruik zijnde landbouwgrond. De staatssecretaris heeft appellant niet in zijn zienswijze gevolgd en bij primair besluit van 15 maart 2011 conform het voornemen aan appellant een boete opgelegd van € 35.581,-.

1.3

Het bezwaar van appellant is ongegrond verklaard bij besluit van 14 juli 2011. Tegen dit besluit heeft appellant beroep ingesteld. Hangende het beroep heeft de staatssecretaris het besluit op bezwaar herzien. Bij besluit van 6 november 2012 heeft de staatssecretaris de boete met 50% gematigd tot € 17.790,50.

Uitspraak van de rechtbank

2. De rechtbank heeft het beroep gericht tegen het besluit van 14 juli 2011 niet-ontvankelijk verklaard, wegens het ontbreken van procesbelang. Het beroep van appellant gericht tegen het besluit van 6 november 2012 is ongegrond verklaard. Samengevat weergegeven heeft de rechtbank de staatssecretaris gevolgd in diens oordeel dat de 40 hectare grond waarop bosbouw wordt uitgeoefend, niet meetelt als landbouwgrond voor de berekening van de gebruiksruimte, gelet op de daarvoor in de Msw gestelde regels. De rechtbank heeft geoordeeld dat de overtredingen appellant kunnen worden verweten. Met betrekking tot appellants opvatting dat hij er op mocht vertrouwen dat het door zijn adviseur opgestelde bemestingsplan in overeenstemming was met de Msw, heeft de rechtbank overwogen dat dit appellant niet ontslaat van zijn eigen verantwoordelijkheid om de gebruiksnormen niet te overtreden. Met betrekking tot de hoogte van de boete heeft de rechtbank overwogen dat verweerder bij zijn beslissing om de boete te matigen heeft betrokken dat het economische voordeel dat appellant heeft genoten beduidend lager is dan de wetgever voor ogen heeft gehad, dat hij de overtreding direct nadat hem gebleken was dat hij in overtreding was heeft gestaakt en dat hij de samenwerking met zijn adviseur onmiddellijk heeft beëindigd. Voor een verdergaande matiging heeft de rechtbank geen aanleiding gezien.

Beoordeling van het geschil in hoger beroep

Beslissing