College van Beroep voor het bedrijfsleven, 09-07-2015, ECLI:NL:CBB:2015:192, AWB 13/521 AWB 13/875 AWB 13/913 AWB 13/951
College van Beroep voor het bedrijfsleven, 09-07-2015, ECLI:NL:CBB:2015:192, AWB 13/521 AWB 13/875 AWB 13/913 AWB 13/951
Gegevens
- Instantie
- College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Datum uitspraak
- 9 juli 2015
- Datum publicatie
- 9 juli 2015
- ECLI
- ECLI:NL:CBB:2015:192
- Formele relaties
- Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2013:5042, Overig
- Zaaknummer
- AWB 13/521 AWB 13/875 AWB 13/913 AWB 13/951
- Relevante informatie
- Mededingingswet [Tekst geldig vanaf 01-01-2023 tot 01-07-2025]
Inhoudsindicatie
Boete. Bewijs. Telefoontaps. Het College is met de rechtbank van oordeel dat de aan ACM overgedragen telefoontaps kwalificeren als strafvorderlijke gegevens. Verstrekking van die telefoontapgegevens is niet in strijd met artikel 8 EVRM. Het College is van oordeel dat het bewijsmateriaal rechtmatig door VROM-IOD is verkregen en aan ACM is verstrekt. ACM mocht hiervan gebruik maken bij het nemen van een besluit over het opleggen van bestuurlijke boetes. Het hoger beroep van ACM slaagt en de uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd. Nu de rechtbank -die oordeelde dat ACM geen gebruik had mogen maken van de telefoontaps als bewijs- niet is toegekomen aan een inhoudelijke beoordeling van de beroepen tegen de opgelegde boetes, zal het College de zaak terugwijzen naar de rechtbank.
Uitspraak
uitspraak
zaaknummers: 13/521, 13/875, 13/913 en 13/951
9500
1. Autoriteit Consument en Markt (ACM)(gemachtigden: mr. J.M. Strijker-Reintjes en mr. L. Jörg),2. [BV 1] AVR-[BV 1], te Rotterdam ( [BV 1] )(gemachtigde: mr. R. Wesseling),3. [BV 2], te Rotterdam ( [BV 2] )(gemachtigden: mr. H.A. Bravenboer en mr. M.A.D. Bol),4. [BV 3], te Rotterdam ( [BV 3] )(gemachtigden: mr. H.A. Bravenboer en mr. M.A.D. Bol),5. [BV 4], te Oudewater ( [BV 4] )(gemachtigden: mr. H.A. Bravenboer en mr. M.A.D. Bol),6. [BV 5], te Rotterdam ( [BV 5] )(gemachtigden: mr. M.A. Jacobs en mr. F.W. Barendrecht),
appellanten,
tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 11 juli 2013, kenmerk ROT 12/1946, ROT 12/1947, ROT 12/1948 en ROT 12/1949, in het geding tussen
appellanten sub 2 tot en met 6, alsmede
(gemachtigde: mr. F.L. van der Eerden)
en
Procesverloop in hoger beroep
ACM heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam (rechtbank) van 11 juli 2013 (ECLI:NL:RBROT:2013:5042). Appellanten sub 2 tot en met 6 hebben incidenteel hoger beroep ingesteld tegen deze uitspraak.
Appellanten sub 2 tot en met 6 en [BV 6] hebben een reactie ingediend op het hogerberoepschrift van ACM.
ACM heeft een reactie ingediend op de incidenteel hogerberoepschriften van appellanten sub 2 tot en met 6.
Ten aanzien van enkele stukken die ACM verplicht is over te leggen heeft zij medegedeeld dat uitsluitend het College daarvan kennis zal mogen nemen. Bij beslissing van 14 november 2014 heeft het College de gevraagde beperking van de kennisneming gerechtvaardigd geacht. De andere partijen hebben het College toestemming verleend om mede op grondslag van die stukken uitspraak te doen.
Het onderzoek ter zitting heeft, gevoegd met de zaken 13/522, 13/523 en 13/529, plaatsgevonden op 20 november 2014.
ACM heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigden, alsmede door mr. R.W. Veldhuis. [BV 1] heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde. [BV 2] , [BV 3] en [BV 4] hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden. [BV 6] heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde, alsmede door [naam 1] , [naam 2] en [naam 3] .
Na sluiting van het onderzoek ter zitting heeft het College de gevoegde zaken gesplitst voor het doen van uitspraak.
Grondslag van het geschil
Voor een uitgebreide weergave van het verloop van de procedure, het wettelijk kader en de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden, voor zover niet bestreden, wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. Het College volstaat met het volgende.
Eind 2006 heeft de Inlichtingen- en opsporingsdienst van het Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (VROM-IOD) een onderzoek ingesteld naar overtredingen van de Wet milieubeheer door [BV 2] (onderzoek TOTO). Gedurende de periode februari 2007 tot en met april 2007 zijn in dit kader telefoongesprekken van (medewerkers van) [BV 2] getapt. Uit deze gesprekken is bij VROM-IOD het vermoeden gerezen van het bestaan van prijsafspraken over in te zamelen afvalstoffen.
Op 29 juni 2009 heeft VROM-IOD, na daartoe toestemming te hebben gekregen van het Openbaar Ministerie (OM), de voormalige Nederlandse Mededingingsautoriteit (NMa; thans ACM; hierna ook als ACM aan te duiden) het proces-verbaal van 21 april 2008 verstrekt waarin door de opsporingsambtenaar van VROM-IOD het vermoeden van prijsafspraken over in te zamelen scheepsafvalstoffen is neergelegd. Als bijlagen bij dit proces-verbaal zijn gevoegd beknopte transcripties dan wel samenvattingen van enkele tientallen getapte telefoongesprekken.
ACM heeft naar aanleiding hiervan een onderzoek ingesteld naar een mogelijke overtreding van artikel 6 van de Mededingingswet (Mw) door een aantal ondernemingen dat zich bezig houdt met de inzameling van zeescheepsafval in het Rotterdamse havengebied in de periode vanaf in ieder geval 2007.
Lopende het onderzoek door ACM heeft VROM-IOD - op verzoek van ACM - nog verscheidene keren beknopte transcripties dan wel samenvattingen van enkele tientallen andere getapte telefoongesprekken aan ACM verstrekt, evenals de geluidsbestanden van de hiervoor bedoelde telefoongesprekken, een en ander steeds met toestemming van het OM.
Op basis van de resultaten van haar onderzoek heeft ACM zich op het standpunt gesteld dat drie inzamelaars van zeescheepsafval, te weten [BV 2] en [BV 6] in de periode van 30 augustus 2005 tot en met 31 juli 2007 en AVR Maritiem B.V. (AVR) vanaf 1 januari 2006 tot en met 31 juli 2007 hebben deelgenomen aan een overtreding van artikel 6, eerste lid, Mw. Deze overtreding bestaat uit een overeenkomst en/of onderlinge afgestemde feitelijke gedraging die tot doel had onderling opdrachten te verdelen en prijsconcurrentie te voorkomen of te beperken op het gebied van de inzameling van zeescheepsafval in het Rotterdamse havengebied (Rotterdam, Schiedam, Vlaardingen en Maassluis).
ACM heeft de overtreding van AVR toegerekend aan [BV 5] en voor de periode van 16 februari 2006 tot en met 31 juli 2007 tevens toegerekend aan [BV 1] . Bij besluit van 16 november 2011 (bestreden besluit) heeft ACM aan [BV 5] en [BV 1] een boete opgelegd van € 227.000,-. De overtreding van [BV 2] is door ACM tevens toegerekend aan [BV 3] en voor de periode 11 december 2006 tot en met 31 juli 2007 ook toegerekend aan [BV 4] . Bij het bestreden besluit heeft ACM aan voornoemde ondernemingen een boete opgelegd van € 1.861.000,-. ACM heeft aan [BV 6] een boete opgelegd van € 834.000,-.
[BV 1] , [BV 2] , [BV 3] , [BV 4] , [BV 5] en [BV 6] hebben bezwaar gemaakt tegen het bestreden besluit. Daarbij hebben zij ACM verzocht in te stemmen met rechtstreeks beroep op de voet van artikel 7:1a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). ACM heeft hiermee ingestemd en de bezwaarschriften doorgezonden aan de rechtbank ter behandeling als beroep.
Uitspraak van de rechtbank
De rechtbank heeft de beroepen van [BV 1] , [BV 2] , [BV 3] , [BV 4] , [BV 5] en [BV 6] gegrond verklaard. De rechtbank heeft het besluit van ACM van 16 november 2011 vernietigd. De rechtbank heeft, voor zover voor de hoger beroepen van belang, het volgende overwogen.
De rechtbank heeft op 13 juni 2013 (ECLI:NL:RBROT:2013:CA3079) uitspraak gedaan in een zaak waarbij eveneens door het OM op grond van de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens (Wjsg) telefoontaps aan ACM waren verstrekt. In die uitspraak heeft de rechtbank - samengevat - overwogen dat telefoontaps kwalificeren als strafvorderlijke gegevens als bedoeld in de Wjsg en dat het niet slechts gaat om gegevens in het strafdossier zoals dat aan de bij de berechting van de verdachte betrokken rechter voorgelegd wordt of zal worden. De enge opvatting van een strafdossier zoals [BV 1] , [BV 2] , [BV 3] , [BV 4] , [BV 5] en [BV 6] die hebben en hun opvatting dat er eerst een strafrechtelijke veroordeling moet zijn uitgesproken, past niet bij de bedoeling van de wetgever (zoals onder meer blijkt uit Kamerstukken II, 2002-2003, 28 886, nr. 3, blz. 3 en 6). Dat de telefoontaps geen onderdeel uitmaken van het strafdossier waarover de verdediging in de strafzaak beschikt, maakt niet dat daaruit moet volgen dat de telefoontaps geen strafvorderlijke gegevens zijn die vallen onder de reikwijdte van artikel 1, aanhef en onder b, Wjsg.
De rechtbank ziet geen aanleiding in de onderhavige zaak anders te oordelen dan zij in de uitspraak van 13 juni 2013 heeft gedaan. Nu de rechtbank niet uitgaat van een enge opvatting van het strafdossier, kan zij [BV 1] , [BV 2] , [BV 3] , [BV 4] , [BV 5] en [BV 6] niet volgen in het betoog ter zitting dat er deels overdracht heeft plaatsgevonden van tapgegevens en overige stukken die reeds als niet behorende tot het strafdossier zonder meer vernietigd hadden moeten worden.
Uit de voornoemde uitspraak van 13 juni 2013 volgt ook dat voor de verstrekking van strafvorderlijke gegevens sprake moet zijn van een kenbare, voor de rechter toetsbare afweging van de officier van justitie zelf, die heeft geleid tot de conclusie dat er sprake is van noodzaak tot het verstrekken van de gegevens vanwege een zwaarwegend algemeen belang. Voorts dient de officier van justitie te toetsen of de verstrekking voldoet aan de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit. In dit verband heeft de rechtbank gewezen op de noodzaak van de naleving van de eisen van artikel 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden (EVRM), op grond waarvan een ieder recht op respect voor zijn privéleven heeft. Artikel 39f Wjsg, dat een wettelijke grondslag voor de verstrekking van strafvorderlijke gegevens aan derden bevat, waarborgt dat deze eisen in acht worden genomen. Van deze afweging is in dit geval niet gebleken.
ACM heeft ter zitting aangevoerd dat het economisch belang en de potentiële ernst van de overtreding - in het kader van artikel 6 Mw - hiermee direct duidelijk is. Voor zover ACM beoogt te stellen dat hieruit het zwaarwegend belang blijkt en de officier van justitie door de ondertekening “voor akkoord” zich dat belang “eigen” heeft gemaakt en daarmee dan een kenbare en voor de rechter toetsbare afweging heeft gemaakt, kan de rechtbank ACM niet volgen in haar betoog. Uit de “voor akkoord” ondertekening valt naar het oordeel van de rechtbank niet meer op te maken dan dat de officier van justitie op basis van het gelezene voor akkoord heeft getekend. Uit hetgeen hij “voor akkoord” heeft ondertekend blijkt echter onvoldoende welk zwaarwegend belang werd gediend met de verstrekking van de gegevens, en in het geheel niet waarom de verstrekking met het oog daarop noodzakelijk was. Voorts blijkt er niet uit dat de officier van justitie heeft getoetst of de verstrekking voldoet aan de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit. Dit voorgaande geldt ook voor de overige verstrekkingen met toestemming van de officier van justitie. De rechtbank is dan ook van oordeel dat bij geen van de in het onderhavige geval verleende toestemmingen sprake is van een kenbare, (voor de rechter) toetsbare afweging van de officier van justitie.
Voor zover ACM heeft aangevoerd dat de officier van justitie ná de verstrekking in een e-mail van 23 maart 2012 een kenbare, toetsbare afweging heeft gemaakt overweegt de rechtbank dat de kenbare, (voor de rechter) toetsbare afweging door de officier van justitie gemaakt dient te worden op het moment van de verstrekking en op dat moment ook dient te blijken. Deze afweging kan niet achteraf gemaakt worden. Anders dan ACM is de rechtbank daarnaast van oordeel dat uit de e-mail van 23 maart 2012 ook niet blijkt dat er een kenbare, toetsbare afweging is gemaakt. Dat die kenbare, toetsbare afweging ook in het geval van een standaardverstrekking dient te worden gemaakt, blijkt overigens ook uit de schematische beoordelingsstructuur (het stappenplan) genoemd in de door College van procureurs-generaal opgestelde Aanwijzing verstrekking van strafvorderlijke gegevens voor buiten de strafrechtspleging gelegen doeleinden (zoals deze gold ten tijde van de feiten van het onderhavige geding; Stcrt. 2008, 19, blz. 29; Aanwijzing).
Nu er geen sprake is van een kenbare, toetsbare afweging van de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat ACM in dit geval de telefoontaps niet mocht gebruiken als bewijs, omdat anders geen recht wordt gedaan aan de eisen van artikel 8 EVRM. Anders dan ACM is de rechtbank van oordeel dat ACM in het onderhavige geval niet aan haar vergewisplicht heeft voldaan. De vergewisplicht gaat immers verder dan toestemming vragen en het verkrijgen van een “voor akkoord”-ondertekening door de officier van justitie en kan zeker niet achteraf ingevuld worden. Voor het oordeel dat ACM onder deze omstandigheden geen gebruik had mogen maken van dit bewijs, neemt de rechtbank tevens in aanmerking dat ACM zelf niet de bevoegdheid heeft om via het aftappen van telefoongesprekken bewijsmateriaal te vergaren. Dit is een welbewuste keuze van de wetgever geweest.
ACM heeft ter zitting verklaard dat zij geen aanwijzingen had van mogelijke overtredingen van de Mw bij het inzamelen van het zeescheepsafval in het Rotterdamse havengebied en dat zonder de informatie afkomstig van VROM-IOD er geen onderzoek zou zijn gestart. Gelet hierop en nu de bewijsvoering, zoals deze blijkt uit het bestreden besluit, geheel is geënt op de informatie verkregen met de ter beschikking gestelde tapverslagen of ter beschikking gestelde documenten of verklaringen na confrontatie met de tapverslagen en/of documenten, is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende bewezen dat de overtreding is begaan, zodat ACM niet de bevoegdheid toekomt aan [BV 1] , [BV 2] , [BV 3] , [BV 4] , [BV 5] en [BV 6] een boete op te leggen.