Home

College van Beroep voor het bedrijfsleven, 09-07-2015, ECLI:NL:CBB:2015:193, AWB 13/522 AWB 13/523 AWB 13/529

College van Beroep voor het bedrijfsleven, 09-07-2015, ECLI:NL:CBB:2015:193, AWB 13/522 AWB 13/523 AWB 13/529

Gegevens

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
9 juli 2015
Datum publicatie
9 juli 2015
ECLI
ECLI:NL:CBB:2015:193
Formele relaties
Zaaknummer
AWB 13/522 AWB 13/523 AWB 13/529
Relevante informatie
Mededingingswet [Tekst geldig vanaf 01-01-2023 tot 01-07-2025]

Inhoudsindicatie

Boete. Bewijs. Telefoontaps. Het College is met de rechtbank van oordeel dat de aan ACM overgedragen telefoontaps kwalificeren als strafvorderlijke gegevens. Verstrekking van die telefoontapgegevens is niet in strijd met artikel 8 EVRM. Ook niet gebleken van strijd met enige andere verdragsbepaling. Het College is van oordeel dat het bewijsmateriaal rechtmatig door OM is verkregen en aan ACM is verstrekt. ACM mocht hiervan gebruik maken bij het nemen van een besluit over het opleggen van bestuurlijke boetes. Het hoger beroep van ACM slaagt en de uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd. Nu de rechtbank -die oordeelde dat ACM geen gebruik had mogen maken van de telefoontaps als bewijs- niet is toegekomen aan een inhoudelijke beoordeling van de beroepen tegen de opgelegde boetes, zal het College de zaak terugwijzen naar de rechtbank.

Uitspraak

uitspraak

zaaknummers: 13/522, 13/523 en 13/529

9500

1. Autoriteit Consument en Markt (ACM)(gemachtigden: mr. J.M. Strijker-Reintjes en mr. L. Jörg),2. [BV 1] ([BV 1])(gemachtigden: mr. G. van der Wal en mr. G. Ryelandt),3. [naam 1] en [naam 2] ([naam 1] en [naam 2])(gemachtigde: mr. drs. M.W.J. Jongmans)appellanten,

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 13 juni 2013, kenmerk ROT 12/1711, ROT 12/1712 en ROT 12/1713, in het geding tussen

appellanten sub 2 en 3

Procesverloop in hoger beroep

Appellanten hebben hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam (rechtbank) van 13 juni 2013 (ECLI:NL:RBROT:2013:CA3079).

Appellanten sub 2 en 3 hebben een reactie ingediend op het hogerberoepschrift van ACM.

ACM heeft een reactie ingediend op de hogerberoepschriften van appellanten sub 2 en 3.

Ten aanzien van een aantal stukken die ACM verplicht is over te leggen heeft zij medegedeeld dat uitsluitend het College daarvan kennis zal mogen nemen. Bij beslissing van 14 november 2014 heeft het College de gevraagde beperking van de kennisneming gerechtvaardigd geacht. De andere partijen hebben het College toestemming verleend om mede op grondslag van die stukken uitspraak te doen.

Het onderzoek ter zitting heeft, gevoegd met de zaken 13/521, 13/875, 13/913 en 13/951, plaatsgevonden op 20 november 2014. ACM heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigden, alsmede door mr. R.W. Veldhuis. [BV 1] hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigde, alsmede door [naam 3] en [naam 4]. [naam 1] heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Voorts is verschenen [naam 2], bijgestaan door zijn gemachtigde.

Na sluiting van het onderzoek ter zitting heeft het College de gevoegde zaken gesplitst voor het doen van uitspraak.

Grondslag van het geschil

1.1

Voor een uitgebreide weergave van het verloop van de procedure, het wettelijk kader en de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden, voor zover niet bestreden, wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. Het College volstaat met het volgende.

1.2

De Rijksrecherche, die valt onder het Openbaar Ministerie (OM), is in 2007 een onderzoek gestart naar ambtelijke corruptie in Zuid-Limburg (onderzoek ‘Cleveland’). De Rijksrecherche heeft in dit onderzoek gebruik gemaakt van haar bevoegdheden om telefoongesprekken af te tappen. Het OM heeft in 2008 contact opgenomen met de voormalige Nederlandse Mededingingsautoriteit (NMa; thans ACM; hierna ook als ACM aan te duiden), omdat bij het OM uit de afgenomen telefoontaps het vermoeden was gerezen van het bestaan van prijsafspraken tussen bouwbedrijven onderling.

ACM heeft op 9 december 2008 een onderzoek ingesteld naar een mogelijke overtreding van artikel 6 van de Mededingingswet (Mw) door ondernemingen die actief zijn op het gebied van grond-, weg- en waterbouw in Zuid-Limburg. Bij brief van 16 december 2008 heeft de officier van justitie ACM toestemming gegeven voor het gebruik van de tapverslagen. ACM heeft de telefoontaps in haar onderzoek gebruikt.

Op basis van de resultaten van haar onderzoek heeft ACM zich op het standpunt gesteld dat [BV 2] met een andere onderneming in de periode van maart 2008 tot en met december 2008 inschrijfcijfers heeft afgestemd en informatie heeft uitgewisseld over hun voorgenomen inschrijfgedrag voorafgaande aan de inschrijving op een aantal aanbestedingen van grond-, weg- en waterbouwwerken in Zuid-Limburg. Hiermee hebben deze ondernemingen volgens ACM het kartelverbod van artikel 6 Mw overtreden. ACM heeft de overtreding van [BV 2] toegerekend aan haar moedermaatschappijen [BV 3] en [BV 4] en heeft [BV 1] bij besluit van 29 oktober 2010 een boete opgelegd van € 3 miljoen. ACM heeft [naam 1] en [naam 2] bij besluit van eveneens 29 oktober 2010 een boete opgelegd van € 100.000,- respectievelijk € 250.000,- omdat zij volgens ACM feitelijk leiding hebben gegeven aan deze overtreding.

1.3

Bij haar besluiten van 8 maart 2012 (de bestreden besluiten), waartegen de beroepen bij de rechtbank waren gericht, heeft ACM de bezwaren van [BV 1] ongegrond verklaard en de bezwaren van [naam 1] en [naam 2] onder aanvulling van de motivering ongegrond verklaard.

Uitspraak van de rechtbank

2.1

De rechtbank heeft de beroepen van [BV 1], [naam 1] en [naam 2] gegrond verklaard. De rechtbank heeft de besluiten van ACM van 8 maart 2012 vernietigd en de besluiten van 29 oktober 2010 herroepen. De rechtbank heeft, voor zover voor de hoger beroepen van belang en samengevat weergegeven, het volgende overwogen.

2.2

De telefoontaps kwalificeren als strafvorderlijke gegevens als bedoeld in de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens (Wjsg). Het gaat in artikel 1, aanhef en onder b, Wjsg niet slechts om gegevens in het strafdossier zoals dat aan de bij de berechting van de verdachte betrokken rechter voorgelegd wordt of zal worden. De enge opvatting van een strafdossier zoals [BV 1], [naam 1] en [naam 2] die hebben en hun opvatting dat er eerst een strafrechtelijke veroordeling moet zijn uitgesproken, past niet bij de bedoeling van de wetgever (zoals onder meer blijkt uit Kamerstukken II, 2002-2003, 28 886, nr. 3, blz. 3 en 6). Voor het oordeel dat de telefoontaps kwalificeren als strafvorderlijke gegevens vindt de rechtbank tevens steun in het arrest van de Hoge Raad van 7 mei 1996 (NJ 1996, 687, r.o. 5.9).

ACM heeft gesteld dat alle telefoongesprekken die door de Rijksrecherche worden opgenomen in technische zin tot het strafdossier behoren, omdat ze zijn opgenomen op informatiedragers zoals een dvd/cd/CD-ROM. Van enkele tapverslagen zijn ook schriftelijke uitwerkingen in het strafdossier opgenomen. Dat de telefoontaps in een strafdossier zijn verwerkt strookt ook met het feit dat de telefoontaps door het OM zijn verstrekt en dat het OM heeft bevestigd dat de telefoontaps deel uitmaakten van een strafdossier. Gelet hierop komt de rechtbank tot het oordeel dat de onderhavige telefoontaps in een strafdossier zijn verwerkt.

Dat de telefoontaps geen onderdeel uitmaken van het strafdossier waarover de verdediging in de strafzaak beschikt, maakt niet dat daaruit moet volgen dat de telefoontaps geen strafvorderlijke gegevens zijn die vallen onder de reikwijdte van artikel 1, aanhef en onder b, Wjsg.

De rechtbank leidt uit de tekst van artikel 39f Wjsg af dat deze bepaling vereist dat het verstrekken van strafvorderlijke gegevens aan derden gebaseerd is op de grondslag ‘noodzakelijk met het oog op een zwaarwegend algemeen belang’. In dit verband verwijst de rechtbank naar de Memorie van Toelichting bij de wijziging van de Wjsg (Kamerstukken II 2002-2003, 28 886, nr. 3, blz. 5, eerste alinea). Volgens de wetgever is de officier van justitie bij uitstek geschikt om te beoordelen of een zwaarwegend belang aan de orde is dat het verstrekken van strafvorderlijke gegevens aan een derde rechtvaardigt, zoals blijkt uit de Memorie van Toelichting. De ratio van de Wjsg, en daarmee ook van de Aanwijzing verstrekking van strafvorderlijke gegevens voor buiten de strafrechtspleging gelegen doeleinden (zoals deze gold ten tijde van de feiten van het onderhavige geding; Stcrt. 2008, 19, blz. 29; Aanwijzing), is (mede) gelegen in de bedreiging die gevoelige gegevens als strafvorderlijke gegevens kunnen inhouden voor de persoonlijke levenssfeer van de betrokkene en dat voorkomen moet worden dat deze gegevens al te gemakkelijk worden verstrekt. De rechtbank is dan ook van oordeel, en vindt hiervoor ook steun in de aangehaalde passages uit de Memorie van Toelichting, dat voor de verstrekking van strafvorderlijke gegevens sprake moet zijn van een kenbare, voor de rechter toetsbare afweging van de officier van justitie. Van een dergelijke afweging is in dit geval niet gebleken.De officier van justitie heeft niet gemotiveerd welk zwaarwegend belang werd gediend met de verstrekking van de gegevens, laat staan waarom de verstrekking met het oog daarop noodzakelijk was. Ook uit het verzoek van ACM, die als de ontvanger van deze informatie een grondslag moet hebben om de gevraagde informatie te mogen ontvangen en gebruiken, blijkt niet van een zwaarwegend algemeen belang. Voorts is ook niet gebleken dat de officier van justitie heeft getoetst of de verstrekking voldoet aan de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit.

De rechtbank is van oordeel dat - zoals de voorzieningenrechter van de rechtbank Den Haag in zijn uitspraak van 26 juni 2009 (ECLI:NL:RBSGR:2009:BJ0047) heeft aangenomen - een inbreuk op artikel 6 Mw onder omstandigheden een belang zou kunnen zijn dat onder artikel 39f Wjsg valt. Het onder 4.9 in die uitspraak opgenomen oordeel dat het verstrekken van de telefoontaps aan ACM, met het oog op nader onderzoek door ACM en met het oog op handhaving van artikel 6, eerste lid, Mw, in het belang van het economisch welzijn van Nederland noodzakelijk is, doet er niet aan af dat er in het onderhavige geval geen sprake is van een kenbare, voor de rechter toetsbare afweging van de officier van justitie zelf, die heeft geleid tot de conclusie dat er sprake is van noodzaak tot het verstrekken van de gegevens vanwege een zwaarwegend algemeen belang.

Nu er geen sprake is van een kenbare, toetsbare afweging van de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat ACM in dit geval de telefoontaps niet mocht gebruiken als bewijs, omdat anders geen recht wordt gedaan aan de eisen van artikel 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden (EVRM), van welke eisen artikel 39f Wjsg nu juist naleving beoogt te waarborgen.

Artikel 39f Wjsg stelt binnen de Nederlandse context eisen aan de procedure van verstrekking van strafvorderlijke gegevens aan derden ter bescherming van de privacy van degenen over wie informatie is verzameld. Door geen kenbare belangenafweging te maken, kan de naleving van het voorschrift niet worden getoetst. Dit heeft tot gevolg dat degene over wie de informatie is verstrekt niet kan nagaan waarom de inbreuk op zijn privacy gerechtvaardigd is. Dit weegt in het voorliggende geval des te zwaarder omdat het gaat om het gebruik van een bijzondere opsporingsmethode, de telefoontap, waarvoor een rechter-commissaris specifieke toestemming moet geven, gericht op het feit waarvan degene ten aanzien van wie de wens leeft te gaan tappen, wordt verdacht. ACM had zich, alvorens gebruik te maken van deze gegevens, ervan te dienen vergewissen dat en waarom de officier van justitie van oordeel was dat sprake was van een zwaarwegend maatschappelijk belang en waarom de verstrekking met het oog daarop noodzakelijk was. Voor het oordeel dat ACM onder deze omstandigheden geen gebruik had mogen maken van dit bewijs, neemt de rechtbank tevens in aanmerking dat ACM zelf niet de bevoegdheid heeft om via het aftappen van telefoongesprekken bewijsmateriaal te vergaren. Dit is een welbewuste keuze van de wetgever geweest.

Nu de bewijsvoering, zoals deze blijkt uit zowel het primaire besluit als het bestreden besluit, geheel is geënt op de informatie verkregen met de ter beschikking gestelde tapverslagen of verklaringen na confrontatie met de tapverslagen, is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende bewezen dat de overtreding is begaan, zodat ACM niet de bevoegdheid toekomt aan [BV 1], [naam 1] en [naam 2] een boete op te leggen.

Beoordeling van het geschil in hoger beroep

Beslissing