Home

College van Beroep voor het bedrijfsleven, 08-07-2015, ECLI:NL:CBB:2015:194, AWB 13/676

College van Beroep voor het bedrijfsleven, 08-07-2015, ECLI:NL:CBB:2015:194, AWB 13/676

Gegevens

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
8 juli 2015
Datum publicatie
8 juli 2015
ECLI
ECLI:NL:CBB:2015:194
Formele relaties
Zaaknummer
AWB 13/676
Relevante informatie
Wet handhaving consumentenbescherming [Tekst geldig vanaf 01-03-2025 tot 28-06-2025]

Inhoudsindicatie

Misleidende handelspraktijk – Het College acht bewezen dat een winkelketen een bestendige praktijk had om bij consumenten de indruk te wekken dat na het verstrijken van de fabrieksgarantietermijn altijd kosten moeten worden betaald in verband met de reparatie van een defect product. Die informatie is niet in alle gevallen juist, aangezien uit de bepalingen in het BW omtrent de consumentenkoop voortvloeit dat de koper recht heeft op kosteloos herstel of vervanging ingeval van non-conformiteit van het product. – het sanctiebesluit is niet in strijd met beginselen van behoorlijk bestuur

Uitspraak

uitspraak

zaaknummer: 13/676

8101

(gemachtigden: mr. E.H.M. Bieleveld en mr. A. van der Ploeg),

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 25 juli 2013, met zaaknummers ROT 12/1818 en ROT 11/2462, in het geding tussen

(gemachtigden: mr. P.S. Kösters en mr. P.J. Schnezler).

Procesverloop in hoger beroep

[onderneming] heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam (rechtbank) van 25 juli 2013 (ECLI:NL:RBROT:2013:5540).

ACM heeft een reactie op het hogerberoepschrift ingediend.

Ten aanzien van een aantal stukken die ACM verplicht is over te leggen heeft zij medegedeeld dat uitsluitend het College daarvan kennis zal mogen nemen. Bij beslissing van 30 januari 2015 heeft het College, behoudens ten aanzien van delen van stukken die zich ook in het openbare dossier bevinden, de gevraagde beperking van de kennisneming gerechtvaardigd geacht. [onderneming] heeft vervolgens het College geen toestemming verleend om mede op grondslag van de vertrouwelijke stukken uitspraak te doen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 maart 2015. [onderneming] heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigden, alsmede door [naam 1], directeur logistiek en after sales bij [onderneming]. ACM heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigden.

Grondslag van het geschil

1. Voor een uitgebreide weergave van het verloop van de procedure, het wettelijk kader en de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden, voor zover niet bestreden, wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. Het College volstaat met het volgende.

2.1

Bij besluit van 6 juli 2010 (het sanctiebesluit) heeft de (toenmalige) Consumentenautoriteit (hierna, gelet op artikel 42 van de Instellingswet Autoriteit Consument en Markt (Stb. 2013, 102): ACM) [onderneming] twee boetes opgelegd wegens overtreding van artikel 8.8 van de Wet handhaving consumentenbescherming (Whc). Bij besluit van eveneens 6 juli 2010 heeft ACM [onderneming] meegedeeld het sanctiebesluit openbaar te zullen maken.

2.2

Bij besluit van 26 mei 2011 (bestreden besluit 1) heeft ACM, na advies te hebben verkregen van de Adviescommissie Consumentenautoriteit (Adviescommissie), het bezwaar van [onderneming] tegen het sanctiebesluit deels gegrond verklaard en daarbij één boete laten vervallen en de andere boete van € 90.000,- wegens overtreding van artikel 8.8 van de Whc in verbinding met artikel 6:193c, eerste lid, aanhef en onder g, van het Burgerlijk Wetboek (BW) gehandhaafd.

2.3

Bij besluit van eveneens 26 mei 2011 heeft ACM het besluit van 6 juli 2010 aangaande de openbaarmaking van het sanctiebesluit ingetrokken, het bezwaar van [onderneming] hiertegen niet-ontvankelijk verklaard, en besloten het bestreden besluit 1 openbaar te maken (publicatiebesluit). Bij besluit van 14 maart 2012 (bestreden besluit 2) heeft ACM het bezwaar van [onderneming] tegen het publicatiebesluit ongegrond verklaard.

Uitspraak van de rechtbank

3. De rechtbank heeft de beroepen van [onderneming] tegen de bestreden besluiten ongegrond verklaard.

4.1

Ten aanzien van bestreden besluit 1 heeft de rechtbank, samengevat weergegeven en voor zover in hoger beroep van belang, het volgende overwogen.

4.2

Uit de bewijsmiddelen, te weten de verklaringen van een directielid en een projectmanager op het hoofdkantoor van [onderneming], een verklaring van een afdelingshoofd van een filiaal in [plaats 2] en een aantal verslagen van filiaalbezoeken, volgt volgens de rechtbank dat [onderneming] consumenten onjuiste en/of misleidende informatie heeft verstrekt door te zwijgen over de mogelijkheid van kosteloos herstel of vervanging in het geval van non-conformiteit van het defecte product. Nu dit schade heeft toegebracht of heeft kunnen toebrengen aan collectieve belangen van consumenten, is ACM bevoegd om [onderneming] voor overtreding van artikel 8.8 van de Whc in verbinding met artikel 6:193c, eerste lid, aanhef en onder g, van het BW een boete op te leggen.

4.3

Naar aanleiding van de stelling van [onderneming] dat ACM ten onrechte de marktleider buiten het onderzoek heeft gehouden overweegt de rechtbank op grond van vertrouwelijke stukken dat geen sprake is van schending van het gelijkheidsbeginsel. Evenmin heeft ACM volgens de rechtbank dat beginsel geschonden door [onderneming] niet de mogelijkheid van een toezeggingstraject aan te bieden. De rechtbank acht de door ACM geformuleerde uitgangspunten ten aanzien van de vraag wanneer zij in plaats van handhavend op te treden ervoor kiest om een toezeggingstraject aan te gaan, niet onredelijk. De rechtbank wijst erop dat [onderneming] zowel voorafgaand aan het opstellen van het boeterapport als nadien heeft ontkend een overtreding te hebben begaan, terwijl de bedrijven die het toezeggingstraject hebben doorlopen de begane overtredingen hebben erkend en daarvoor verantwoordelijkheid hebben genomen. De rechtbank acht het niet onredelijk dat ACM niet is ingegaan op een verzoek of aanbod van [onderneming] om een toezeggingstraject naar aanleiding van een gesprek met [bedrijf 1] dan wel nadat ACM het rapport had opgemaakt. Voorts overweegt de rechtbank dat de door [onderneming] genoemde gevallen van [bedrijf 2], [bedrijf 3] en [bedrijf 4] dateren van na de boeteoplegging aan [onderneming]. De door [onderneming] gestelde gewijzigde omstandigheden waarin ACM volgens haar aanleiding had moeten zien om in bezwaar alsnog een toezeggingstraject aan te gaan zijn naar het oordeel van de rechtbank geen omstandigheden die ACM daartoe noopten.

4.4

Voorts is de rechtbank van oordeel dat ACM evenmin het vertrouwensbeginsel heeft geschonden. Daarbij merkt de rechtbank op dat ACM geen beleid heeft dat voorschrijft altijd eerst te waarschuwen en branches in de gelegenheid te stellen tot zelfregulering te komen alvorens een boete op te leggen. Voorts is geen sprake van een uitdrukkelijke en onvoorwaardelijke door ACM te honoreren toezegging dat tegen [onderneming] niet handhavend zou worden opgetreden.

4.5

Evenmin acht de rechtbank het subsidiariteitsbeginsel door ACM geschonden. De rechtbank wijst erop dat ACM een grote mate van vrijheid toekomt bij het bepalen van de wijze waarop zij gebruik maakt van haar bevoegdheid tot handhaving. Dat inmiddels een gedragscode in werking is getreden doet volgens de rechtbank niet af aan de constatering van een beboetbare overtreding en ACM behoefde hierin geen aanleiding te zien om van handhaving af te zien. Voorts neemt de rechtbank in aanmerking het tijdsverloop sedert de invoering van de bepalingen in het BW inzake oneerlijke handelspraktijken en de gelegenheid die [onderneming] en de branche hebben gehad om zich daarop in te stellen.

4.6

Ten aanzien van de stelling van [onderneming] dat de boete onevenredig hoog is, acht de rechtbank niet onjuist het algemene uitgangspunt van ACM dat de hoogte van de boete zodanig moet zijn dat deze de overtreder weerhoudt van nieuwe overtredingen (speciale preventie) en ook in algemene termen op andere potentiële overtreders een afschrikkende werking heeft (generale preventie). ACM heeft de mate van ernst van de overtreding juist en voldoende gemotiveerd als ernstig aangemerkt, gelet op de door de Whc beoogde bescherming van consumentenbelangen en de omstandigheden waaronder de overtredingen zijn begaan. De hoogte van de boete acht de rechtbank dan ook passend en geboden.

4.7

Van schending van het motiverings- en het zorgvuldigheidsbeginsel is de rechtbank niet gebleken.

4.8

De rechtbank komt tot de conclusie dat bestreden besluit 1 stand kan houden.

5. Ten aanzien van bestreden besluit 2 stelt de rechtbank voorop dat ACM met haar vaste gedragslijn om sanctiebesluiten openbaar te maken geen onjuiste of onredelijke invulling heeft gegeven aan haar bevoegdheid van artikel 2.23 van de Whc. Het sanctiebesluit is rechtmatig en om die reden is van onevenredige benadeling van [onderneming] geen sprake. Voorts overweegt de rechtbank dat openbaarmaking van het sanctiebesluit niet is gericht op leedtoevoeging, maar onder andere op waarschuwing van consumenten. Het eventueel daardoor ontstaan van economisch nadeel voor [onderneming] acht de rechtbank geen leedtoevoeging in vorenbedoelde zin. Voorts is de rechtbank niet gebleken dat ACM de door haar met de openbaarmaking beoogde belangen onevenredig zwaar heeft laten wegen ten opzichte van de belangen van [onderneming]. [onderneming] heeft volgens de rechtbank de schade die zij stelt te hebben geleden door de publicatie van het sanctiebesluit niet gespecificeerd. Ook bestreden besluit 2 kan in rechte standhouden.

Beoordeling van het geschil in hoger beroep

Beslissing