College van Beroep voor het bedrijfsleven, 09-09-2015, ECLI:NL:CBB:2015:315, 13/758
College van Beroep voor het bedrijfsleven, 09-09-2015, ECLI:NL:CBB:2015:315, 13/758
Gegevens
- Instantie
- College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Datum uitspraak
- 9 september 2015
- Datum publicatie
- 5 oktober 2015
- ECLI
- ECLI:NL:CBB:2015:315
- Zaaknummer
- 13/758
- Relevante informatie
- Meststoffenwet [Tekst geldig vanaf 01-01-2025 tot 01-01-2030]
Inhoudsindicatie
Meststoffenwet
Uitspraak
uitspraak
zaaknummer: AWB 13/758
16005
uitspraak van de meervoudige kamer van 9 september 2015 op het hoger beroep van:
tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 29 augustus 2013, kenmerk SHE 12/2956, in het geding tussen
appellante
(gemachtigde: mr. A.H. Spriensma - Heringa).
Procesverloop in hoger beroep
Appellante heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 29 augustus 2013 (ECLI:NL:RBOBR:2013:4821; hierna: de aangevallen uitspraak).
De staatssecretaris heeft een reactie op het hoger beroepschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 juli 2015. Appellante en haar gemachtigde zijn niet verschenen. De staatssecretaris heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde.
Het onderzoek is ter zitting geschorst. Desgevraagd hebben partijen toestemming verleend voor het achterwege laten van een nadere zitting. Vervolgens heeft het College het onderzoek gesloten.
Grondslag van het geschil
Voor een uitgebreide weergave van het verloop van de procedure, het wettelijk kader en de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden, voor zover niet bestreden, wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. Het College volstaat met het volgende.
De staatssecretaris heeft een administratieve controle uitgevoerd naar de naleving van de Meststoffenwet (Msw) door appellante in 2010. Op basis van die controle heeft de staatssecretaris bij besluit van 13 oktober 2011 (primaire besluit) aan appellante drie bestuurlijke boetes opgelegd van in totaal € 19.595,50 wegens overtredingen in het jaar 2010 van artikel 7, in samenhang met artikel 8, van de Msw.
Bij de vaststelling van de overtredingen en de berekening van de boetes is uitgegaan van een overschrijding in 2010 van de gebruiksnorm voor dierlijke meststoffen met 1.782 kg stikstof, overschrijding van de stikstofgebruiksnorm met 215 kg stikstof en overschrijding van de fosfaatgebruiksnorm met 1.158 kg fosfaat.
Bij besluit van 7 augustus 2012 is het bezwaar van appellante gericht tegen het primaire besluit ongegrond verklaard. Tegen dit besluit is beroep ingesteld bij de rechtbank.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep van appellante ongegrond verklaard. De rechtbank heeft, voor zover voor het hoger beroep van belang, het volgende overwogen:
“4. Eiseres voert als beroepsgrond aan dat verweerder ten onrechte uitgaat van de forfaitaire normen. Door de standaardwerkwijze van eiseres, inhoudende dat eerst de Nederlandse gronden met twintig tot vijfentwintig ton varkensdrijfmest worden bemest, waarna wordt gestart met de afvoer naar België, kan er geen overschrijding van de gebruiksnormen plaatsvinden vanwege het feit dat het mestgebruik per hectare beperkt is. De varkens van eiseres produceren verder maximaal negentig procent van de mest die volgens de gangbare normen wordt geproduceerd, per jaar ruim 1.900 ton. Dit baseert eiseres op de ervaring van vele jaren, op het feit dat zij honderd procent droogvoer aan haar varkens verstrekt en zij met het oog op waterbesparing, maatregelen heeft genomen en keuzes heeft gemaakt voor de stalinrichting. Deze door eiseres (in het beroepschrift) omschreven bedrijfsspecifieke zaken, samen met de ervaring die eiseres heeft opgedaan betreffende de hoeveelheid geproduceerde mest, maken de stelling dat de varkens van eiseres negentig procent van de gangbare normen produceren volledig verdedigbaar. Eiseres heeft ter onderbouwing van haar standpunt een berekening toegevoegd. Dit samen levert volgens eiseres overtuigend bewijs op dat zij de normen van de Meststoffenwet correct heeft toegepast.
5. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder bij de berekening van de hoeveelheid dierlijke meststoffen mogen vasthouden aan de forfaitaire normen. Eiseres is er niet in geslaagd aannemelijk te maken dat de gebruiksnormen niet zijn overschreden. De stelling van eiseres dat haar varkens slechts 90% van de forfaitaire hoeveelheid mest produceren is niet door middel van verifieerbare en objectieve gegevens onderbouwd. Het enkel stellen dat dit percentage aan de hand van ervaringsgegevens is bepaald is hiertoe onvoldoende. Ook het door eiseres overgelegde rapport ‘mestproduktie en waterverbruik: vergelijking tussen praktijk en theorie’ vormt geen onderbouwing van de aanname van eiseres dat zij minder dan de forfaitaire normen produceert. Daarvoor zijn de conclusies in dit rapport te algemeen en niet op de specifieke situatie in het bedrijf van eiseres afgestemd. Bovendien stelt verweerder terecht dat eiseres bij haar aannames ten aanzien van de hoeveelheid mest zich louter focust op het volume van de mest en niet op de fosfaat en stikstofgehalten die aan de boetes ten grondslag liggen. Anders gezegd, de gestelde hoeveelheid geproduceerde mest zegt nog niets over de overschrijding van de gebruiksnormen. Ook de stelling van eiseres dat haar landbouwgewassen een nauwkeurige bemesting vereisen zodat een overschrijding van de gebruiksnormen niet aannemelijk is, heeft naar het oordeel van de rechtbank voor verweerder geen aanleiding hoeven te vormen om af te wijken van de forfaitaire normen. De beroepsgrond faalt.
6. Ten aanzien van de proportionaliteit van de opgelegde boetes voert eiseres aan dat zij geen enkele baat heeft bij het ontstane misverstand en de opgelegde bestuurlijke boetes als buitenproportioneel beschouwt. Ter zitting heeft eiseres toegelicht dat zij bedoeld heeft aan te voeren dat zij geen voordeel heeft willen behalen. Voor zover zij daarmee bedoelt dat haar economisch voordeel lager is dan de opgelegde boete overweegt de rechtbank dat dit niet kan leiden tot matiging van de boete, nu verweerder bij de vaststelling van het boetebedrag al rekening heeft gehouden met deze omstandigheid. De beroepsgrond faalt.”