College van Beroep voor het bedrijfsleven, 22-09-2015, ECLI:NL:CBB:2015:330, 13/357 en 13/399
College van Beroep voor het bedrijfsleven, 22-09-2015, ECLI:NL:CBB:2015:330, 13/357 en 13/399
Gegevens
- Instantie
- College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Datum uitspraak
- 22 september 2015
- Datum publicatie
- 8 oktober 2015
- ECLI
- ECLI:NL:CBB:2015:330
- Formele relaties
- Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2013:BZ8784, Overig
- Zaaknummer
- 13/357 en 13/399
- Relevante informatie
- Tabaks- en rookwarenwet [Tekst geldig vanaf 01-01-2025]
Inhoudsindicatie
Boete. Rol bestuursrechter. Wanneer een besluit tot oplegging van een bestuurlijke boete een deugdelijke grond ontbeert - omdat, zoals in dit geval, de overtreding van artikel 11a, eerste lid, van de Tabakswet niet is bewezen - dan strekt de in artikel 8:72, derde lid, van de Awb aan de bestuursrechter gegeven bevoegdheid om zelf in de zaak te voorzien naar het oordeel van het College niet zover dat hij aan het besluit een overtreding ten grondslag kan leggen die eerder niet aan het besluit tot het opleggen van een bestuurlijke boete ten grondslag heeft gelegen.
Uitspraak
uitspraak
zaaknummer: 13/357 en 13/399
11100
Uitspraak van de meervoudige kamer van 22 september 2015 op de hoger beroepen van:
en
tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 4 april 2013, kenmerk ROT 12/1310, in het geding tussen de minister en [naam 1] .
Procesverloop in hoger beroep
De minister en [naam 1] hebben hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 4 april 2013 (ECLI:NL:RBROT:2013:BZ8784).
[naam 1] en de minister hebben een reactie op elkaars hogerberoepschriften ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 januari 2015.
[naam 1] is, met bericht van verhindering, niet verschenen. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Grondslag van het geschil
Voor een uitgebreide weergave van het verloop van de procedure, het wettelijk kader en de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden, voor zover niet bestreden, wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. Het College volstaat met het volgende.
Naar aanleiding van een inspectie op 16 september 2011 in het door [naam 1] geëxploiteerde café “ [naam 2] ” te [plaats] , is bij besluit van 6 januari 2012 aan [naam 1] wegens overtreding van artikel 11a, eerste lid, van de Tabakswet een boete opgelegd van € 600,00. Volgens de minister heeft [naam 1] als werkgever onvoldoende maatregelen getroffen om ervoor te zorgen dat werknemers hun werkzaamheden kunnen verrichten zonder daarbij hinder of overlast van roken door anderen te ondervinden.
Bij zijn besluit van 13 februari 2012, waartegen het beroep bij de rechtbank was gericht, heeft de minister het tegen voornoemd boetebesluit gemaakte bezwaar (kennelijk) ongegrond verklaard.
Uitspraak van de rechtbank
De rechtbank heeft het beroep van [naam 1] gegrond verklaard. De rechtbank heeft het besluit van 13 februari 2012 vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand blijven.
De rechtbank heeft, voor zover voor het hoger beroep van belang, het volgende overwogen, waarbij voor “eiser” [naam 1] moet worden gelezen:
“ 3.3. De rechtbank is van oordeel dat het bestreden besluit geen toereikende motivering bevat ter zake van hetgeen eiser in bezwaar heeft aangevoerd. Weliswaar mag in beginsel worden afgegaan op bevindingen of verklaringen die zijn neergelegd in een ambtsedig opgemaakt proces-verbaal van een bijzonder opsporingsambtenaar, maar anders dan de minister, is de rechtbank van oordeel dat uit het ambtsedig opgemaakte proces-verbaal van de controleambtenaar van NVWA niet aanstonds volgt dat eiser als werkgever moet worden aangemerkt en dat hetgeen eiser in bezwaar naar voren heeft gebracht niet perse strijdig is met hetgeen in het proces-verbaal wordt vermeld, in welk verband de rechtbank in dit verband minder waarde dan de minster hecht aan het lidwoord ‘een’ of ‘zijn’ voorafgaand aan het zelfstandig naamwoord ‘vriendin’. De rechtbank overweegt voorts dat op de minister de bewijslast rust om aan te tonen dat eiser artikel 11a, eerste lid, van de Tabakswet heeft overtreden, in welk verband moet komen vast te staan dat hij als werkgever moet worden aangemerkt. Indien daarover twijfel kan bestaan komt dit in beginsel niet voor rekening en risico van eiser, maar voor rekening en risico van het bestuursorgaan dat een bestraffende sanctie wenst op te leggen (vgl. EHRM 23 juli 2002, EHRC 2002/88 (Janosevic) en ABRvS 18 april 2012, LJN BW3071). De rechtbank merkt in dit verband nog op dat juist in de bezwaarfase nadere informatie daaromtrent gekregen had kunnen worden, ware het niet dat de minister ervan af heeft gezien eiser in de gelegenheid te stellen om te worden gehoord en ook anderszins geen nader onderzoek heeft verricht naar de juistheid van de stelling van eiser. Met betrekking tot de motivering van het bestreden besluit merkt de rechtbank nog op dat die niet (mede) stoelt op een ruim werkgeversbegrip. De minister heeft immers eerst in beroep gewezen op de toelichting bij het Besluit [Besluit uitvoering rookvrije werkplek, horeca en andere ruimten; CBb], welke toelichting overigens niet beoogt het begrip werkgever in de zin van artikel 11a, eerste lid, van de Tabakswet te definiëren doch het begrip zelfstandige zonder personeel als bedoeld in het Besluit. Gelet op een en ander komt het bestreden besluit wegens strijd met artikel 3:2 en/of artikel 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) voor vernietiging in aanmerking.
De rechtbank ziet hierna aanleiding te bezien op welke wijze zij zelf in de zaak dient te voorzien.
De rechtbank acht het voldoende aannemelijk dat de vrouw die tijdens de bewuste avond achter de bar stond de vriendin van eiser is. Anders dan de minister kennelijk meent, volgt uit (de Nota van Toelichting bij) het Besluit niet dat de meewerkende, niet geregistreerde partner ten alle tijden aangemerkt dient te worden als personeel. Omdat eiser heeft gesteld dat hij reeds lange tijd met haar samenwoont, zal de rechtbank er – veronderstellenderwijs – vanuit gaan dat eiser niet als werkgever in de zin van artikel 11a, eerste lid, van de Tabakswet worden aangemerkt. Hieruit volgt dat de minister hem ten onrechte een bestuurlijke boete heeft opgelegd wegens overtreding van artikel 11a, eerste lid, van de Tabakswet.
Zoals de minister in verweer heeft betoogd geldt ook voor de houder van een horeca-inrichting zonder personeel dat die verplicht is tot het instellen en handhaven van een rookverbod op grond van artikel 11a, vierde lid, van de Tabakswet. De rechtbank voegt hier aan toe dat het Besluit gelezen in verbinding met artikel 10 van de Tabakswet een toereikende grondslag biedt voor de verplichting van de beheerder van een horeca-inrichting om een rookverbod in te stellen (vgl. HR 23 februari 2010, LJN BK8210 en LJN BK8211). Uit het hiervoor geciteerde proces-verbaal volgt dat eiser ten tijde van de controle geen rookverbod handhaafde. Naar het oordeel van de rechtbank komt eiser geen beroep toe op de uitzondering van de verplichting een rookverbod te handhaven nu blijkens het proces-verbaal sprake is van twee ruimtes. Ter zitting is van de zijde van de minister voorts meegedeeld dat het blijkens de Drank- en Horecavergunning van eiser gaat om een ruimte van 63 m2 en een van 82m2. De verplichting om in de horeca-inrichting een rookverbod te handhaven was dan ook onverkort van toepassing op eiser (vgl. CBb 11 september 2012, LJN BX8157). Dit verbod geldt ongeacht of alle klanten zelf willen roken of niet en ongeacht of zij er wel of geen bezwaar tegen hebben om rook van anderen in te ademen (vgl. CBb 8 december 2011, LJN BU9590 en CBb 11 oktober 2012, LJN BY0660).
Gelet hierop is sprake van overtreding van artikel 11a, vierde lid, van de Tabakswet, een gedraging van de categorie C als bedoeld in de bijlage bedoeld in artikel 11b, tweede lid, en artikel 12c van de Tabakswet. Bij een eerste overtreding geldt aldus een vast tarief van € 600,00, net als bij overtreding van artikel 11a, eerste lid, van de Tabakswet waarvoor de minister eiser heeft beboet.”