College van Beroep voor het bedrijfsleven, 18-11-2015, ECLI:NL:CBB:2015:381, 13/219
College van Beroep voor het bedrijfsleven, 18-11-2015, ECLI:NL:CBB:2015:381, 13/219
Gegevens
- Instantie
- College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Datum uitspraak
- 18 november 2015
- Datum publicatie
- 3 december 2015
- ECLI
- ECLI:NL:CBB:2015:381
- Zaaknummer
- 13/219
- Relevante informatie
- Meststoffenwet [Tekst geldig vanaf 01-01-2025 tot 01-01-2030]
Inhoudsindicatie
overtreding artikel 14 Msw, intern bedrijfstransport
Uitspraak
uitspraak
zaaknummer: 13/219
16005
uitspraak van de meervoudige kamer van 18 november 2015 op het hoger beroep van:
tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 22 februari 2013, kenmerk AWB 12/2830, in het geding tussen
(gemachtigde: mr. A.H. Spriensma)
Procesverloop in hoger beroep
Appellante heeft hoger beroep ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 22 februari 2013 (hierna: de aangevallen uitspraak).
De staatssecretaris heeft een reactie op het hoger beroepschrift ingediend.
Op 11 maart 2015 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgehad waarbij appellante werd vertegenwoordigd door [naam 2] en [naam 3] , bijgestaan door de kantoorgenoot van de gemachtigde van appellante, mr. J.G.M. van Mierlo. De staatssecretaris werd vertegenwoordigd door mr. A.H. Spriensma.
Grondslag van het geschil
Het College gaat bij de beoordeling van het hoger beroep uit van de volgende feiten en omstandigheden.
Bij primair besluit van 25 november 2011 is aan appellante een boete opgelegd van
€ 66.066,-- wegens het niet naleven van artikel 14 van de Meststoffenwet (Msw) in het jaar 2009. Appellante wordt verweten in de periode van 20 februari 2009 tot en met 20 april 2009 86 vrachten met in totaal minimaal 1540 ton mest zonder Vervoersbewijzen dierlijke mest (VDM' s) te hebben vervoerd en zonder te verantwoorden wie de afnemers zijn. De boete is gestoeld op het niet verantwoorden van 6006 kg fosfaat. De staatssecretaris heeft zich daarbij gebaseerd op een afdoeningsrapport nr. 64658 van de Algemene Inspectiedienst (AID) van 26 mei 2011 (afdoeningsrapport). Op basis van het afdoeningsrapport concludeert de staatssecretaris dat appellante mest naar derden heeft afgevoerd, zonder daarvoor Vervoersbewijzen dierlijke mest (VDM’s) op te maken en zonder te verantwoorden wie de afnemers zijn. Dat sprake was van een bedrijfsintern transport, van het tot [naam 4] Beheer B.V. behorende vleesvarkensbedrijf [naam 5] B.V., gevestigd te [plaats 1] naar het eveneens tot [naam 4] Beheer B.V. behorende [naam 6] B.V., de co-vergistingsinstallatie gevestigd te [plaats 2] , acht de staatssecretaris niet aannemelijk. Appellante heeft geen rittenstaten kunnen overleggen of ander bewijs waaruit blijkt dat er sprake was van een bedrijfsintern transport. Appellante moet daarom als intermediaire onderneming worden aangemerkt, waarop de verplichting rust te verantwoorden waar de mest naar toe is afgevoerd. Nu zij daar niet aan heeft voldaan concludeert de staatssecretaris dat appellante de verantwoordingsplicht van artikel 14 van de Msw heeft overtreden. De hoeveelheid mest die niet zou zijn verantwoord wordt gebaseerd op schattingen van de hoeveelheid geproduceerde mest, de geschatte voorraden in 2009 en schattingen van hetgeen is afgevoerd. Op deze wijze is geconcludeerd dat door appellante 1540 ton mest is vervoerd. Op basis van het forfaitaire fosfaatgehalte van 3,9 kg per ton mest levert dat 6006 kg fosfaat op.
Het bezwaar van appellante tegen de opgelegde boete is bij besluit van 30 juli 2012 ongegrond verklaard.
Uitspraak van de rechtbank
De rechtbank heeft het beroep van appellante ongegrond verklaard. De rechtbank heeft, voor zover voor het hoger beroep van belang, het volgende overwogen.
Naar het oordeel van de rechtbank (r.o.8 en 9) is onmiskenbaar dat ingevolge artikel 14 van de Msw appellante steeds moet kunnen verantwoorden naar wie de door haar vervoerde mest is afgevoerd. Gelet op het feit dat appellante 86 vrachten mest heeft vervoerd zonder daarvoor vervoersbewijzen op te maken, staat volgens de rechtbank vast dat appellante artikel 14 van de Msw heeft overtreden. Naar het oordeel van de rechtbank (r.o.10) is appellante er niet in geslaagd aannemelijk te maken dat sprake is van de uitzondering voor het feitelijk transporteren binnen een bedrijf, nu appellante haar stelling dat de mest naar de co-vergister in [plaats 2] is afgevoerd op geen enkele wijze heeft onderbouwd en bovendien uit de verklaring van de algemeen bedrijfsleider van [naam 4] Beheer, [naam 7] , blijkt dat hij heeft geholpen facturen te vervalsen om appellante en [naam 4] Beheer te redden. De rechtbank is daarom van oordeel dat de staatssecretaris niet aannemelijk heeft hoeven achten dat sprake was van de uitzondering van een bedrijfsintern transport. De staatssecretaris heeft naar het oordeel van de rechtbank daarom appellante terecht als intermediaire onderneming aangemerkt ten aanzien van de 86 vrachten drijfmest, zodat de verantwoordingsplicht onverkort gold (r.o.11).