Home

College van Beroep voor het bedrijfsleven, 09-05-2016, ECLI:NL:CBB:2016:106, 14/656

College van Beroep voor het bedrijfsleven, 09-05-2016, ECLI:NL:CBB:2016:106, 14/656

Gegevens

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
9 mei 2016
Datum publicatie
10 mei 2016
ECLI
ECLI:NL:CBB:2016:106
Formele relaties
Zaaknummer
14/656
Relevante informatie
Meststoffenwet [Tekst geldig vanaf 01-01-2025 tot 01-01-2030], Meststoffenwet [Tekst geldig vanaf 01-01-2025 tot 01-01-2030] art. 7

Inhoudsindicatie

artikel 7 Msw

mestscheiden

getuigenverklaringen

beroep gegrond

Uitspraak

Uitspraak

zaaknummer: 14/656

16005

(gemachtigde: mr. G.R.A.G. Goorts)

tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 22 augustus 2014, kenmerk SHE 13/4499, in het geding tussen

appellante

en

(gemachtigde: mr. A.H. Spriensma)

Procesverloop in hoger beroep

Appellante heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 22 augustus 2014, ECLI:NL:RBOBR:2014:5195.

Verweerder heeft een reactie op het hoger beroepschrift ingediend.

Appellante heeft aanvullende stukken ingediend en tevens gemeld getuigen te zullen meenemen naar de zitting.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden 25 februari 2016. Voor appellante is verschenen [naam 2] , bijgestaan door de gemachtigde. Namens appellante is tevens verschenen ir. [naam 3] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Namens verweerder is tevens verschenen [naam 4] , inspecteur bij de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA).

Ter zitting heeft het College [naam 5] , [naam 6] , [naam 7] en [naam 8] als getuigen gehoord.

Grondslag van het geschil

1. Voor een uitgebreide weergave van het verloop van de procedure en de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden, voor zover niet bestreden, wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. Het College volstaat met het volgende.

1.1

Appellante exploiteert een agrarisch bedrijf aan de [adres] te [plaats 1] .

De NVWA heeft een onderzoek uitgevoerd naar de naleving van de Meststoffenwet (Msw) door appellante in 2011. De resultaten van dit onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 25 mei 2012, nummer 68313. Uit dit rapport blijkt het volgende. Er is waargenomen dat op of omstreeks 19 oktober 2011 drie vrachten pluimveemest zijn vervoerd van een pluimveebedrijf van [naam 9] , naar het rundveebedrijf van appellante. Van dit vervoer zijn geen vervoersbewijzen dierlijke meststoffen opgemaakt. Tevens zijn de transporten niet uitgevoerd door een geregistreerde intermediair en is niet voldaan aan de overige verplichtingen die van toepassing zijn bij het vervoeren van dierlijke mest, onder meer: transport uitvoeren met AGR/GPS apparatuur en het wegen en bemonsteren. De mest is vervolgens niet opgegeven door appellante via het formulier ‘Opgave Aanvullende gegevens landbouwbedrijven 2011’. Uit het rapport blijkt voorts dat appellante de afvoer van drie vrachten mest op 18 april 2011 heeft geregistreerd bij de staatssecretaris. Door appellante wordt dit omschreven als ingedikte rundveemest na mestscheiding. Volgens het rapport zijn de opgegeven gehaltes stikstof en fosfaat en droge stof in de afgevoerde mest onwaarschijnlijk hoog. Niet aannemelijk is dat mestscheiding heeft plaatsgevonden. De gehaltes zijn nagenoeg gelijk aan die van de in oktober 2011 aangevoerde pluimveemest. De op 18 april 2011 als rundveemest afgevoerde mest is volgens het rapport daarom pluimveemest die eerder zonder het opmaken van vervoersbewijzen dierlijke meststoffen is aangevoerd bij appellante. Daarom is de op 18 april 2011, beweerdelijk, afgevoerde rundveemest niet meegeteld. Hierdoor is er sprake van overschrijdingen van de gebruiksnormen in 2011.

Bij besluit van 14 februari 2013 (het primaire besluit) heeft de staatssecretaris appellante, kennelijk wegens overtreding van artikel 7 van de Msw, een bestuurlijke boete opgelegd van € 43.162,00. Aan dit besluit heeft verweerder voornoemd rapport van de NVWA ten grondslag gelegd. De staatssecretaris is bij de vaststelling van de boetes uitgegaan van een overschrijding van de gebruiksnormen dierlijke meststoffen met 4.307 kg, een overschrijding van de stikstofgebruiksnorm met 2.882 kg en een overschrijding van de fosfaatgebruiksnorm van 532 kg.

Tegen dit besluit heeft appellante bezwaar gemaakt.

1.3

Bij besluit van 5 augustus 2013 heeft de staatssecretaris het bezwaar van appellante ongegrond verklaard. De staatssecretaris heeft zich op het standpunt gesteld dat de drie vrachten dikke fractie rundveemest (105,590 ton met 1.394 kg fosfaat en 4.530 kg stikstof) niet afkomstig zijn van mestscheiding. Dit standpunt heeft de staatssecretaris gebaseerd op het rapport van de NVWA van 25 mei 2012 en in het bijzonder op de berekening die de NVWA heeft gemaakt op basis van het rapport ‘Mestscheiding op melkveebedrijven; resultaten van MOBIEDIK, Mobiele Mestscheiding in Dik en Dun van de Wageningen UR (WUR-rapport 284)’. Deze berekening is vergeleken met de analysewaarden van de op 18 april 2011 afgevoerde 105,590 ton vaste mest. Aan het rapport heeft de staatssecretaris het volgende ontleend:

  1. Om ongeveer 105 ton dikke fractie te krijgen, is minimaal 700 m3 drijfmest nodig (dikke fractie = 15% van drijfmest). Een hoeveelheid van 700 m3 drijfmest van rundvee bevat (volgens de forfaitaire rekensystematiek) 1.190 kg fosfaat en 2.940 kg stikstof. Indien er daadwerkelijk mestscheiding zou hebben plaatsgevonden, dan zou de 105 ton dikke fractie 381 kg fosfaat en 557 kg stikstof bevatten. De fosfaat- en stikstofgehaltes zouden dan 3,63 kg/ton en 5,3 kg/ton bedragen. De mest die appellante heeft afgevoerd bevatte 13,2 kg/ton fosfaat en 42,9 kg/ton stikstof. Dit zijn aanzienlijk hogere gehaltes. De afgevoerde hoeveelheid mest van appellante (1.259 m3 rundveedrijfmest) zou tot een dikke fractie van 189 ton leiden, met een hoeveelheid fosfaat van 685 kg en een hoeveelheid stikstof van 1.005 kg en niet, zoals bij de mest van appellante werkelijk het geval was, een hoeveelheid fosfaat van 1.395 kg en een hoeveelheid stikstof van 4.530 kg stikstof.

  2. De mineralengehaltes in de door appellante op 18 april 2011 afgevoerde mest, te weten 13,2 kg/ton fosfaat en 42,9 kg/ton stikstof, zijn vergeleken met die in de omstreeks 19 oktober 2011 (illegaal) aangevoerde pluimveemest van [naam 9] . Deze mest bevatte 15,9 kg/ton fosfaat en 40,2 kg/ton stikstof. Deze waarden komen nagenoeg overeen met de waarden in de dikke fractie van de rundveedrijfmest van appellante.

  3. Indien de op 18 april 2011 afgevoerde mest daadwerkelijk dikke fractie van rundveemest betrof, dan zou de in de mestscheider ingebrachte rundveedrijfmest 6,19 kg/ton fosfaat en 33,87 kg/ton stikstof bedragen. De gemiddelde stikstof- en fosfaatgehaltes van de in 2011 van appellantes bedrijf afgevoerde rundveedrijfmest bevatte echter 1,5 kg/ton fosfaat en 4,12 kg/ton stikstof.

  4. De op 18 april 2011 afgevoerde dierlijke mest bevatte een drogestofgehalte van 44,7%, terwijl uit het WUR-rapport 284 blijkt dat het gemiddelde drogestofgehalte na mestscheiding 20,3% bedraagt.

De staatssecretaris heeft ook opgemerkt dat appellante geen administratie heeft bijgehouden en dat ook in de administratie van Loonbedrijf [naam 10] – dat volgens appellante de mestscheiding heeft verzorgd – geen volledige administratie is gevonden. Op de factuur van Loonbedrijf [naam 10] van 18 april 2011 ontbreken het aantal gewerkte uren en het aantal m3 mest, terwijl deze informatie op alle andere facturen van het bedrijf wel staat vermeld. Er zijn bovendien geen dagstaten aangetroffen in de administratie van Loonbedrijf [naam 10] . Dat de mestscheider volgens appellante gehuurd was, wordt overigens ook niet onderbouwd door een huurovereenkomst.

Dit heeft de staatssecretaris tot het volgende oordeel geleid, zo blijkt uit p. 6 van het besluit van 5 augustus 2013:

“Gelet op het bovenstaande ben ik van mening dat u, ondanks de bij uw bezwaarschrift gevoegde bijlagen (een kopie van uw bankafschrift, een kopie van de verklaring van de heer [naam 5] en een kopie van de verklaring van de heer [naam 11] ), op uw bedrijf geen gebruik heeft gemaakt van een mestscheider.

Er heeft dus geen mestscheiding van rundveemest in een dunne en een dikke fractie plaatsgevonden. Daarom is de hoeveelheid fosfaat en stikstof in de op 18 april 2011 van uw bedrijf afgevoerde vaste mest terecht niet meegenomen als afvoer bij de berekening gebruiksnormen voor het jaar 2011.”

Tegen dit besluit heeft appellante beroep ingesteld bij de rechtbank Oost-Brabant.

Uitspraak van de rechtbank

2.1

De rechtbank heeft het beroep van appellante tegen het besluit van 5 augustus 2013 ongegrond verklaard. De overwegingen die de rechtbank tot deze beslissing hebben gebracht, zijn vermeld onder 8 tot en met 10 van de uitspraak waarnaar wordt verwezen.

Beoordeling van het geschil in hoger beroep

Beslissing