College van Beroep voor het bedrijfsleven, 04-07-2016, ECLI:NL:CBB:2016:194, 14/812
College van Beroep voor het bedrijfsleven, 04-07-2016, ECLI:NL:CBB:2016:194, 14/812
Gegevens
- Instantie
- College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Datum uitspraak
- 4 juli 2016
- Datum publicatie
- 21 juli 2016
- ECLI
- ECLI:NL:CBB:2016:194
- Zaaknummer
- 14/812
Inhoudsindicatie
Bestuurlijke boete
Uitspraak
uitspraak
zaaknummer: 14/812
16005
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 29 oktober 2014, met kenmerk SGR 14/4994, in het geding tussen
(gemachtigde: mr. M. Leegsma).
Procesverloop in hoger beroep
Appellante heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 29 oktober 2014 (hierna: de aangevallen uitspraak).
De staatssecretaris heeft een reactie op het hogerberoepschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 maart 2016.
Voor appellante is [naam] verschenen, bijgestaan door de gemachtigde van appellante. De staatssecretaris werd vertegenwoordigd door zijn gemachtigde.
Grondslag van het geschil
Het College gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.
Appellante is een melkveehouderij, gevestigd te Zoetermeer. Naar aanleiding van een tweetal onderzoeken door de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA), waarvan de resultaten zijn neergelegd in rapporten van bevindingen van 14 december 2012, rapportnummer 92657, en 26 februari 2013, rapportnummer 69538, heeft de staatssecretaris bij besluit van 28 februari 2014 aan appellante een bestuurlijke boete opgelegd van in totaal
€ 12.001,- wegens overtreding van artikel 7 van de Meststoffenwet (Msw) in het jaar 2011. De staatssecretaris heeft geconcludeerd dat appellante in 2011 niet onder de gebruiksnormen is gebleven. De bestuurlijke boete is gebaseerd op een overschrijding van de gebruiksnorm voor dierlijke meststoffen met 1.386 kg en een overschrijding van de fosfaatgebruiksnorm met 418 kg. Een door appellante bij de Gecombineerde Opgave opgegeven perceel gelegen te Borgsweer in de provincie Groningen (perceel 17) van in totaal 6,07 ha is bij de berekening van het gebruik van meststoffen niet als gebruiksruimte meegerekend, omdat dit perceel volgens de staatssecretaris geen landbouwgrond betreft en het bovendien niet feitelijk in gebruik was bij het bedrijf van appellante.
Bij besluit van 12 mei 2014 heeft de staatssecretaris het bezwaar van appellante ongegrond verklaard.
Uitspraak van de rechtbank
Het beroep tegen het besluit van 12 mei 2014 is ongegrond verklaard. De rechtbank heeft, voor zover voor het hoger beroep van belang, onder punt 6 het volgende overwogen.
De rechtbank is van oordeel dat verweerder voldoende heeft aangetoond dat het hier niet gaat om landbouwgrond in de zin van de Msw, maar om braakliggend industrieterrein. Zo is het perceel gelegen in het bestemmingsplan Industriegebied Oosterhorn en heeft het de bestemming “industrie”. Verweerder baseert zich voorts op rapporten van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit, opgemaakt naar aanleiding van onderzoek naar eiseres en naar de gronden te Borgsweer. Verder heeft verweerder erop gewezen dat de ondergrond ter plaatse bestaat uit wit/gele zandgrond met weinig humus en dat de vegetatie uit diverse soorten natuurlijk grassen bloemen en kruiden bestaat. Er waren geen sporen van bemesting en gebleken is dat de eigenaren Groningen Seaports over het perceel hebben aangeven dat het perceel niet verhuurd of verpacht mag worden of op een andere manier in gebruik aan derden gegeven wordt. Ook volgt de rechtbank verweerders standpunt dat het feit dat in de praktijk gemaaid is en het maaisel aan schapen is gevoerd niet dat hier sprake is van landbouwgrond in de hier bedoelde zin.
De verwijzing ter zitting door eiseres naar de twee uitspraken van het CBB treft reeds geen doel aangezien in de betreffende zaken andere regelgeving aan de orde is en het niet gaat om de interpretatie van het begrip landbouwgrond in de zin van de Msw.”
De rechtbank heeft voorts geoordeeld dat perceel 17 niet behoort tot de normale bedrijfsvoering van appellante.