College van Beroep voor het bedrijfsleven, 02-08-2016, ECLI:NL:CBB:2016:197, 16/657
College van Beroep voor het bedrijfsleven, 02-08-2016, ECLI:NL:CBB:2016:197, 16/657
Gegevens
- Instantie
- College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Datum uitspraak
- 2 augustus 2016
- Datum publicatie
- 2 augustus 2016
- ECLI
- ECLI:NL:CBB:2016:197
- Zaaknummer
- 16/657
- Relevante informatie
- Algemene wet bestuursrecht [Tekst geldig vanaf 04-04-2025 tot 01-07-2025], Algemene wet bestuursrecht [Tekst geldig vanaf 04-04-2025 tot 01-07-2025] art. 5:1, Uitvoeringsbesluit Meststoffenwet [Tekst geldig vanaf 01-01-2025], Uitvoeringsbesluit Meststoffenwet [Tekst geldig vanaf 01-01-2025] art. 38a
Inhoudsindicatie
Verzoek om voorlopige voorziening toegewezen. Wet Bibob. Schrapping van registratie van intermediaire onderneming op grond van artikel 38a van het Uitvoeringsbesluit Meststoffenwet wegens ernstig gevaar dat de registratie mede als worden gebruikt om strafbare feiten te plegen.
Uitspraak
uitspraak
zaaknummer: 16/657
16000
uitspraak van de voorzieningenrechter van 2 augustus 2016 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen
(gemachtigde: mr. J.J.J. de Rooij),
en
(gemachtigde: mr. A. Spriensma-Heringa).
Procesverloop
Bij besluit van 19 juli 2016 (het primaire besluit) heeft verweerder de registratie van verzoekster als intermediaire onderneming op grond van artikel 38a, eerste lid, van het Uitvoeringsbesluit Meststoffenwet, in samenhang met artikel 3, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur (Wet Bibob), met onmiddellijke ingang geschrapt wegens ernstig gevaar dat de registratie mede zal worden gebruikt om strafbare feiten te plegen.
Verzoekster heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt. Zij heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
De voorzieningenrechter heeft met toepassing van artikel 8:83, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) besloten dat het primaire besluit voorlopig is geschorst totdat na behandeling ter zitting (definitief) uitspraak is gedaan op het verzoek om een voorlopige voorziening.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 juli 2016. Namens verzoekster zijn verschenen mr. W.P.N. Remie, [naam 2] en [naam 3] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, bijgestaan door [naam 4] .
Overwegingen
1. Ingevolge het bepaalde in artikel 8:81 van de Awb kan, indien tegen een besluit bij het College beroep is ingesteld, dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep, bezwaar is gemaakt, op verzoek een voorlopige voorziening worden getroffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. Voor zover in deze uitspraak een oordeel wordt gegeven over de rechtmatigheid van het primaire besluit, is sprake van een voorlopig oordeel dat het College niet bindt in een eventuele bodemprocedure.
2. De voorzieningenrechter gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.
Verzoekster heeft een registratie als intermediaire onderneming als bedoeld in artikel 38 van het Uitvoeringsbesluit Meststoffenwet.
Naar aanleiding van een door ambtenaren van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) uitgevoerd onderzoek, heeft verweerder op 5 november 2014 aan verzoekster het voornemen kenbaar gemaakt om aan verzoekster een aantal bestuurlijke boetes op te leggen wegens verschillende overtredingen van de Meststoffenwet in 2012 en 2013, waaronder het niet voldoen aan haar verantwoordingsplicht door manipulatie van mestmonsters.
Op 3 januari 2015 heeft verweerder verzoekster op de hoogte gebracht van het feit dat hij een nader onderzoek naar de integriteit van verzoekster bij het Landelijk Bureau Bibob (het Bureau) heeft gelast om hem van een advies te voorzien inzake de integriteit van verzoekster en de door haar gedreven onderneming.
Bij brief van 5 februari 2015 heeft verweerder de adviesaanvraag nader toegelicht en daarin de aanleiding voor de adviesaanvraag als volgt omschreven:
“De afgelopen jaren is gebleken dat (delen) van de intermediaire sector blijvend een risicogroep vormt. Aangezien de afzetkosten van dierlijke meststoffen hoog zijn, ontstaat er druk dierlijke meststoffen op illegale wijze af te zetten of de bemonstering van meststoffen oneigenlijk te beïnvloeden. Gebleken is dat sommige intermediaire ondernemingen de voorschriften inzake dierlijke meststoffen niet naleven. Intermediairs die de voorschriften inzake dierlijke meststoffen wel naleven, ondervinden daarvan zowel in de beeldvorming als in financiële zin nadelige gevolgen. Gezien de gedragingen in onderhavige NVWA rapporten is er gerede twijfel ontstaan aan de integriteit van deze intermediaire onderneming.”
Verweerder heeft het Bureau bij de toelichting op de adviesaanvraag de volgende vraag gesteld:
“In deze casus wordt de registratie inzake artikel 38 van de uitvoeringsregeling Meststoffenwet, de ondernemer in staat gesteld dierlijke meststoffen te transporteren volgens voorschrift. De voorschriften zijn nader bepaald in de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet. Nu monstermanipulatie, gedragingen uit het verleden, duiden op het in strijd handelen met voornoemd voorschrift, vragen we in deze casus de b grond te onderzoeken. Hoe wordt de mate van gevaar ingeschat dat de ondernemer misbruik maakt van zijn registratie als intermediaire onderneming in de zin van art. 38 Uitvoeringsbesluit Meststoffenwet?”
Bij twee afzonderlijke besluiten van 20 mei 2015 heeft verweerder aan verzoekster de reeds bij het voornemen van 5 november 2014 kenbaar gemaakte boetes opgelegd ter hoogte van in totaal € 838.300,-. Tegen deze besluiten heeft verzoekster bezwaar gemaakt.
Het Bureau heeft op 13 november 2015 zijn advies uitgebracht. Daarin is onder meer het volgende opgenomen (waarbij voor ‘ [naam 5] ’ verzoekster moet worden gelezen):
“Aantal strafbare feiten:
[naam 5]
In totaal is sprake van:
twee veroordelingen voor in totaal twee strafbare feiten, gepleegd op 9 september 2010 en 9 november 2010;
tien bestuurlijke boete beschikkingen voor in totaal dertien strafbare feiten gepleegd in de periode 2008 tot en met 1 juli 2014;
twee strafbeschikkingen voor in totaal twee strafbare feiten gepleegd op 8 juli 2011 en 24 april 2013; en
vermoedens van betrokkenheid van [naam 5] bij het veelvuldig overtreden van de meststoffenwetgeving in 2012 en 2013.
(...)