Home

College van Beroep voor het bedrijfsleven, 05-07-2016, ECLI:NL:CBB:2016:202, 15/259

College van Beroep voor het bedrijfsleven, 05-07-2016, ECLI:NL:CBB:2016:202, 15/259

Gegevens

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
5 juli 2016
Datum publicatie
5 augustus 2016
ECLI
ECLI:NL:CBB:2016:202
Zaaknummer
15/259
Relevante informatie
Meststoffenwet [Tekst geldig vanaf 01-01-2025 tot 01-01-2030], Meststoffenwet [Tekst geldig vanaf 01-01-2025 tot 01-01-2030] art. 7

Inhoudsindicatie

Artikel 7 Msw, boete, aflevering vracht bewezen

Uitspraak

uitspraak

zaaknummer: 15/259

16005

(gemachtigde: [naam 2] )

tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 3 februari 2015, kenmerk LEE 14/1380, in het geding tussen

appellant

en

(gemachtigde: mr. A.H. Spriensma)

Procesverloop in hoger beroep

Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 3 februari 2015.

De staatssecretaris heeft een reactie op het hoger beroepschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden 25 februari 2016. Appellant is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. De staatssecretaris heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Grondslag van het geschil

1 Het College gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1

Appellant houdt schapen op drie percelen die gelegen zijn aan respectievelijk de [adres 1] , de [adres 2] en de [adres 3] te [plaats] . De omvang van de percelen bedraagt in totaal 4 ha.

Blijkens het Vervoersbewijs dierlijke meststoffen (VDM), met nummer [... 1] is op 22 maart 2011 één vracht dierlijke meststoffen aangevoerd (‘vracht 1’) en blijkens het VDM met nummer [... 2] is op 8 juni 2011 één vracht dierlijke meststoffen aangevoerd (‘vracht 2’). De VDM’s vermelden als afnemer [naam 1] .

De staatssecretaris heeft bij brief van 20 september 2012 informatie opgevraagd bij appellant in het kader van een onderzoek naar de gebruiksruimte van appellant en de hoeveelheid meststoffen die hij heeft gebruikt in het kalenderjaar 2011. Deze informatie heeft appellant verstrekt door middel van de formulieren ‘Meer informatie graasdieren 2011’ en ‘Meer informatie (kunst)mest 2011’.

Op basis van deze controle en informatie op de Vervoersbewijzen dierlijke meststoffen heeft de staatssecretaris voor het bedrijf van appellant een berekening laten uitvoeren voor het gebruik meststoffen 2011. Uit de berekening blijkt dat de gebruiksnorm dierlijke meststoffen en de fosfaatgebruiksnorm zijn overschreden.

Bij besluit van 5 maart 2013(het primaire besluit) heeft de staatssecretaris appellant een bestuurlijke boete opgelegd van in totaal € 5.003,- wegens overtreding van artikel 7 van de Msw in het kalenderjaar 2010. Bij het voornemen tot vaststelling van de boete is uitgegaan van een overschrijding van de gebruiksnorm dierlijke meststoffen met 424 kg stikstof en een overschrijding van de fosfaatgebruiksnorm met 370 kg fosfaat.

Tegen het primaire besluit heeft appellant bezwaar gemaakt.

1.2

Bij besluit van 19 februari 2014 heeft de staatssecretaris het bezwaar van appellant ongegrond verklaard. De staatssecretaris volgt niet het standpunt van appellant dat de mest is uitgereden over het gehele perceel aan de [adres 1] , waarvan het perceel van appellant deel uitmaakt. De staatssecretaris acht hiervoor redengevend dat de gebruiker van het andere deel van het perceel, dhr. [naam 3] . niet heeft verklaard dat de mest uit vracht 1 ook is aangewend op zijn deel van het perceel. Daarom is bij de berekening terecht met 4 ha gerekend en niet met 6,5 ha. De verklaring van appellant dat de mest uit vracht 2 is gelost in een container aan de [adres 3] , alvorens te zijn overgebracht naar de [adres 1] , en dat deze mest pas in 2012 is uitgereden, acht de staatssecretaris onvoldoende aannemelijk, aangezien uit AGR-GPS-gegevens blijkt dat deze mest op 8 juni op of nabij het perceel van appellant aan de [adres 2] is gelost.

Tegen dit besluit heeft appellant beroep ingesteld.

Uitspraak van de rechtbank

2 De rechtbank heeft het beroep van appellante ongegrond verklaard. De rechtbank heeft hierbij geoordeeld dat appellant zijn stelling dat vracht 1 is uitgereden op 6,5 ha in plaats van 4,0 ha niet heeft onderbouwd, terwijl de staatssecretaris deze gemotiveerd heeft betwist. De staatssecretaris heeft aangevoerd dat dhr. [naam 3] weliswaar heeft verklaard dat in 2010 op naam van appellant aangevoerde mest over zijn deel van het perceel was uitgereden, maar niet in 2011. Ten aanzien van de vracht 2 heeft de rechtbank geoordeeld dat appellant met de door hem overgelegde verklaringen geen bewijs heeft geleverd dat de vracht is opgeslagen. Daartoe heeft de rechtbank, voor zover hier van belang, het volgende overwogen:

“De rechtbank is met verweerder van oordeel dat eiser met de overgelegde verklaringen geen bewijs heeft geleverd dat de in juni 2011 geleverde vracht mest is opgeslagen. Daartoe wordt als volgt overwogen.

In de eerste plaats acht de rechtbank van belang dat verweerder onweersproken heeft gesteld en onderbouwd dat de AGR/GPS-registratie (de loscoördinaten) aangeeft dat de betreffende vracht van VDM [... 2] is gelost aan de [adres 2] in [plaats] en niet aan de [adres 3] . Verweerder kan deze registratie leidend achten (Vglk. CBb 29 oktober 2014, ECLI:NL:CBB:2015:391). De omstandigheid dat op VDM [... 2] [postcode] als postcode lossen staat vermeld is onvoldoende om niet uit te gaan van de GPS-registratie. Ook de door eiser overgelegde verklaringen zijn daartoe onvoldoende. In het bijzonder acht de rechtbank van belang dat uit de verklaring van [naam 4] dat hij mest vanuit de container nabij de [adres 3] naar de mestkelder heeft gereden niet blijkt dat de mest in de container nabij de [adres 3] de mest van VDM [... 2] betreft. Ook uit de andere verklaringen blijkt niet dat de in de mestkelder opgeslagen mest, de vracht mest van VDM [... 2] betreft.

Nu voorts de gehuurde tank en container eveneens kunnen zijn gebruikt voor het uitrijden van mest over het land, en eiser niet heeft verklaard waarom hij de mest niet meteen door [naam 5] naar (althans nabij) de mestkelder is gebracht in plaats van naar de [adres 3] dan wel de [adres 2] , heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat de in juni 2011 aan hem geleverde mest van VDM [... 2] is opgeslagen in de mestkelder.”

De rechtbank acht de opgelegde boete voorts niet onevenredig hoog, aangezien uit de door appellant overgelegde gegevens met betrekking tot zijn financiële situatie blijkt dat appellant naast zijn AOW-uitkering ook een (klein) pensioen ontvangt en over een vermogen in de vorm van spaargeld beschikt.

Beoordeling van het geschil in hoger beroep

Beslissing