College van Beroep voor het bedrijfsleven, 13-07-2016, ECLI:NL:CBB:2016:209, 14/715
College van Beroep voor het bedrijfsleven, 13-07-2016, ECLI:NL:CBB:2016:209, 14/715
Gegevens
- Instantie
- College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Datum uitspraak
- 13 juli 2016
- Datum publicatie
- 5 augustus 2016
- ECLI
- ECLI:NL:CBB:2016:209
- Zaaknummer
- 14/715
Inhoudsindicatie
bestuurlijke boete, meststoffenwet, artikel 7, verhuur silo's niet bewezen
Uitspraak
Uitspraak
zaaknummer: 14/715
16005
Maatschap [naam 1] , [naam 2] en [naam 3] , alsmede de afzonderlijke maten, te [plaats 1] , appellanten
(gemachtigde: mr. E. Zonderland-Knijn)
en
(gemachtigden: mr. A.H. Spriensma-Heringa en G.J. Veninga).
Procesverloop in hoger beroep
Appellanten hebben hoger beroep ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 29 september 2014 (UTR 13/5418).
De staatssecretaris heeft een reactie op het hoger beroepschrift ingediend.
Op 5 april 2016 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgehad. [naam 1] en de gemachtigde van appellanten zijn verschenen. De staatssecretaris heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.
Grondslag van het geschil
Appellanten exploiteren een agrarisch bedrijf aan de [adres 1] te [plaats 1] . Een van de maten, [naam 2] , is eigenaar van een perceel aan de [adres 2] te [plaats 2] , dat in 2009 in gebruik was bij de maatschap.
De Algemene Inspectiedienst (AID) heeft een landelijk onderzoek uitgevoerd
naar aflevering van mest waarbij een fictieve afnemer zou zijn vermeld, te weten “ [naam 4] ” of “ [naam 5] ”. Op basis van dat onderzoek is vervolgens een onderzoek gestart naar appellanten in verband met het vermoeden dat de Meststoffenwet (Msw) zou zijn overtreden. In een afdoeningsrapport met het rapportnummer 58148 van 17 december 2009 zijn de bevindingen van dat onderzoek neergelegd. De AID heeft, blijkens dat rapport, vastgesteld dat er in de periode van 19 juni 2009 tot en met 29 juni 2009 16 vrachten dierlijke mest zijn gelost op de locatie [adres 1] te [plaats 1] en 22 vrachten dierlijke mest op de locatie [adres 2] te [plaats 2] . Op basis daarvan heeft de staatssecretaris bij besluit een bestuurlijke boete opgelegd van in totaal € 38.756,- wegens overtreding van artikel 7, in samenhang met artikel 8, van de Msw. Daarbij is uitgegaan van een overschrijding van de stikstofgebruiksnorm met 3.698 kg stikstof en overschrijding van de fosfaatgebruiksnorm met 1.170 kg fosfaat. De staatssecretaris heeft dat besluit doen steunen op de volgende overwegingen;
“Ik beoordeel uw zienswijze als volgt.
U heeft de verhuurd van de opslagruimte aan de [adres 1] te [plaats 1] niet aannemelijk kunnen maken. Daardoor moet ik er van uit gaan dat de vrachten dierlijke meststoffen, die in de periode 19 juni 2009 tot en met 29 juni 2009 in deze mestopslag en in die aan de [adres 2] te [plaats 2] zijn gelost, zijn aangevoerd en aangewend op uw bedrijf. U heeft de vrachten mest niet van uw bedrijf afgevoerd of laten afvoeren, noch heeft u deze vrachten gemeld bij de AID en/of Dienst Regelingen. Dit ondanks het feit dat de vrachten mest aan u zijn overgedragen en er geen sprake is van een huurovereenkomst en/of huurbetaling(en). Met het niet (laten) verwijderen van de vrachten mest heeft u bewilligd in de aanvoer van die vrachten. Van de aangevoerde vrachten had u een VDM (afnemersgedeelte) moeten opmaken. Weliswaar geeft u in het bezwaarschrift aan dat de in de opslagen uitgereden mest – op enkele vrachten na – weer uit de opslag is gehaald. Uit de bij Dienst Regelingen geregistreerde gegevens blijkt echter niet dat dit inderdaad het geval is geweest.”
Tegen dit besluit hebben appellanten bezwaar gemaakt.
Bij het bestreden besluit van 12 september 2013 heeft de staatssecretaris het bezwaar van appellanten, op grond van vrijwel dezelfde redengeving, ongegrond verklaard. Tegen dit besluit hebben appellanten beroep ingesteld.
De uitspraak van de rechtbank
2 De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard. De rechtbank heeft vastgesteld dat de storting van 38 vrachten mest in de silo’s van appellanten aan de [adres 2] en de [adres 1] niet in geschil is. Appellanten hebben niet aannemelijk gemaakt dat de silo’s in de periode van de lossingen verhuurd waren aan [naam 6] en dat de mest nadien door hem is afgevoerd, terwijl de bewijslast daarvan bij hen ligt. De door appellanten overgelegde facturen van loonwerkbedrijven tonen voorts niet aan dat in de periode van 19 juni tot en met 29 juni 2009 geen mest is uitgereden. Verder is het bestaan van een mondelinge huurovereenkomst niet aannemelijk gemaakt. Van betalingen van [naam 6] ter zake van de huur van de silo’s is niet gebleken. Uit het ter zitting overgelegde bankafschrift blijkt dat [naam 6] een bedrag van € 2.632,- aan appellanten heeft overgemaakt onder de vermelding van ‘geleverde mest’. Daaruit volgt niet dat [naam 6] appellanten huur heeft betaald. De stelling van appellanten dat [naam 6] boeren oplichtte en het GPS-systemen onklaar maakte, kan appellanten evenmin baten, aangezien zij niet aannemelijk hebben gemaakt dat in hun geval gebruik is gemaakt van vrachtwagens waarvan de GPS-systemen waren gemanipuleerd De rechtbank is tot het oordeel gekomen dat de staatssecretaris op juiste gronden de bestuurlijke boete heeft opgelegd .Van omstandigheden die nopen tot matiging van de boetes is de rechtbank niet gebleken.