Home

College van Beroep voor het bedrijfsleven, 13-07-2016, ECLI:NL:CBB:2016:215, 14/659

College van Beroep voor het bedrijfsleven, 13-07-2016, ECLI:NL:CBB:2016:215, 14/659

Gegevens

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
13 juli 2016
Datum publicatie
16 augustus 2016
ECLI
ECLI:NL:CBB:2016:215
Zaaknummer
14/659
Relevante informatie
Meststoffenwet [Tekst geldig vanaf 01-01-2025 tot 01-01-2030], Meststoffenwet [Tekst geldig vanaf 01-01-2025 tot 01-01-2030] art. 7

Inhoudsindicatie

Uitspraak

Uitspraak

zaaknummer: 14/659

16005

(gemachtigde: mr. Y.M.G.M. van Riet)

tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 20 augustus 2014, kenmerk BRE 13/4180, in het geding tussen

appellante

en

(gemachtigde: mr. A.H. Spriensma )

Procesverloop in hoger beroep

Appellante heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 20 augustus 2014.

De staatssecretaris heeft een reactie op het hoger beroepschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden 25 februari 2016. Partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden. Namens appellante zijn tevens verschenen dhr. [naam 2] en ir. [naam 3] .

Grondslag van het geschil

1 Het College gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1

Appellante exploiteert een agrarisch bedrijf aan de [adres] te [plaats]

.

De staatssecretaris heeft bij brief van 5 januari 2012 informatie opgevraagd bij appellante in het kader van een onderzoek naar de gebruiksruimte van appellante en de hoeveelheid meststoffen die zij heeft gebruikt in het kalenderjaar 2010. Deze informatie heeft appellante aangeleverd door middel van de formulieren ‘Meer informatie graasdieren 2010’, ‘Meer informatie kunstmest 2010’, ‘Meer informatie aardappelen 2010’ en ‘Meer informatie varkens 2010’.

Op basis van deze informatie heeft de staatssecretaris bij brief van 2 mei 2012 het voornemen kenbaar gemaakt aan appellante om een bestuurlijke boete op te leggen van € 36.519,50 wegens de overtreding van artikel 7 van de Meststoffenwet (Msw) in kalenderjaar 2010. Bij het voornemen tot vaststelling van de boete is uitgegaan van een overschrijding van de gebruiksnorm dierlijke meststoffen met 2.817 kg stikstof, een overschrijding van de stikstofgebruiksnorm met 2.289 kg stikstof en een overschrijding van de fosfaatgebruiksnorm met 1.598 kg fosfaat.

Tegen dit voornemen heeft appellante een zienswijze ingediend. In deze zienswijze heeft appellante gemeld dat zij per abuis een onjuist relatienummer heeft doorgegeven aan de transporteur, dhr. [naam 4] van [naam 5] B.V, en dat daardoor 26 mestbonnen ten onrechte op naam van appellante staan, terwijl de mest in werkelijkheid bij een ander, te weten [naam 2] , is gelost. Bij brief van 14 juni 2012 hebben appellante, [naam 2] en transporteur gezamenlijk verzocht om een aantal mestbonnen over te zetten op de naam van [naam 2] .

1.2

Bij besluit van 27 juli 2012 (primaire besluit) heeft de staatssecretaris appellante een bestuurlijke boete opgelegd van € 17.180,- wegens overtreding van artikel 7 van de Msw. De staatssecretaris heeft in zijn beoordeling meegenomen dat vier van de eerder in de berekening meegenomen vrachten zijn gelost op percelen die geregistreerd staan onder de naam [naam 2] (relatienummer [... 1] ) in plaats van onder de naam van appellante (relatienummer [... 2] ). Het verzoek van appellante om een aantal mestbonnen over te zetten op de naam van [naam 2] in het kader van de Erkenningsregeling Mestafzet Spoor 2 (spoor 2 regeling), wijst de staatssecretaris af.

Tegen dit besluit heeft appellante bezwaar gemaakt. Zij is het niet eens met de afwijzing om de mestbonnen op haar naam te zetten.

1.3

Bij besluit van 14 juni 2013 heeft de staatssecretaris het bezwaar van appellante ongegrond verklaard. Tegen dit besluit heeft appellante beroep ingesteld.

1.4

In reactie op het beroep van appellante heeft de staatssecretaris bij besluit van 20 februari 2014 het besluit van 14 juni 2013 herzien en alsnog besloten verschillende vrachten waarbij opmerkingscode 38 (ontheffing spoor 2) is genoemd, aan te merken als aangevoerd op het bedrijf van [naam 2] in het jaar 2010. De bestuurlijke boete heeft de staatssecretaris verlaagd tot een bedrag van € 6.826,-. Bij vaststelling van de boete is uitgegaan van een overschrijding van de gebruiksnorm dierlijke meststoffen met 447 kg stikstof, een overschrijding van de stikstofgebruiksnorm met 721 kg stikstof en een overschrijding van de fosfaatgebruiksnorm met 39 kg fosfaat. Tevens heeft de staatssecretaris aangeboden de forfaitaire proceskosten van € 493,- en het griffierecht van € 328,- te vergoeden, indien appellante haar beroep intrekt.

1.5

Appellante heeft haar beroep tegen het besluit van 14 juni 2013 ingetrokken met een verzoek om vergoeding van proceskosten en schadevergoeding en medegedeeld dat haar beroep uitsluitend is gericht tegen het besluit van 20 februari 2014. Daarbij heeft zij – in de kern samengevat – aangevoerd dat de staatssecretaris ten onrechte toepassing heeft gegeven aan de per 1 januari 2010 geldende forfaitaire berekeningsnormen voor stikstof en fosfaat in plaats van die van 2009. Daarnaast vindt appellante de boete onevenredig hoog en heeft zij verzocht om schadevergoeding.

Uitspraak van de rechtbank

2 De rechtbank heeft het beroep van appellante ongegrond verklaard. De rechtbank verwerpt in de eerste plaats de grond van appellante dat de forfaitaire normen van 2009 toegepast zouden moeten worden op de beginvoorraad van 2010. Niet valt in de zien waarom de staatssecretaris niet uit mocht gaan van de in de in Bijlage I van de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet vastgelegde forfaitaire normen, zoals die per 1 januari 2010 golden. De regelgever heeft er bewust voor gekozen om in beginsel niet te werken met werkelijke gehalten stikstof en fosfaat, maar met forfaitaire gehalten. Die keuze is niet onrechtmatig. Niet valt in te zien dat de regelgever deze gehalten per 1 januari 2010 niet had mogen aanpassen op grond van gewijzigde inzichten. De rechtbank acht de opgelegde boete voorts niet onevenredig hoog.

Met betrekking tot het verzoek van appellante om schadevergoeding heeft de staatssecretaris reeds toegezegd om de kosten voor het stellen van een bankgarantie van € 200,- te vergoeden, alsmede de in rekening gebrachte bankgarantieprovisie ter hoogte van € 309,24. Wat betreft de volgens appellante veroorzaakte schade in de vorm van misgelopen rendement wegens het voor langere tijd niet kunnen beschikken over een bedrag van € 10.354,-, is de rechtbank van oordeel dat appellante er niet in is geslaagd te bewijzen dat zij bepaalde aanschaffingen niet heeft kunnen doen waardoor het rendement lager is uitgevallen. Appellante heeft dit slechts onderbouwd met algemene cijfers, terwijl een concrete onderbouwing ontbreekt.

Tot slot is de rechtbank van oordeel dat appellante niet in aanmerking komt voor een proceskostenvergoeding voor het beroep tegen het besluit van 14 juni 2013. Niet alleen omdat het beroepschrift op naam van appellante is ingediend, maar ook omdat latere stukken zijn ingediend door de gemachtigde van appellante, ir. [naam 3] , die niet als beroepsmatig rechtsbijstandverlener kan worden aangemerkt, nu niet is gebleken van de daarvoor vereiste juridische scholing.

Beoordeling van het geschil in hoger beroep

Beslissing