College van Beroep voor het bedrijfsleven, 06-07-2016, ECLI:NL:CBB:2016:259, 15/21
College van Beroep voor het bedrijfsleven, 06-07-2016, ECLI:NL:CBB:2016:259, 15/21
Gegevens
- Instantie
- College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Datum uitspraak
- 6 juli 2016
- Datum publicatie
- 8 september 2016
- ECLI
- ECLI:NL:CBB:2016:259
- Zaaknummer
- 15/21
Inhoudsindicatie
overtreding artikel 7 Msw, landbouwgrond of natuurterrein
Uitspraak
uitspraak
zaaknummer: 15/21
16005
tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 9 december 2014, met kenmerk 14/2146, in het geding tussen
(gemachtigde: mr. M. Leegsma).
Procesverloop in hoger beroep
Appellante heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 9 december 2014 (hierna: de aangevallen uitspraak).
De staatssecretaris heeft een reactie op het hogerberoepschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 maart 2016.
Voor appellante zijn [naam 2] en [naam 3] verschenen, bijgestaan door de gemachtigde van appellante. De staatssecretaris werd vertegenwoordigd door zijn gemachtigde, bijgestaan door [naam 4] .
Grondslag van het geschil
Het college gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.
Appellante is een melkveehouderij, gevestigd te [plaats 1] . Naar aanleiding van een onderzoek door de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA), waarvan de resultaten zijn neergelegd in een rapport van bevindingen van 12 maart 2013, rapportnummer 71292, heeft de staatssecretaris bij besluit van 14 januari 2014 aan appellante een bestuurlijke boete opgelegd van € 48.405,- wegens overtreding van artikel 7 van de Meststoffenwet (Msw) in het jaar 2011. De staatssecretaris heeft geconcludeerd dat appellante in 2011 niet onder de gebruiksnormen is gebleven. De bestuurlijke boete is gebaseerd op een overschrijding van de gebruiksnorm voor dierlijke meststoffen met 1896 kilogram en een overschrijding van de stikstofgebruiksnorm met 5967 kilogram. De door appellante bij de Gecombineerde Opgave 2011 als grasland opgegeven percelen gelegen te [plaats 2] met een omvang van in totaal 29,85 hectare, die op basis van een erfpachtovereenkomst met Staatsbosbeheer bij appellante in gebruik zijn, zijn bij de berekening van het gebruik van meststoffen met verwijzing naar artikel 3, tweede lid, van de Msw, niet als landbouwgrond meegerekend, omdat deze percelen volgens de staatssecretaris als hoofdfunctie natuur hebben. In plaats van de door appellante bij de Gecombineerde Opgave opgegeven 78,18 hectare is in totaal als landbouwgrond behorende tot het bedrijf van appellante 48,33 hectare gerekend.
Bij besluit van 28 april 2014 heeft de staatssecretaris het bezwaar van appellante ongegrond verklaard.
Uitspraak van de rechtbank
Het beroep tegen het besluit van 28 april 2014 is ongegrond verklaard. De rechtbank heeft, voor zover voor het hoger beroep van belang, het volgende overwogen.
Naar het oordeel van de rechtbank is in het geval van appellante sprake van dusdanige beperkingen aan de landbouwactiviteiten van appellante dat om die reden gezegd moet worden dat het land als hoofdfunctie natuur heeft. Daartoe overweegt de rechtbank dat sprake is van beperkingen welke zijn gericht op specifiek natuurbeheer (behoud/ontwikkelen van natuurwaarden). De beperkingen blijken uit het erfpachtcontract en de daarbij horende overeenkomst. Het betreft beperkingen ten aanzien van bemesting, beweiding en maaien.