College van Beroep voor het bedrijfsleven, 25-08-2016, ECLI:NL:CBB:2016:265, 15/334
College van Beroep voor het bedrijfsleven, 25-08-2016, ECLI:NL:CBB:2016:265, 15/334
Gegevens
- Instantie
- College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Datum uitspraak
- 25 augustus 2016
- Datum publicatie
- 16 september 2016
- ECLI
- ECLI:NL:CBB:2016:265
- Zaaknummer
- 15/334
Inhoudsindicatie
overtreding artikel 7 Msw, geen landbouwgrond in de zin van de Msw, aanvang redelijke termijn
Uitspraak
uitspraak
zaaknummer: 15/334
16005
uitspraak van de meervoudige kamer van 25 augustus 2016 op het hoger beroep van:
tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 2 april 2015, met kenmerk LEE 14/3440, in het geding tussen
(gemachtigde: mr. M. Leegsma).
Procesverloop in hoger beroep
Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 2 april 2015 (hierna: de aangevallen uitspraak).
De staatssecretaris heeft een reactie op het hogerberoepschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 juni 2016.
Appellant is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. De staatssecretaris werd vertegenwoordigd door zijn gemachtigde.
Grondslag van het geschil
Het College gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.
Appellant – in de stukken en door de rechtbank soms ook aangeduid als [naam 1] of [naam 1] - is een melkveehouder, gevestigd te [plaats] . Naar aanleiding van een tweetal onderzoeken door de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA), waarvan de resultaten zijn neergelegd in een rapport van bevindingen van 14 december 2012, rapportnummer [... 1] , en een afdoeningsrapport van 8 februari 2013, rapportnummer [... 2] , heeft de staatssecretaris bij besluit van 26 februari 2014 aan appellant een bestuurlijke boete opgelegd van in totaal € 25.357,50 wegens overtreding van artikel 7 van de Meststoffenwet (Msw) in het jaar 2011. De staatssecretaris heeft geconcludeerd dat appellant in 2011 niet onder de gebruiksnormen is gebleven. De bestuurlijke boete is gebaseerd op een overschrijding van de gebruiksnorm voor dierlijke meststoffen met 2.301 kg en een overschrijding van de stikstofgebruiksnorm met 2.472 kg. Enkele door appellant bij de Gecombineerde Opgave van 2011 opgegeven percelen, gelegen bij [locatie 1] (7,44 ha) en bij [locatie 2] (8 ha), zijn bij de berekening van het gebruik van meststoffen niet als gebruiksruimte meegerekend. Ten aanzien van het perceel bij [locatie 2] heeft de staatssecretaris hiertoe aangevoerd dat dit niet is ingericht als landbouwgrond, en dat appellant ten aanzien daarvan geen exclusieve zeggenschap/gebruik heeft.
Bij besluit van 8 juli 2014 heeft de staatssecretaris het bezwaar van appellant gedeeltelijk gegrond verklaard en de aan hem opgelegde boete verlaagd tot een totaalbedrag van € 23.628,50.
Uitspraak van de rechtbank
2. Het beroep tegen het besluit van 8 juli 2014 is ongegrond verklaard. Appellant is in beroep niet opgekomen tegen het niet tot zijn bedrijf rekenen van de percelen gelegen bij [locatie 1] . Het beroep richtte zich (primair) tot het niet tot de gebruiksruimte rekenen van het perceel gelegen bij [locatie 2] . De rechtbank heeft, voor zover voor het hoger beroep van belang, het volgende overwogen.
“7. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder voldoende aangetoond dat het perceel van 8 hectare gelegen te [locatie 2] niet kan worden aangemerkt als landbouwgrond in de zin van artikel 1, eerste lid, aanhef en onder h, van de Msw. Het feit dat het perceel de bestemming "Industrie" heeft is naar het oordeel van de rechtbank een indicatie hoe de gronden geduid dienen te worden. Hierbij geeft de rechtbank aan dat uit het feitelijke gebruik moet blijken of al dan niet sprake is van landbouwgrond. Met betrekking tot het feitelijke gebruik overweegt de rechtbank dat verweerder erop heeft gewezen dat de gronden ter plaatse bestaan uit wit/gele zandgrond met weinig humus waarop een vegetatie stond bestaande uit riet, zegge, diverse soorten natuurlijke grassen, bloemen en kruiden, en dat er geen sporen waren van beweiding en bemesting. Bij zijn beoordeling betrekt de rechtbank dat Groningen Seaports, de eigenaar van de gronden, in de verklaring van 5 juli 2011 heeft aangegeven dat het percelen betreft waarop anderhalf á twee meter geel zand is opgebracht, dat de percelen dienen als voorraad voor nieuwbouw van/voor bedrijven en dat de bestemming van de percelen industrieterrein is en geen landbouwgrond. Het betreft arme grond. Het feit dat in de praktijk de percelen in [locatie 2] zijn gemaaid en dat dit maaisel door de boeren kon worden opgehaald maakt, naar het oordeel van de rechtbank, niet dat wel sprake is van landbouwgrond in de hier bedoelde zin. Ingevolge artikel 1, aanhef en onder q, van de Msw wordt onder grasland verstaan landbouwgrond waarop gras wordt geteeld dat is bestemd om te worden gebruikt als veevoer. Met betrekking tot de percelen te [locatie 2] is de rechtbank niet anders gebleken dan dat het maaien van de percelen niet de winning van ruwvoer betrof, maar het onderhoud van de betreffende gronden. Dat het gras op de percelen gelegen te [locatie 2] geschikt is om als veevoer te worden gebruikt, zoals wordt gesteld in de verklaring die eiser op 13 januari 2015 heeft overgelegd, maakt het vorenstaande niet anders. De rechtbank merkt nog op dat niet in geschil is dat eiser in 2011 geen maaisel van de percelen gelegen te [locatie 2] heeft opgehaald en op zijn bedrijf, dat op zo’n 70 kilometer afstand van [locatie 2] is gelegen, heeft gebruikt.
8. Nu ten aanzien van het perceel gelegen te [locatie 2] geen sprake is van landbouwgrond, behoeft hetgeen eiser verder heeft aangevoerd geen bespreking meer.
9. Op de grond dat het perceel gelegen te [locatie 2] niet kon worden aangemerkt als landbouwgrond, heeft verweerder het perceel gelegen te [locatie 2] dan ook terecht niet meegeteld bij de berekening van de in de Msw genoemde gebruiksnormen.”