Home

College van Beroep voor het bedrijfsleven, 17-08-2016, ECLI:NL:CBB:2016:277, 15/35

College van Beroep voor het bedrijfsleven, 17-08-2016, ECLI:NL:CBB:2016:277, 15/35

Gegevens

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
17 augustus 2016
Datum publicatie
27 september 2016
ECLI
ECLI:NL:CBB:2016:277
Zaaknummer
15/35
Relevante informatie
Meststoffenwet [Tekst geldig vanaf 01-01-2025 tot 01-01-2030], Meststoffenwet [Tekst geldig vanaf 01-01-2025 tot 01-01-2030] art. 7

Inhoudsindicatie

boete, art. 7 Msw, aanvoer 2 vrachten aangetoond, geen matiging, redelijke termijn

Uitspraak

uitspraak

zaaknummer: 15/35

16005

(gemachtigde: P.J. Houtsma)

en

(gemachtigde: mr. A.H. Spriensma-Heringa).

Procesverloop in hoger beroep

Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank Overijssel van 10 december 2014 (Awb 13/2197).

De staatssecretaris heeft een reactie op het hoger beroepschrift ingediend.

Op 5 april 2016 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgehad. Partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden. Namens de staatssecretaris is tevens verschenen G.J. Veninga, analist meststoffen bij de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA).

Grondslag van het geschil

1.1

Appellant exploiteert een agrarisch bedrijf, gevestigd aan de [adres 1] te [plaats 1] . Tot zijn bedrijf behoren percelen aan de [adres 2] te [plaats 2] (locatie [adres 2] ) en aan de [adres 3] te [plaats 2] (locatie [adres 3] ).

De Algemene Inspectiedienst (AID) heeft een landelijk onderzoek uitgevoerd

naar aflevering van mest waarbij een fictieve afnemer zou zijn vermeld, te weten “ [naam 2] ” of “ [naam 3] ”. Op basis van dat onderzoek is vervolgens een onderzoek gestart naar appellant in verband met het vermoeden dat de Meststoffenwet (Msw) zou zijn overtreden. In een afdoeningsrapport met het rapportnummer 62945 van 18 januari 2011 (het boeterapport) zijn de bevindingen van dat onderzoek neergelegd. De AID heeft blijkens dat boeterapport vastgesteld dat er in de periode van 19 mei 2009 tot en met 28 mei 2009 vier vrachten dierlijke mest zijn gelost op de locatie [adres 2] en vier vrachten dierlijke mest op de locatie [adres 3] . Op basis daarvan heeft de staatssecretaris aan appellant bij besluit van 18 februari 2012 (het primaire besluit) een bestuurlijke boete opgelegd van € 21.810,50 wegens overtreding van artikel 7, in samenhang met artikel 8, van de Msw. Daarbij is uitgegaan van een overschrijding van de gebruiksnorm voor dierlijke meststoffen met 2.620 kg stikstof en overschrijding van de fosfaatgebruiksnorm met 631 kg fosfaat.

Tegen dit besluit heeft appellant bezwaar gemaakt. Op 5 april 2012 is appellant naar aanleiding van zijn bezwaarschrift gehoord. Blijkens het bestreden besluit zijn partijen tijdens die hoorzitting overeengekomen dat met het nemen van een beslissing op bezwaar wordt gewacht tot na een uitspraak van het College over - kort gezegd - de toepassing van derogatie. Bij uitspraak van 21 mei 2013 (ECLI:NL:CBB:2013:CA2239) heeft het College daarover geoordeeld.

1.2

Bij besluit van 13 augustus 2013 (het bestreden besluit) heeft de staatssecretaris het bezwaar van appellant gegrond verklaard, voor zover het de berekening van de overschrijding van de gebruiksnorm voor stikstof betreft (in verband met de toepassing van derogatie). De staatssecretaris heeft de boete verlaagd tot € 11.128,50.

Tegen dit besluit heeft appellant beroep ingesteld.

De uitspraak van de rechtbank

2 De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard. De rechtbank heeft vastgesteld dat de staatssecretaris bij de berekening van het gebruik van meststoffen door appellant is uitgegaan van de informatie van de AID als neergelegd in het boeterapport en heeft geoordeeld dat dit rapport voldoende grondslag biedt voor het door de staatssecretaris genomen besluit. Uit dit rapport volgt dat op basis van bij de Dienst Regelingen bekende analyses van laad- en losmeldingen en GPS-gegevens is vastgesteld dat op elk van de beide locaties (locatie [adres 2] en locatie [adres 3] ) ten minste vier vrachten dierlijke meststoffen zijn afgeleverd. Volgens de rechtbank zijn de GPS-coördinaten in beginsel bepalend en mag op grond daarvan worden vastgesteld waar de aflevering van vrachten dierlijke meststoffen heeft plaatsgevonden. Appellant heeft de aflevering van zes vrachten op zijn percelen erkend. Van deze vrachten staat derhalve niet ter discussie dat die op de aan appellant toebehorende percelen zijn afgeleverd. Dat daarnaast nog twee vrachten dierlijke meststoffen op locatie [adres 3] zijn afgeleverd wordt door appellant, ondanks dat de geregistreerde loslocaties op basis van de GPS-coördinaten zich op die locatie bevinden, wel bestreden. De rechtbank heeft appellant niet gevolgd in diens stelling dat de staatssecretaris had moeten onderzoeken of sprake is geweest van lossing in containers van derden en aanwending op hun grond, omdat appellant daarmee suggereert dat derden zonder zijn instemming containers op zijn percelen hebben geplaatst voor het lossen van dierlijke meststoffen, terwijl het aan appellant is om aannemelijk te maken dat zich die situatie heeft voorgedaan, waarin hij niet is geslaagd. Daarnaast heeft de rechtbank geoordeeld dat de fosfaattoestand van de bodem, zoals door appellant aangevoerd, niets zegt over de aan- of afvoer van meststoffen op het bedrijf van appellant. Bovendien kunnen vele factoren van invloed zijn op de verschillende stoffen in de bodem, zodat op grond van dergelijke gegevens niet kan worden geconcludeerd dat geen mest is aangeleverd en aangewend. Volgens de rechtbank is de staatssecretaris op goede gronden ervan uitgegaan dat de dierlijke meststoffen op of in de bodem zijn gebracht van de tot het bedrijf van appellant behorende percelen en dat appellant artikel 7 van de Msw heeft overtreden. Voor het oordeel dat de overtreding in mindere mate aan appellant kan worden verweten, ziet de rechtbank geen grond. Appellant heeft als afnemer van de mest een eigen en zelfstandige verantwoordelijkheid bij de naleving van de Msw. Appellant had dan ook niet af mogen gaan op de adviezen van een ander, zonder daarbij te beschikken over de daarbij behorende vervoersbewijzen dierlijke meststoffen. Voor matiging van de boetes wegens onevenredigheid ziet de rechtbank evenmin aanleiding. Dat appellant slechts economisch nadeel in plaats van voordeel zou hebben ondervonden van de overtreding, kan - los van de omstandigheid dat appellant dit op geen enkele wijze inzichtelijk maakt - op zichzelf geen grondslag vormen voor matiging.

De beoordeling van het geschil in hoger beroep

Beslissing