Home

College van Beroep voor het bedrijfsleven, 19-09-2016, ECLI:NL:CBB:2016:290, 13/905

College van Beroep voor het bedrijfsleven, 19-09-2016, ECLI:NL:CBB:2016:290, 13/905

Gegevens

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
19 september 2016
Datum publicatie
30 september 2016
ECLI
ECLI:NL:CBB:2016:290
Zaaknummer
13/905
Relevante informatie
Uitvoeringsregeling Meststoffenwet [Tekst geldig vanaf 19-04-2025 tot 01-01-2026], Uitvoeringsregeling Meststoffenwet [Tekst geldig vanaf 19-04-2025 tot 01-01-2026] art. 91

Inhoudsindicatie

Uitspraak

uitspraak

zaaknummer: 13/905

16005

uitspraak van de meervoudige kamer van 19 september 2016 op het hoger beroep van:

(gemachtigde: mr. M.J. Smaling)

tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 15 oktober 2013, kenmerk LEE AWB 13/1433 en LEE AWB 13/1434, in het geding tussen

en

(gemachtigden: mr. A.H. Spriensma-Heringa en mr. J. van Essen).

Procesverloop in hoger beroep

Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 15 oktober 2013 (hierna: de aangevallen uitspraak).

De staatssecretaris heeft een reactie op het hogerberoepschrift ingediend.

Op 4 februari 2016 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgevonden. Appellant is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. De staatssecretaris heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.

Het College heeft het onderzoek ter zitting geschorst en de staatssecretaris verzocht binnen drie weken een reactie te geven op een aantal punten, nader genoemd in het proces-verbaal van de zitting.

Bij brief van 17 februari 2016 heeft de staatssecretaris gereageerd.

Bij brief van 8 maart 2016 heeft appellant op de brief van de staatssecretaris gereageerd.

Met toestemming van partijen is een nader onderzoek ter zitting achterwege gebleven.

Het College heeft vervolgens het onderzoek gesloten.

Grondslag van het geschil

1. Appellant exploiteert een agrarisch bedrijf aan de [adres] te [plaats] .

1.1

De staatssecretaris heeft een administratieve controle uitgevoerd naar de naleving van de Meststoffenwet (Msw) door appellant in 2010. Uit een rapport van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) met het nummer [... 1] , een verklaring van appellant zelf en vervoersbewijzen dierlijke meststoffen is gebleken dat appellant in 2010 428,12 ton geitenmest met gemeten hoeveelheden van in totaal 1529 kg stikstof en 915 kg fosfaat heeft aangevoerd op zijn bedrijf. Appellant heeft deze mest in 2010 uitgereden op natuurterrein, waarvan hij het exclusieve gebruiksrecht heeft. Voor de berekening van de afvoer van dierlijke meststoffen, stikstof en fosfaat heeft appellant forfaitaire waarden gebruikt. Op basis van de controle heeft de staatssecretaris bij besluit van 14 december 2012 aan appellant een bestuurlijke boete opgelegd van € 25.150,- wegens overtreding van artikel 7, in samenhang met artikel 8, van de Msw in het jaar 2010. Bij vaststelling van de boete is uitgegaan van een overschrijding van de gebruiksnorm dierlijke meststoffen met 2477 kg stikstof, een overschrijding van de stikstofgebruiksnorm met 687 kg stikstof en een overschrijding van de fosfaatgebruiksnorm met 983 kg fosfaat.

Voorts heeft de staatssecretaris een administratieve controle uitgevoerd naar de naleving van de Msw door appellant in 2011. Uit een rapport van de NVWA met het nummer [... 2] , een verklaring van appellant zelf en vervoersbewijzen dierlijke meststoffen is gebleken dat appellant in 2011 257,58 ton geitenmest met gemeten hoeveelheden van in totaal 2074 kg stikstof en 1002 kg fosfaat op zijn bedrijf heeft aangevoerd. Appellant heeft deze mest in 2011 uitgereden op natuurterrein, waarvan hij het exclusieve gebruiksrecht heeft. Voor de berekening van de afvoer van dierlijke meststoffen, stikstof en fosfaat heeft appellant forfaitaire waarden gebruikt. Op basis van de controle heeft de staatssecretaris bij besluit van 14 december 2012 aan appellant een bestuurlijke boete opgelegd van € 2.002,50 wegens overtreding van artikel 7, in samenhang met artikel 8, van de Msw in het jaar 2011. Bij vaststelling van de boete is uitgegaan van een overschrijding van de gebruiksnorm dierlijke meststoffen met 246 kg stikstof en een overschrijding van de fosfaatgebruiksnorm met 51 kg fosfaat.

Tegen beide primaire besluiten heeft appellant bezwaar gemaakt.

1.2

Bij afzonderlijke besluiten van 27 maart 2013 heeft de staatssecretaris de bezwaren van appellant tegen de primaire besluiten ongegrond verklaard. Hierbij heeft de staatssecretaris geoordeeld dat de door appellant ingeroepen uitzondering, zoals bedoeld in artikel 91 van de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet (Uitvoeringsregeling), op de verplichting om aan- en afgevoerde mest te wegen, bemonsteren en analyseren, niet van toepassing is op de door appellant in 2010 en 2011 naar het natuurrein afgevoerde geitenmest. Deze bepaling is, aldus de staatssecretaris, namelijk van toepassing indien landbouwers natuurterreinen waarvan zij het exclusieve gebruiksrecht hebben, bemesten met dierlijke meststoffen uit eigen stal. Onder deze uitzondering valt niet de situatie waarin op een bedrijf aangevoerde mest wordt afgevoerd naar een natuurterrein, zoals in het geval van appellant. Appellant mocht de stikstof- en fosfaatgehaltes van de door hem afgevoerde geitenmest dan ook niet forfaitair berekenen. Dat appellant zijn mestboekhouding aan een professioneel bedrijf heeft uitbesteed doet er volgens de staatssecretaris bovendien niet aan af dat de overtreding aan appellant kan worden verweten. Appellant blijft er te allen tijde zelf verantwoordelijk voor om binnen de gebruiksnormen te blijven.

Tegen de besluiten van 27 maart 2013 heeft appellant beroep ingesteld.

1.3

Bij faxbericht van 1 februari 2016, nader toegelicht in de reactie van 17 februari 2016, heeft de staatssecretaris medegedeeld dat bij het bepalen van de boetes nog de uitspraak van het College van 21 mei 2013 (ECLI:NL:CBB:2013:CA2371) moet worden toegepast. Tevens heeft de staatssecretaris daarbij de boeten voor onderscheidenlijk het jaar 2010 en 2011 herberekend.

De uitspraak van de rechtbank

2. De rechtbank heeft de beroepen van appellant ongegrond verklaard. Hierbij heeft de rechtbank overwogen dat, gelet op het doel van de Msw, de systematiek van de Uitvoeringsregeling en de, gezien de Nota van Toelichting, onmiskenbare bedoeling van artikel 91 van de Uitvoeringsregeling, onder de – taalkundig voor meerdere uitleg vatbare – woorden “dierlijke meststoffen van een bedrijf” verstaan moet worden “de in een bedrijf geproduceerde meststoffen”. Naar het oordeel van de rechtbank was de staatssecretaris bevoegd appellant bestuurlijke boetes op te leggen wegens overtreding van artikel 7 van de Msw. Het betoog van appellant dat hem niet verweten kan worden dat hij uitging van een andere uitleg van artikel 91 van de Uitvoeringsregeling treft geen doel. Indien er twijfel bestond over de reikwijdte van dat artikel, had het op zijn weg gelegen om daarover inlichtingen in te winnen bij de staatssecretaris. Voorts is de rechtbank van oordeel dat appellant als veehouder de verantwoordelijkheid ervoor draagt dat hij handelt in overeenstemming met de Msw. Tekortkomingen van door hem ingeschakelde derden komen dan ook voor zijn risico.

De standpunten van partijen in hoger beroep

De beoordeling van het geschil in hoger beroep

Beslissing