College van Beroep voor het bedrijfsleven, 29-09-2016, ECLI:NL:CBB:2016:306, 15/627
College van Beroep voor het bedrijfsleven, 29-09-2016, ECLI:NL:CBB:2016:306, 15/627
Gegevens
- Instantie
- College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Datum uitspraak
- 29 september 2016
- Datum publicatie
- 13 oktober 2016
- ECLI
- ECLI:NL:CBB:2016:306
- Formele relaties
- Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2015:4651, Overig
- Zaaknummer
- 15/627
- Relevante informatie
- Wet toezicht trustkantoren [Tekst geldig vanaf 01-01-2019] [Regeling ingetrokken per 2019-01-01], Wet toezicht trustkantoren [Tekst geldig vanaf 01-01-2019] [Regeling ingetrokken per 2019-01-01] art. 3, Wet toezicht trustkantoren [Tekst geldig vanaf 01-01-2019] [Regeling ingetrokken per 2019-01-01] art. 6
Inhoudsindicatie
Hoger beroep. Intrekking van vergunning op grond van artikel 6, aanhef en onder f, van de Wtt. Appellante is een trustkantoor. Zij heeft een persoon die vanaf haar oprichting (mede) haar beleid bepaalde niet gemeld. Gelet op de verdenkingen (ernstige witwaspraktijken) die tegen deze beleidsbepaler bestonden op het moment van de vergunningverlening, is het aannemelijk dat DNB de vergunning niet zou hebben verleend indien de beleidsbepaler wel bij haar gemeld was. Volgt een bevestiging van de aangevallen uitspraak.
Uitspraak
uitspraak
Zaaknummer: 15/627
21700
uitspraak van de meervoudige kamer van 29 september 2016 op het hoger beroep van:
tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 2 juli 2015, kenmerk ROT 14/7382, in het geding tussen
(gemachtigde: mr. drs. S.M. Peek en mr. J.H. Tonino).
Procesverloop in hoger beroep
Appellante heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam (rechtbank) van 2 juli 2015 (ECLI:NL:RBROT:2015:4651).
DNB heeft een reactie op het hogerberoepschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 juli 2016. Van de zijde van appellante zijn verschenen mr. M.R. Hosemann, [naam 2] ( [naam 2] ) en [naam 3] ( [naam 3] ). Namens DNB zijn verschenen haar gemachtigden en [naam 4] en [naam 5] .
Grondslag van het geschil
Voor een uitgebreide weergave van het verloop van de procedure, het wettelijk kader en de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden, voor zover niet bestreden, wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. Het College volstaat met het volgende.
Appellante beschikte per 1 mei 2007 over een vergunning voor het verrichten van trustdiensten als bedoeld in Hoofdstuk 2 van de Wet toezicht trustkantoren (Wtt). Bij de aanvraag van die vergunning zijn [naam 6] ( [naam 6] ), [naam 7] N.V., [naam 8] B.V. en [naam 9] B.V. vermeld als oprichters van appellante en houders van een gekwalificeerde deelneming. [naam 6] , [naam 10] ( [naam 10] ) en [naam 2] zijn bij de vergunningaanvraag vermeld als bestuurders van appellante. Op het aanvraagformulier zijn geen commissarissen of andere personen dan bestuurders of commissarissen vermeld die het beleid van appellante (mede) bepalen.
Nadat DNB hiertoe bij brief van 4 november 2013 reeds het voornemen had geuit, heeft zij bij besluit van 28 april 2014 (het primaire besluit) op basis van haar eigen bevindingen en de inhoud van door de Fiscale Inlichtingen- en Opsporingsdienst (FIOD) aan DNB ter beschikking gestelde stukken, de aan appellante verleende vergunning op grond van artikel 6, eerste lid, aanhef en onder e en f, van de Wtt ingetrokken. DNB heeft aan die beslissing ten grondslag gelegd dat [naam 3] vanaf de vergunningaanvraag en nog steeds feitelijk het beleid van appellante (mede) bepaalt en houder is van een gekwalificeerde deelneming in appellante, eerst via [naam 2] en sinds 2008 via [naam 11] ( [naam 11] ), zonder dat appellante [naam 3] als (mede)beleidsbepaler en houder van een gekwalificeerde deelneming in haar vergunningaanvraag heeft vermeld. Indien appellante dit wel had gedaan dan had DNB, gezien de aard en ernst van de verdenkingen van het Openbaar Ministerie (OM) die ten tijde van de vergunningaanvraag tegen [naam 3] bestonden, de vergunningaanvraag afgewezen omdat zijn betrouwbaarheid niet buiten twijfel stond. Indien [naam 3] pas op een later moment (mede)beleidsbepaler van en/of houder van een gekwalificeerde deelneming in appellante zou zijn geworden, dan heeft appellante volgens DNB in de jaren na de vergunningaanvraag in elk geval voortdurend haar meldingsplicht geschonden.
Bij haar besluit van 16 september 2014 (het bestreden besluit), waartegen het beroep bij de rechtbank was gericht, heeft DNB het bezwaar van appellante tegen het primaire besluit ongegrond verklaard. Daartoe heeft DNB – onder meer – overwogen dat de vergunning terecht is ingetrokken, omdat [naam 3] vanaf de vergunningaanvraag en nog steeds is aan te merken als (mede)beleidsbepaler en als houder van een gekwalificeerde deelneming in appellante. DNB is zich bewust van de gevolgen die de intrekking van de vergunning voor appellante heeft, maar is van oordeel dat de intrekking vanwege de ernst en verwijtbaarheid van de normschending door appellante een passende en proportionele maatregel is.
Uitspraak van de rechtbank
De rechtbank heeft het beroep van appellante ongegrond verklaard en daartoe, voor zover voor het hoger beroep van belang, het volgende overwogen.
DNB heeft niet in strijd gehandeld met het zorgvuldigheidsbeginsel door zich voor de feitelijke grondslag van haar oordeel te baseren op de gegevens uit het door de FIOD verrichte strafrechtelijke onderzoek en in beginsel uit te gaan van de juistheid daarvan. Appellante heeft nagelaten de juistheid en/of volledigheid van die feiten in de bestuurlijke fase te bestrijden, zodat er voor DNB geen aanleiding bestond nader onderzoek te verrichten.
Van handelen in strijd met het verbod van détournement de pouvoir door DNB omdat zij haar toezichtinstrumenten zou hebben ingezet met als doel het OM te faciliteren in een strafzaak, is volgens de rechtbank evenmin gebleken.
Naar het oordeel van de rechtbank is DNB, in aanmerking genomen de overgelegde stukken en verklaringen, terecht tot de slotsom gekomen dat zowel ten tijde van de oprichting van appellante als daarna de feitelijke daden en positie van [naam 3] bij appellante gekwalificeerd kunnen worden als het (mede) bepalen van het beleid en dat [naam 3] houder was van een gekwalificeerde deelneming in appellante. De rechtbank stelt in dat verband voorop dat DNB, anders dan appellante heeft aangevoerd, voor de kwalificatie terecht alle feiten in samenhang heeft beschouwd en niet separaat. Nu het erom gaat vast te stellen wat feitelijk de invloed was van [naam 3] en hoe groot zijn middellijk belang was in appellante, en niet of hij formeel was aangesteld als beleidsbepaler, dan wel beschikte over een rechtstreeks belang in appellante, is bepalend het beeld dat ontstaat uit het geheel der feiten. DNB stelt zich dan ook terecht op het standpunt dat appellante, door [naam 3] niet als (mede)beleidsbepaler van en houder van een gekwalificeerde deelneming in appellante op te geven, bewust een verkeerde voorstelling van zaken heeft gegeven, waarmee zij heeft gehandeld in strijd met het bepaalde in artikel 3, eerste lid, aanhef en onder b en c, en artikel 5 van de Wtt. DNB heeft voorts deugdelijk beargumenteerd dat aan appellante met hetgeen nu bekend is destijds geen vergunning zou zijn verleend, aldus de rechtbank.
Tot slot overweegt de rechtbank dat DNB in redelijkheid de vergunning heeft kunnen intrekken en geen lichter middel van toezicht dan een intrekking had hoeven kiezen. Artikel 6, aanhef en onder e en f, van de Wtt is specifiek bedoeld voor de onderhavige situatie waarin naderhand informatie bekend wordt over degenen die feitelijk het beleid van een trustkantoor bepalen die, indien eerder bekend, verlening van de vergunning in de weg zou hebben gestaan. De rechtbank volgt DNB in haar standpunt dat het geven van een aanwijzing of het opleggen van een bestuurlijke boete niet het beoogde effect zou hebben gehad, omdat [naam 3] formeel geen functie had binnen appellante en geen aandelen had waarvan hij afstand kon doen. DNB heeft zich op het standpunt kunnen stellen dat de vergaande verwevenheid van [naam 3] en appellante niet kon worden beëindigd door het hanteren van een lichter middel van toezicht. Niet staande kan worden gehouden dat DNB, onder afweging van alle belangen, niet in redelijkheid doorslaggevend gewicht heeft kunnen toekennen aan het belang van de integriteit van het financiële stelsel.