Home

College van Beroep voor het bedrijfsleven, 25-10-2016, ECLI:NL:CBB:2016:338, 15/719

College van Beroep voor het bedrijfsleven, 25-10-2016, ECLI:NL:CBB:2016:338, 15/719

Gegevens

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
25 oktober 2016
Datum publicatie
7 november 2016
ECLI
ECLI:NL:CBB:2016:338
Zaaknummer
15/719
Relevante informatie
Meststoffenwet [Tekst geldig vanaf 01-01-2025 tot 01-01-2030], Meststoffenwet [Tekst geldig vanaf 01-01-2025 tot 01-01-2030] art. 7

Inhoudsindicatie

artikel 7 Msw, boete, natuurterrein of landbouwgrond, pachtovereenkomst

Uitspraak

uitspraak

Zaaknummer: 15/719

16005

(gemachtigde: ir. S. Boonstra),

tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 10 augustus 2015, kenmerk LEE 15/1393, in het geding tussen

appellant

en

(gemachtigde: mr. M. Leegsma).

Procesverloop in hoger beroep

Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 10 augustus 2015 (de aangevallen uitspraak).

De staatssecretaris heeft een reactie op het hogerberoepschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 juli 2016. Partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden. Namens appellant is tevens verschenen [naam 2] .

Grondslag van het geschil

1.1

Voor een uitgebreide weergave van het verloop van de procedure, het wettelijk kader en de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden, voor zover niet bestreden, wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. Het College volstaat met het volgende.

1.2

Appellant voert een veehouderij. Naar aanleiding van een onderzoek door de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA), waarvan de resultaten zijn neergelegd in een rapport van bevindingen van 26 september 2013, rapportnummer 75201, heeft de staatssecretaris bij besluit van 17 juli 2014 (het primaire besluit) aan appellant een bestuurlijke boete opgelegd van € 22.879,- wegens overtreding van artikel 7, in samenhang met artikel 8, van de Meststoffenwet (Msw). De staatssecretaris heeft geconcludeerd dat appellant in 2012 niet onder de gebruiksnormen is gebleven. De door appellant bij de Gecombineerde Opgave 2012 als grasland opgegeven percelen met een omvang van in totaal ongeveer 7 hectare, die op basis van een pachtovereenkomst met Staatsbosbeheer bij appellant in gebruik zijn, zijn bij de berekening van het gebruik van meststoffen niet als landbouwgrond meegerekend, omdat deze percelen volgens de staatssecretaris als hoofdfunctie natuur hebben. Tegen het primaire besluit heeft appellant bezwaar gemaakt.

1.3

Bij besluit van 24 februari 2015 (het bestreden besluit) heeft de staatssecretaris het bezwaar van appellant ongegrond verklaard. Hiertegen heeft appellant beroep ingesteld.

Uitspraak van de rechtbank

2. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard en daartoe onder meer overwogen:

“4.3. Niet is tussen partijen in geschil dat eiser landbouwactiviteiten heeft ontplooid op de (...) percelen van Staatsbosbeheer. (...) De pachtovereenkomst bevat een groot aantal beperkingen ten aanzien van het beweiden, begrazen, maaien, bemesten, de werkzaamheden die de flora, fauna en/of bodem kunnen schaden, het grondverzet, de egalisatie en opslag, het gebruik van chemicaliën, de waterhuishouding en verstoring en verontrusting van dieren van of op de in het geding zijnde percelen. (...) Nu (...) vast staat dat overeenkomstig deze beperkingen is gehandeld door eiser, is de rechtbank van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de landbouwactiviteiten op de betreffende gepachte percelen dusdanig worden beperkt dat om die reden gezegd moet worden dat de percelen de hoofdfunctie natuur hebben en dat dus sprake is van natuurterrein. Dat er volgens eiser een beweiding en begrazing is toegestaan door een zware veebezetting (...) maakt, wat daar verder ook van zij, het oordeel van de rechtbank niet anders. Dit is niet de enige gebruiksbeperking die in de pachtovereenkomst is opgenomen. Het samenstel van beperkingen aan de landbouwactiviteiten maakt dat de rechtbank als hiervoor oordeelt. (...)”

Beoordeling van het geschil in hoger beroep

Beslissing