Home

College van Beroep voor het bedrijfsleven, 25-10-2016, ECLI:NL:CBB:2016:342, 14/754

College van Beroep voor het bedrijfsleven, 25-10-2016, ECLI:NL:CBB:2016:342, 14/754

Gegevens

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
25 oktober 2016
Datum publicatie
9 november 2016
ECLI
ECLI:NL:CBB:2016:342
Zaaknummer
14/754
Relevante informatie
Meststoffenwet [Tekst geldig vanaf 01-01-2025 tot 01-01-2030], Meststoffenwet [Tekst geldig vanaf 01-01-2025 tot 01-01-2030] art. 7

Inhoudsindicatie

overtreding art. 7 Msw, feitelijke beschikkingsmacht, derogatie en dubbele bestraffing

Uitspraak

Uitspraak

zaaknummer: 14/754

16005

1. Maatschap [naam 1] en [naam 2] , te [plaats 1] ,

2. [naam 1] ,te [plaats 1] ,

3. [naam 2] , te [plaats 1] ,

appellanten, (gemachtigde: mr. J.J.J. de Rooij),

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 14 oktober 2014, met kenmerk ROT 14/238, in het geding tussen

appellanten

en

(gemachtigde: mr. A.H. Spriensma-Heringa).

Procesverloop in hoger beroep

Appellanten hebben hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 14 oktober 2014 (hierna: de aangevallen uitspraak).

De staatssecretaris heeft een reactie op het hogerberoepschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 mei 2016.

Appellant sub 2 is verschenen, bijgestaan door de gemachtigde van appellanten. Tevens zijn voor appellanten verschenen [naam 3] , [naam 4] en [naam 5] . De staatssecretaris werd vertegenwoordigd door zijn gemachtigde. Voor de staatssecretaris is daarnaast verschenen A.P.C.M. Moerkens.

Grondslag van het geschil

1.1

Het hoger beroep is gericht tegen het in stand laten door de rechtbank van een aan appellanten opgelegde bestuurlijke boete wegens overtreding van artikel 7, in samenhang met artikel 8, van de Meststoffenwet (Msw) in 2008. Aan appellanten is wegens overtreding van artikel 7, in samenhang met artikel 8, van de Msw in het jaar 2007 ook al een boete opgelegd. Het College heeft in een uitspraak van 21 mei 2013 (ECLI:NL:CBB:2013:CA2239) voor de overtreding van de Msw in 2007 de boete vastgesteld op € 86.958,50.

1.2

De boete voor de overtreding in het jaar 2008 van artikel 7, in samenhang met artikel 8, van de Msw, het verbod om meststoffen op of in de bodem te brengen tenzij de gebruiksnormen niet worden overschreden, is opgelegd bij besluit van 5 januari 2011. Aanleiding was een afdoeningsrapport van de Algemene Inspectiedienst (AID) van 8 juli 2009 (hierna: afdoeningsrapport). Bij de vaststelling van het gebruik van meststoffen door appellanten is bij het boetebesluit als uitgangspunt genomen dat tot de oppervlakte van de tot het bedrijf behorende landbouwgrond in totaal 122,07 hectare gerekend kan worden. Gronden waarvan naar het oordeel van de staatssecretaris is komen vast te staan dat appellanten deze wel hebben opgegeven als behorende tot hun bedrijf, maar die feitelijk niet in gebruik waren bij het bedrijf van appellanten, zijn bij de gebruiksruimte buiten beschouwing gelaten. Deze gronden zijn gelegen te [plaats 2] , te [plaats 3] en te [plaats 1] . Het betreft de percelen 1, 2, 3, 4, 5, 17, 18, 19 en 20 van de Gecombineerde Opgave 2008 (genoemd in het Overzicht gewaspercelen 2008, bijlage nummer 55067, 2 bij het afdoeningsrapport). Uitgaande van een totale oppervlakte van 122,07 hectare (in plaats van de door appellanten opgegeven 161,50 hectare) van de tot het bedrijf behorende landbouwgrond heeft de staatssecretaris vastgesteld dat de gebruiksnorm voor dierlijke meststoffen in 2008 is overschreden met 16.398 kilogram stikstof, de stikstofgebruiksnorm met 7.517 kilogram en de fosfaatgebruiksnorm met 1.222 kilogram. Daarbij heeft de staatssecretaris voor dierlijke meststoffen afkomstig van graasdieren de gebruiksnorm van 170 kilogram per hectare gehanteerd en niet de op grond van de derogatieregeling geldende hogere norm van 250 kilogram, omdat appellanten onder meer niet hebben voldaan aan de op grond van de derogatieregeling in 2008 geldende voorwaarde dat ten minste 70% van de landbouwgrond die tot het bedrijf behoort, grasland is.

1.3

Op verzoek van appellanten (bij brief van 11 april 2011) heeft de staatssecretaris de beslissing op bezwaar in deze procedure aangehouden totdat het College een oordeel had gegeven over de bestuurlijke boete voor het jaar 2007 (hetgeen is geschied in de onder 1.1 genoemde uitspraak van 21 mei 2013). Bij beslissing op bezwaar van 6 december 2013 heeft de staatssecretaris, met toepassing van de in artikel 57 van de Msw vermelde bedragen, de voor het jaar 2008 opgelegde boete van € 147.816,50 met 50% verlaagd tot € 73.908,25, omdat het onderzoek op grond waarvan is geconstateerd dat appellanten zowel in 2007 als in 2008 de Msw,25, omdat het onderzoek op grond waarvan is geconstateerd dat appellanten zowel in 2007 als in 2008 de niet hebben nageleefd pas in 2009 heeft plaatsgevonden. Omdat appellanten pas in 2010 zijn geconfronteerd met het voornemen voor 2007 en 2008 boetes op te leggen, waren zij daardoor voor 2008 niet in staat om de situatie op het bedrijf in overeenstemming te brengen met de geldende wet- en regelgeving. De staatssecretaris heeft voorts het standpunt gehandhaafd dat appellanten de percelen te [plaats 2] , [plaats 3] en [plaats 1] niet mochten rekenen tot de tot hun bedrijf behorende oppervlakte landbouwgrond als bedoeld in artikel 1 van de Msw. Ook heeft de staatssecretaris het standpunt gehandhaafd dat appellanten niet hebben voldaan aan de op grond van de derogatieregeling in 2008 geldende voorwaarde dat over 70% grasland moest worden beschikt. Tevens is de staatssecretaris niet gebleken dat appellanten geen enkel verwijt van de overtreding van de Msw kan worden gemaakt nu zij zelf verantwoordelijk zijn voor de beslissing percelen te huren zonder over die percelen feitelijke beschikkingsmacht uit te oefenen. Appellanten hebben beroep ingesteld tegen de beslissing op bezwaar van 6 december 2013.

Uitspraak van de rechtbank

2. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard. Met de uitspraak van het College van 21 mei 2013 staat, aldus de rechtbank, voor wat betreft 2007 in rechte vast welke landbouwgronden wel en welke niet tot het bedrijf van appellanten behoorden. Naar het oordeel van de rechtbank luidt het antwoord op de vraag welke landbouwgronden wel en welke niet tot het bedrijf van appellanten behoorden voor 2008 niet anders dan voor 2007. Voorts heeft verweerder zich volgens de rechtbank terecht op het standpunt gesteld dat appellanten niet voldoen aan alle voorwaarden voor derogatie en dat om die reden niet de verruimde norm van 250 kilogram per hectare, maar de reguliere norm van 170 kilogram per hectare van toepassing is. Tot slot concludeert de rechtbank dat de bestuurlijke boete is afgestemd op de ernst van de overtreding en de mate waarin deze aan eiseres kan worden verweten en dat verweerder terecht geen grond heeft gezien voor verdergaande matiging.

Beoordeling van het geschil in hoger beroep

Beslissing