College van Beroep voor het bedrijfsleven, 25-02-2016, ECLI:NL:CBB:2016:37, 13/732 13/740
College van Beroep voor het bedrijfsleven, 25-02-2016, ECLI:NL:CBB:2016:37, 13/732 13/740
Gegevens
- Instantie
- College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Datum uitspraak
- 25 februari 2016
- Datum publicatie
- 25 februari 2016
- ECLI
- ECLI:NL:CBB:2016:37
- Zaaknummer
- 13/732 13/740
Inhoudsindicatie
Klacht betreft in de kern de uitkomst van de controle van de jaarrekening, te weten afgifte van een goedkeurende verklaring. Daarin kan mede worden begrepen de (toereikendheid) van de werkzaamheden om tot die uitkomst te komen. Bij de vaststelling of de jaarrekening het vereiste inzicht geeft zijn de Richtlijnen voor de Jaarveslaggeving van belang, die een belangrijk oriëntatiepunt en gezaghebbende kenbron vormen voor wat in het concrete geval als aanvaardbaar heeft te gelden. Als bij vaststellen jaarrekening is gekomen tot waarderingen die met deze voorschriften stroken, kan zulks een belangrijke aanwijzing vormen dat het vereiste inzicht is verschaft en dat de ruimte die in redelijkheid moet worden gelaten bij de keuze voor de waardering van bepaalde posten niet is overschreden. Niet op voorhand uit te sluiten dat naar algemene jaarrekeningrechtelijke maatstaven zou zijn toegestaan om in een portefeuillebenadering kostprijshedge-accounting toe te passen en deze verwerkingswijze in de jaarrekening te hanteren. Ook niet uit te sluiten, hoewel niet direct aannemelijk, zeker niet zonder nader onderzoek, dat hoewel in RJ 2008/290.6, onder 605 en 606, is opgenomen dat (per saldo) geschreven opties niet als hedge-instrument kunnen worden aangewezen en dus van toepassing van hedge-accounting zijn uitgezonderd omdat ze geen risico mitigeren, onder bepaalde omstandigheden in het kader van een portefeuillebenadering tot op zekere hoogte c.q. tot een zekere omvang (per saldo) geschreven opties passen binnen de risicobeheersingsstrategie die aan de hedging ten grondslag ligt en om die reden bij de hedge-accounting in aanmerking zouden kunnen worden genomen.
Uitspraak
uitspraak
zaaknummers: 13/732 en 13/740
20150
Uitspraak van de meervoudige kamer van 25 februari 2016 op de hoger beroepen van:
(gemachtigden: mr. W.F. Hendriksen en mr. S.A.G. Hoogeveen),
en
(gemachtigde: P.T. Lakeman),
tegen de uitspraak van de accountantskamer van 19 augustus 2013, gegeven op een klacht, op 7 mei 2012 door SOBI ingediend tegen [naam 1] .
Procesverloop in hoger beroep
[naam 1] en SOBI hebben hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de accountantskamer van 19 augustus 2013, met nummer 12/834 Wtra AK (www.tuchtrecht.nl, ECLI:NL:TACAKN:2013:25).
SOBI en [naam 1] hebben schriftelijk op elkaars hogerberoepschriften gereageerd.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 maart 2015.
[naam 1] is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigden. SOBI werd vertegenwoordigd door haar gemachtigde, tevens haar voorzitter.
Grondslag van het geschil
Voor een uitgebreide weergave van het verloop van de procedure en de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden, voor zover niet bestreden, wordt verwezen naar de inhoud van de bestreden uitspraak van de accountantskamer, die als hier ingelast wordt beschouwd. Het College volstaat met het volgende.
De woningcorporatie Stichting Vestia Groep (Vestia), thans Stichting Vestia, is een toegelaten instelling in de zin van artikel 70 van de Woningwet die zich – in essentie – richt op het huisvesten van lagere inkomensgroepen. Eind 2012 beschikte zij daartoe over ongeveer 89.000 woningen en appartementen. In de jaren 2006 tot en met 2009 heeft Vestia in het kader van haar renterisicobeleid rentederivaten gekocht van en verkocht aan diverse financiële instellingen. Deze bestonden uit onder meer renteswaps (plain vanilla swaps), opties op renteswaps (swaptions) en opzegbare renteswaps (cancellable swaps). Tevens heeft Vestia gestructureerde (niet standaard) derivaten afgesloten, zoals ‘Bermudan cancellable swaps’, ‘callable swaps’, ‘extendable swaps’, ‘index-linked swaps’ en ‘constant maturity swap structuren’. Vestia heeft na 2009 haar derivatenpositie verder vergroot. Begin 2012 bleek zij door liquiditeitsproblemen niet (meer) in staat aan de met deze derivaten verbonden ‘margin calls’ van financiële instellingen te voldoen.
[naam 1] was verbonden aan KPMG Accountants N.V. (KPMG) en heeft, voor zover hier van belang, de jaarrekening over het boekjaar 2010 van Vestia gecontroleerd. Bij die jaarrekening heeft hij op 31 mei 2011 een goedkeurende accountantsverklaring afgegeven.
Uitspraak van de accountantskamer
De klacht, zoals weergegeven in de uitspraak van de accountantskamer, welke weergave door partijen niet wordt bestreden, houdt het volgende in:
“ I. de jaarrekening 2010 en het daarmee verbonden jaarverslag (inclusief het verslag van de Raad van Commissarissen) bevat onvolledige en misleidende informatie over door Vestia gekochte en verkochte rentederivaten;
II. het eigen vermogen van Vestia per eind 2010 is in de jaarrekening 2010 te hoog weergegeven;
III. het resultaat van Vestia over 2010 is in de jaarrekening 2010 te hoog weergegeven.”
Bij de bestreden uitspraak heeft de accountantskamer de klacht, voor zover daarin moet worden geacht te zijn begrepen het verwijt dat [naam 1] geen goedkeurende verklaring had mogen afgeven bij de jaarrekening van Vestia over 2010, gegrond verklaard en de klacht voor het overige niet-ontvankelijk verklaard. De accountantskamer heeft, rekening houdend met de al in de zaak met nummer 12/2221 Wtra AK (www.tuchtrechtl.nl, ECLI:NL:TACAKN:2013:24) opgelegde maatregel van berisping, geen aanleiding gezien [naam 1] nog een nadere of extra maatregel op te leggen.
De accountantskamer heeft daartoe, voor zover hier van belang, het volgende overwogen, waarbij voor “betrokkene” [naam 1] en voor “klaagster” SOBI moet worden gelezen:
“ 4.4. Voorts merkt de Accountantskamer ambtshalve op dat het niet in strijd is met een behoorlijke tuchtprocesorde, indien zij bij het geven van haar oordeel in de ene tuchtzaak dat de klacht gegrond is mede acht slaat op hetgeen zij heeft bevonden en geoordeeld in een andere (in casu ook nog gelijktijdig behandelde) tuchtzaak tegen dezelfde betrokkene over hetzelfde feitencomplex en waarin die betrokkene zich ter zake heeft kunnen verweren, c.q. heeft verweerd.
De kern van de klacht wordt gevormd, althans zulks acht de Accountantskamer in de klacht zonder meer begrepen, door het verwijt dat betrokkene geen goedkeurende verklaring had mogen afgeven bij de jaarrekening van klaagster over 2010. Bij beslissing van heden in de door de Autoriteit Financiële Markten (12/2221 Wtra AK) ingediende klachtzaak is de Accountantskamer al tot het oordeel gekomen dat betrokkene betreffende de controle van die jaarrekening 2010 niet voldoende en geschikte controlewerkzaamheden heeft verricht en dat daaruit volgt dat betrokkene de controle van de jaarrekening 2010 met onvoldoende diepgang en met een onvoldoende professioneel-kritische instelling heeft gepland en heeft uitgevoerd, als gevolg waarvan betrokkene een goedkeurende accountantsverklaring in het maatschappelijk verkeer heeft gebracht zonder dat daarvoor een deugdelijke grondslag kan worden vastgesteld. Dit oordeel leidt ertoe dat de door klaagster ingediende klacht al om die reden eveneens gegrond dient te worden verklaard. Hetgeen klaagster harerzijds verder aan haar klacht ten grondslag heeft gelegd, behoeft dan ook geen afzonderlijke bespreking; in zoverre zal de klacht niet-ontvankelijk worden verklaard. Nu juist geoordeeld moet worden dat - zakelijk samengevat - de controle aangaande de verwerking van de derivaten in de jaarrekening niet afdoende heeft plaats gehad, zou deze controle alsnog moeten plaatsvinden alvorens feitelijk kan worden beoordeeld of de in de jaarrekening 2010 opgenomen informatie daadwerkelijk misleidend is en of het eigen vermogen en resultaat te hoog zouden zijn weergegeven. Bij een dergelijk vergaand onderzoek, als daarvoor mede gezien rechtsoverweging 4.3 in een tuchtprocedure al plaats zou zijn, heeft klaagster geen belang nu de klacht al gegrond is, omdat geoordeeld is dat een juiste en afdoende controle niet heeft plaats gevonden.
Op grond van artikel 2 Wtra kan de Accountantskamer een tuchtrechtelijke maatregel opleggen. In dit geval dient echter uit het oogpunt van een evenwichtige beoordeling van het tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen van betrokkene en een evenredige sanctionering daarvan, rekening te worden gehouden met de al in de aan deze zaak verwante zaak met zaaknummer 12/2221 Wtra AK opgelegde maatregel van berisping. Deze beslissing heeft betrekking op hetzelfde handelen in strijd met de fundamentele beginselen van deskundigheid en zorgvuldigheid en van professioneel gedrag als in deze zaak aan de orde. Dit betekent dat er geen aanleiding is betrokkene thans nog een nadere of extra maatregel voor de in deze zaak aan de orde zijnde schending op te leggen.”