Home

College van Beroep voor het bedrijfsleven, 28-12-2016, ECLI:NL:CBB:2016:405, 15/605

College van Beroep voor het bedrijfsleven, 28-12-2016, ECLI:NL:CBB:2016:405, 15/605

Gegevens

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
28 december 2016
Datum publicatie
9 januari 2017
ECLI
ECLI:NL:CBB:2016:405
Formele relaties
Zaaknummer
15/605
Relevante informatie
Algemene wet bestuursrecht [Tekst geldig vanaf 04-04-2025 tot 01-07-2025], Algemene wet bestuursrecht [Tekst geldig vanaf 04-04-2025 tot 01-07-2025] art. 1:3, Warenwet [Tekst geldig vanaf 09-05-2025 tot 28-06-2025], Warenwetbesluit Bereiding en behandeling van levensmiddelen [Tekst geldig vanaf 01-01-2025]

Inhoudsindicatie

Warenwet; Warenwetbesluit Bereiding en behandeling van levensmiddelen; Warenwetregeling Vrijstelling vitaminepreparaten. De brief van de minister waarin hij aan appellante het verbod oplegt om in Nederland een voedingssupplement met 100 microgram vitamine D op de markt te bregen, is niet een appellabel besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb en ook niet een met een appellabel besluit gelijk te stellen bestuurlijk rechtsoordeel.

Uitspraak

uitspraak

zaaknummer: 15/605

17000

uitspraak van de meervoudige kamer van 28 december 2016 op het hoger beroep van:

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 7 juli 2015, kenmerk ROT 14/3933, in het geding tussen

(gemachtigde: mr. R. Bal).

Procesverloop in hoger beroep

Appellante heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam (rechtbank) van 7 juli 2015 (ECLI:NL:RBROT:2015:4791, niet gepubliceerd).

De minister heeft een reactie op het hogerberoepschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 juni 2016. Namens de minister is verschenen zijn gemachtigde, bijgestaan door [naam 1] , [naam 2] , [naam 3] en [naam 4] . Namens appellante is verschenen [naam 5] , bijgestaan door de gemachtigden. Het onderzoek ter zitting is geschorst.

Naar aanleiding van het verhandelde ter zitting hebben partijen, daartoe door het College in de gelegenheid gesteld, een nadere schriftelijke reactie ingediend.

Met toestemming van partijen is een nadere zitting achterwege gebleven. Het onderzoek is op 5 oktober 2016 gesloten.

Grondslag van het geschil

1.1

Voor een uitgebreide weergave van het verloop van de procedure, het wettelijk kader en de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden, voor zover niet bestreden, wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. Het College volstaat met het volgende.

1.2

Bij brief van 21 februari 2013 heeft appellante aan de minister medegedeeld voornemens te zijn een vitaminepreparaat met 100 microgram vitamine D (het preparaat) vanuit het Verenigd Koninkrijk te importeren en in Nederland op de markt te brengen. Appellante heeft zich daarbij bewust getoond van het feit dat het verhandelen van vitaminepreparaten met een dosering van 100 microgram vitamine D per preparaat in strijd is met Nederlandse regelgeving. Zij doet echter een beroep op het Europese beginsel van wederzijdse erkenning, aangezien het preparaat in een aantal lidstaten van de Europese Unie reeds officieel op de markt is.

1.3

Bij brief van 5 april 2013 heeft de minister aan appellante bericht dat ingevolge de geldende Nederlandse wetgeving het in de handel brengen van het preparaat op de Nederlandse markt niet is toegestaan.

1.4

Bij brief van 26 september 2013 heeft de minister aan appellante bericht voornemens te zijn een besluit te nemen als bedoeld in artikel 2, eerste lid, van Verordening (EG) nr. 764/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 9 juli 2008 tot vaststelling van procedures voor de toepassing van bepaalde nationale technische voorschriften op goederen die in een andere lidstaat rechtmatig in de handel zijn gebracht, (...) (Verordening) inzake het op de Nederlandse markt brengen van voedingssupplementen met 100 microgram vitamine D. De minister heeft appellante in de gelegenheid gesteld binnen 28 dagen een zienswijze te geven over dit voornemen.

1.5

Bij brief van 13 november 2013 heeft de minister, in overeenstemming met het voornemen als weergegeven bij brief van 26 september 2013, appellante verboden het preparaat in Nederland in de handel te brengen. De minister heeft daarbij opgemerkt dat indien het preparaat alsnog in Nederland op de markt wordt aangetroffen, de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit gerechtigd is om handhavende maatregelen te nemen.

1.6

Bij zijn besluit van 30 april 2014 (het bestreden besluit), waartegen het beroep bij de rechtbank was gericht, heeft de minister het bezwaarschrift van appellante, gericht tegen het bij brief van 13 november 2013 opgelegde verbod, ongegrond verklaard.

Uitspraak van de rechtbank

2.1

De rechtbank heeft het beroep van appellante ongegrond verklaard. De rechtbank heeft, voor zover voor het hoger beroep van belang, het volgende overwogen.

2.2

Uit de jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Unie volgt dat Richtlijn 2002/46/EG van het Europees Parlement en de Raad van 10 juni 2002 betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der lidstaten inzake voedingssupplementen aldus moet worden uitgelegd dat zij in de weg staat aan de vaststelling van maximumhoeveelheden aan vitaminen en mineralen die mogen worden gebruikt voor de vervaardiging van voedingssupplementen, wanneer er voor die vitaminen en mineralen geen veilige grenswaarden zijn bepaald omdat geen gevaar voor de gezondheid is aangetoond, tenzij een dergelijke maatregel gerechtvaardigd wordt door het voorzorgsbeginsel, indien uit een wetenschappelijke risicobeoordeling blijkt dat er nog onzekerheid bestaat omtrent het bestaan of de omvang van reële risico’s voor de gezondheid. De rechtbank stelt vast dat uit de “Scientific Opinion on the Tolerable Upper Intake Level of vitamin D” uit 2012 van de European Food Safety Authority (EFSA) – en overigens ook uit het debat tussen partijen – blijkt dat er nog onzekerheid bestaat omtrent niet zozeer het bestaan, als wel de omvang van de reële risico’s van de inname van vitamine D voor de gezondheid. Voorts heeft de EFSA, een gespecialiseerd bureau van de Europese Unie waarop de minister zich in dit verband heeft mogen verlaten, met toepassing van een wetenschappelijk verantwoord geachte onzekerheidsfactor 2,5 een door het Hof van Justitie van de Europese Unie bedoelde veilige grenswaarde voor inname – de “Tolerable Upper Intake Level” – vastgesteld van 100 microgram vitamine D per dag. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister zich dan ook op de uitzondering bedoeld in artikel 6, eerste lid, aanhef en onder a, van de Verordening mogen beroepen, nu niet in geschil is dat een dagelijkse inname van vitamine D uit andere voedingsbronnen van 10 microgram per dag mogelijk is. De rechtbank voegt daaraan toe dat het voorstelbaar is dat de minister in de ogen van appellante daarbij onnodig voorzichtig is, maar in aanmerking genomen de ruime beoordelingsvrijheid van de minister en de ruimte die het Hof van Justitie van de Europese Unie laat om zelfs nog een ver onder de veilige grenswaarde liggende maximumhoeveelheid vast te stellen, kan die omstandigheid niet tot een ander oordeel leiden. Aangezien de minister geen minder vergaande maatregel ter beschikking stond, heeft hij appellante ter bescherming van de gezondheid en het leven van personen mogen verbieden het preparaat in Nederland op de markt te brengen.

Beoordeling van het geschil in hoger beroep

Beslissing