College van Beroep voor het bedrijfsleven, 24-11-2016, ECLI:NL:CBB:2016:454, 14/632
College van Beroep voor het bedrijfsleven, 24-11-2016, ECLI:NL:CBB:2016:454, 14/632
Gegevens
- Instantie
- College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Datum uitspraak
- 24 november 2016
- Datum publicatie
- 24 januari 2017
- ECLI
- ECLI:NL:CBB:2016:454
- Zaaknummer
- 14/632
Inhoudsindicatie
Meststoffenwet
Bestuurlijke boete
Uitspraak
uitspraak
zaaknummer: 14/632
16005
uitspraak van de meervoudige kamer van 24 november 2016 op het hoger beroep van:
tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 7 augustus 2014, met kenmerk 13/2291, in het geding tussen
appellant
en
(gemachtigden: mr. A.H. Spriensma-Heringa en mr. J. van Essen).
Procesverloop in hoger beroep
Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 7 augustus 2014 (hierna: de aangevallen uitspraak).
De staatssecretaris heeft een reactie op het hogerberoepschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 november 2015. De zaak is gevoegd behandeld met de zaken 13/218, 13/702 en 13/703, waarin het beroep ten aanzien van (de effectuering van) een randvoorwaardenkorting op de aan appellant voor het jaar 2009 toegekende rechtstreekse betalingen voorligt. Partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden.
Grondslag van het geschil
Voor een uitgebreide weergave van het verloop van de procedure, het wettelijk kader en de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden, voor zover niet bestreden, wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. Het College volstaat met het volgende.
Op 7 april 2009 is de Algemene Inspectiedienst (AID) in het kader van het toezicht op de naleving van de Meststoffenwet (Msw) een onderzoek gestart naar het feitelijk gebruik van percelen bos door landbouwers die deze percelen hebben opgegeven als tot hun bedrijf behorende landbouwgrond. Het onderzoek richtte zich op de wijze waarop en de voorwaarden waaronder deze percelen in gebruik waren gegeven aan landbouwers. De bevindingen van dit onderzoek zijn neergelegd in een rapport van bevindingen van 24 november 2011 (nr. 66186). De AID is op 20 september 2011 een onderzoek gestart naar appellant, één van de landbouwers die percelen bos bij de Gecombineerde Opgave 2009 heeft opgegeven als bij het bedrijf in gebruik zijnde landbouwgrond. De bevindingen van dit onderzoek zijn neergelegd in het afdoeningsrapport van de AID van 28 november 2011 (nr. 66317). Op basis van de onderzoeksresultaten van beide onderzoeken heeft de staatssecretaris geconcludeerd dat de door appellant bij de Gecombineerde Opgave 2009 opgegeven percelen bos (percelen 17 en 18) van in totaal 10,44 hectare niet feitelijk in gebruik waren bij het bedrijf van appellant en mede op grond daarvan geconcludeerd dat appellant niet onder de wettelijk voorgeschreven gebruiksnormen is gebleven. Om die reden heeft de staatssecretaris bij besluit van 19 juli 2012 (het primaire besluit) aan appellant een bestuurlijke boete opgelegd van in totaal € 35.614,- wegens overtreding van artikel 7, in samenhang met artikel 8, van de Meststoffenwet (Msw) in het jaar 2009.
Bij besluit van 12 juli 2013 heeft de staatssecretaris het bezwaar van appellant gedeeltelijk gegrond verklaard, vanwege het ten onrechte niet toepassen van de (hogere) derogatienorm, die geldt voor dierlijke meststoffen afkomstig van graasdieren. Op basis van de nieuwe berekening is de boete in bezwaar vastgesteld op € 11.814,-.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep van appellant dat – kort gezegd – inhield dat de staatssecretaris bij de berekening van het gebruik van meststoffen ten onrechte de in Groningen gelegen percelen bos buiten beschouwing had gelaten, ongegrond verklaard. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de staatssecretaris terecht en op juiste gronden geconcludeerd dat appellant niet de feitelijke beschikkingsmacht had over deze percelen. De rechtbank overwoog hiertoe voor zover hier van belang (onder 1.4 tot en met 1.9 van de aangevallen uitspraak), dat uit hetgeen appellant tegenover de AID heeft verklaard (onder meer dat hij over de te oogsten producten – de bomen – geen afspraken heeft gemaakt en de werkzaamheden op de percelen niet door appellant, maar door [naam 2] zijn geregeld), uit de facturen van 3 juli 2009 en 1 november 2009 noch uit de voor 2009 gesloten grondgebruikersverklaring kan worden afgeleid dat appellant in 2009 heeft beslist over het beheer van de percelen; feitelijk noch op afstand (papier). De rechtbank concludeert dat appellant in het jaar 2009 artikel 7 van de Msw heeft overtreden, hetgeen betekent dat de staatssecretaris bevoegd was appellant een bestuurlijke boete op te leggen. Voorts heeft de rechtbank het betoog van appellant dat de staatssecretaris de boete had moeten matigen, op grond van hetgeen zij onder 2.1 tot en met 2.5 heeft overwogen, verworpen.