Home

College van Beroep voor het bedrijfsleven, 25-02-2016, ECLI:NL:CBB:2016:47, 14/152

College van Beroep voor het bedrijfsleven, 25-02-2016, ECLI:NL:CBB:2016:47, 14/152

Gegevens

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
25 februari 2016
Datum publicatie
9 maart 2016
ECLI
ECLI:NL:CBB:2016:47
Formele relaties
Zaaknummer
14/152
Relevante informatie
Meststoffenwet [Tekst geldig vanaf 01-01-2025 tot 01-01-2030], Meststoffenwet [Tekst geldig vanaf 01-01-2025 tot 01-01-2030] art. 7

Inhoudsindicatie

Meststoffenwet

Uitspraak

Uitspraak

zaaknummer: 14/152

16005

(gemachtigde: mr. F. Postma)

en

(gemachtigde: mr. A.H. Spriensma-Heringa).

Procesverloop in hoger beroep

Appellante heeft bij brief van 11 maart 2014 hoger beroep ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank Overijssel van 30 januari 2014 (ECLI:NL:RBOVE:2014:453).

De staatssecretaris heeft een reactie op het hogerberoepschrift ingediend.

Op 8 oktober 2015 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgehad. Appellante heeft zich doen vertegenwoordigen door haar maten [naam 1] en [naam 2] , bijgestaan door de gemachtigde. De staatssecretaris heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Grondslag van het geschil

1 Voor een uitgebreide weergave van het verloop van de procedure, het wettelijk kader en de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden, voor zover niet bestreden, wordt gewezen naar de aangevallen uitspraak. Het College volstaat met het volgende.

1.1

Appellante exploiteert een agrarisch bedrijf met melkrundvee dat is gevestigd aan de [adres 1] , [plaats] . Tot haar onderneming behoort ook landbouwgrond aan de [adres 2] , [plaats] , waarop een mestbassin staat.

De Algemene Inspectiedienst (hierna: AID) heeft een landelijk onderzoek uitgevoerd

naar aflevering van mest waarbij een fictieve afnemer zou zijn vermeld, te weten “ [naam 3] ” of “CTE-service”. Op basis van dat onderzoek is vervolgens een onderzoek gestart naar appellante in verband met het vermoeden dat de Meststoffenwet (Msw) zou zijn overtreden. In een afdoeningsrapport van 19 januari 2011 zijn de bevindingen van dat onderzoek neergelegd. De AID stelt daarin vast dat twaalf vrachten dierlijke mest zijn gelost op een perceel aan de [adres 2] in de periode van 20 mei 2009 tot en met 22 juni 2009. Uit de gegevens die geregistreerd zijn bij de Dienst Regelingen leidt de AID af dat dit perceel tot het bedrijf van appellante behoort. Mede naar aanleiding van dat rapport heeft de staatssecretaris een controle uitgevoerd bij appellante en op basis daarvan aan appellante bij primair besluit van 7 februari 2012 boetes opgelegd van in totaal € 64.767,50 wegens overtreding van artikel 7 van de Msw. Daarbij is uitgegaan van een overschrijding van de gebruiksnorm voor dierlijke meststoffen met 7.123 kg, overschrijding van de stikstofgebruiksnorm met 1.245 kg en overschrijding van de fosfaatgebruiksnorm met 1.918 kg. Dat er vrachten dierlijke mest zijn geleverd bij appellante heeft de staatssecretaris gebaseerd op gegevens bekend bij de Dienst Regelingen, zoals losmeldingen waarbij met GPS-coördinaten de loslocaties zijn vastgesteld. Die loslocaties bevonden zich volgens de staatssecretaris bij een mestbassin op het perceel van appellante aan de [adres 2] . De staatssecretaris heeft een aantal overzichtskaarten overgelegd, waarop met zes ‘stippen’ zichtbaar is gemaakt, waar volgens de GPS-coördinaten de twaalf vrachten mest zijn gelost.

Aan de boete heeft de staatssecretaris ook bewijzen uit de administratie van [naam 4] en [naam 5] B.V., vervoerders van de vrachten mest, ten grondslag gelegd. Het administratieoverzicht van [naam 4] Loon- en Grondbedrijf vermeldt eenmaal ‘Basin [naam 6] ’, eenmaal ‘Baszin [naam 6] ’, viermaal ‘Bazin [naam 6] ’ en tweemaal ‘Bazin’ als loslocaties, steeds gevolgd door de postcode ‘ [... 1] ’. Het administratieoverzicht van [naam 5] B.V. vermeldt ter zake van de aan appellante tegengeworpen lossingen van de vrachten mest als locatie ‘mestbassin aan perceel’ met postcode ‘ [... 1] [adres 2] ’, gevolgd door ‘ [plaats] ’.

Op basis van de ter zake van de vrachten opgemaakte vervoersbewijzen en de gegevens van de laboratoria waar monsters van de mest zijn geanalyseerd is de hoeveelheid fosfaat en stikstof bepaald. Op de vervoersbewijzen is steeds [naam 3] als afnemer vermeld en een aantal malen als overige betrokkene [naam 7] B.V. of [naam 7] B.V. De heren [naam 8] en [naam 9] , directeuren van [naam 3] , hebben verklaard dat zij toestemming hebben gegeven de naam van hun bedrijf op de vervoersbewijzen te vermelden. De mest is volgens hen echter niet op hun bedrijf opgeslagen of uitgereden, maar door [naam 7] doorgeleverd aan anderen. Deze verklaringen zijn opgenomen in een memo van 22 februari 2010 van een ambtenaar van de AID. Voorts is op acht van de twaalf vervoersbewijzen [... 1] als postcode van de losplaats vermeld.

1.2

Tegen het primaire besluit heeft appellante bezwaar gemaakt. Appellante ontkent in haar bezwaarschrift dat twaalf vrachten varkensmest in de nabijheid van haar mestbassin zijn gelost. Met betrekking tot de overzichtskaarten met de op GPS-losmeldingen gebaseerde zes ‘stippen’ heeft appellante in het bezwaarschrift van 22 mei 2012 het volgende opgemerkt:

“De blauwe stippen zijn op verschillende plaatsen aangegeven en in de afgelegde verklaringen wordt gewezen op een bassin van [naam 6] . In deze periode waren op het nabijgelegen perceel namelijk ook tijdelijke mestopslagcontainers aanwezig. De genoemde [naam 6] had ook deze tijdelijke mestopslagplaatsen op zijn land. Tijdelijke mestcontainers waren in die periode regelmatig aanwezig in de nabijheid van het mestbassin van cliënte. Uit de registratie van het AGR/GPS kan naar de mening van cliënte dan ook niet afgeleid worden dat deze in haar bassin is gelost. Dit kan even goed in de nabij gelegen andere containers hebben plaatsgevonden.”

Tevens heeft appellante er in bezwaar op gewezen dat bij het berekenen van de overschrijding van de gebruiksnorm voor stikstof ten onrechte is uitgegaan van 170 kilogram stikstof per hectare in plaats van 250 kilogram per hectare.

1.3

Bij besluit van 30 juli 2013 is het bezwaar van appellante gegrond verklaard, voor zover het de berekening van de overschrijding van de gebruiksnorm voor stikstof betrof. Naar aanleiding daarvan is de totaalboete gematigd tot een bedrag van € 39.231,50. Voor het overige zijn de bezwaren van appellante ongegrond verklaard. Tegen dit besluit heeft appellante beroep ingesteld.

De uitspraak van de rechtbank

2 De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard. De overwegingen die de rechtbank tot deze beslissing hebben gebracht zijn vermeld onder 4.1 tot en met 4.6 van de aangevallen uitspraak.

De beoordeling van het geschil in hoger beroep

Beslissing