Home

College van Beroep voor het bedrijfsleven, 18-03-2016, ECLI:NL:CBB:2016:71, 13/200

College van Beroep voor het bedrijfsleven, 18-03-2016, ECLI:NL:CBB:2016:71, 13/200

Gegevens

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
18 maart 2016
Datum publicatie
30 maart 2016
ECLI
ECLI:NL:CBB:2016:71
Zaaknummer
13/200
Relevante informatie
Meststoffenwet [Tekst geldig vanaf 01-01-2025 tot 01-01-2030], Meststoffenwet [Tekst geldig vanaf 01-01-2025 tot 01-01-2030] art. 14

Inhoudsindicatie

Overtreding artikel 7 Msw, bezinklaag, tussenuitspraak

Uitspraak

tussenuitspraak

zaaknummer: 13/200

16005

Tussenuitspraak van de meervoudige kamer van 18 maart 2016 op het hoger beroep van:

tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 14 februari 2013, kenmerk 11/3611, in het geding tussen appellante

en

gemachtigde van appellante: mr. J.A.J.M. van Houtum

gemachtigde van de staatssecretaris: mr. A.H. Spriensma

Procesverloop in hoger beroep

Appellante heeft bij brief van 26 maart 2013 hoger beroep ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 14 februari 2013 (hierna: de aangevallen uitspraak).

De staatssecretaris heeft een reactie op het hogerberoepschrift ingediend.

Op 29 oktober 2014 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgehad, waarbij de gemachtigden van partijen zijn verschenen. Ter zitting is het onderzoek geschorst teneinde appellante in de gelegenheid te stellen nadere informatie over te leggen. Appellante heeft bij brief van 14 november 2014 nadere informatie gegeven. De staatssecretaris heeft daarop bij brief van 19 december 2014 gereageerd.

Op 6 juli 2015 heeft een nadere zitting plaatsgehad, waarbij voor appellante [naam 2] is verschenen, bijgestaan door de gemachtigde van appellante en waarbij de staatssecretaris werd vertegenwoordigd door zijn gemachtigde. Ter zitting is het onderzoek opnieuw geschorst teneinde appellante in de gelegenheid te stellen een aanvullende toelichting op een eerder verstrekte verklaring over te leggen. Bij brief van 16 juli 2015 heeft appellante gebruik gemaakt van deze gelegenheid. De staatssecretaris heeft hierop bij brief van 27 juli 2015 zijn reactie gegeven.

Met toestemming van partijen om zonder nadere zitting uitspraak te doen is het onderzoek gesloten.

Grondslag van het geschil

1. Voor een uitgebreide weergave van het verloop van de procedure en de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden, voor zover niet bestreden, wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. Het College volstaat met het volgende.

1.1

Appellante is een vleesvarkensbedrijf. Op het bedrijf worden varkens gefokt en gehouden. De Dienst Regelingen heeft op 4 oktober 2008 en 4 december 2008 aan appellante verzocht gegevens aan te leveren over het jaar 2007 in het kader van de verantwoordingsplicht zoals neergelegd in artikel 14 van de Meststoffenwet (Msw). Appellante heeft aan dat verzoek niet voldaan. Op 29 april 2009 heeft verweerder het voornemen kenbaar gemaakt aan appellante een boete op te leggen van € 314.337,-- wegens overtreding van artikel 14 van de Msw in het jaar 2007. Appellante heeft daarop bij brief van 8 juni 2009 haar zienswijze gegeven. Daarin heeft zij gesteld dat de door haar afgevoerde mest op een verkeerd relatienummer is geregistreerd. Appellante heeft daarbij alsnog de juiste gegevens omtrent de afvoer van mest ingebracht. Bij primair besluit van 8 juli 2009 heeft verweerder vervolgens een boete opgelegd van € 39.315,-- wegens overtreding van artikel 14 van de Msw in het jaar 2007. De boete is gebaseerd op het niet verantwoorden van 844 kg stikstof en 3.037 kg fosfaat.

1.2

Bij besluit van 20 september 2011 (het bestreden besluit) is het bezwaar van appellante gedeeltelijk gegrond verklaard. De boete is verder verlaagd naar € 18.431,-. Verweerder heeft de nog te verantwoorden hoeveelheden stikstof en fosfaat aangepast en gaat nu uit van 1291 kg stikstof en 854 kg fosfaat waarvan appellante de afvoer, het gebruik of de opslag niet verantwoord heeft. Hiertegen heeft appellante beroep ingesteld.

De uitspraak van de rechtbank

2. De rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard vanwege overschrijding van de redelijke termijn en de boete op die grond verminderd naar € 15.666,-. De overwegingen die de rechtbank tot deze beslissing hebben gebracht zijn vermeld onder rechtsoverweging 9 tot en met 9.3 van de aangevallen uitspraak.

De beoordeling van het geschil in hoger beroep

Beslissing