Home

College van Beroep voor het bedrijfsleven, 19-04-2017, ECLI:NL:CBB:2017:171, 14/658

College van Beroep voor het bedrijfsleven, 19-04-2017, ECLI:NL:CBB:2017:171, 14/658

Gegevens

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
19 april 2017
Datum publicatie
31 mei 2017
ECLI
ECLI:NL:CBB:2017:171
Zaaknummer
14/658
Relevante informatie
Meststoffenwet [Tekst geldig vanaf 01-01-2025 tot 01-01-2030], Meststoffenwet [Tekst geldig vanaf 01-01-2025 tot 01-01-2030] art. 1, Meststoffenwet [Tekst geldig vanaf 01-01-2025 tot 01-01-2030] art. 8

Inhoudsindicatie

art. 7, Msw. tot het bedrijf behorende landbouwgrond, bospercelen

Uitspraak

uitspraak

zaaknummer: 14/658

16005

(gemachtigde: mr. J.J.J. de Rooij),

tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 2 september 2014, met kenmerk 14/1397, in het geding tussen

appellante

(gemachtigden: mr. A.H. Spriensma en mr. J. van Essen).

Procesverloop in hoger beroep

Appellante heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Noord- Nederland van 2 september 2014 (hierna: de aangevallen uitspraak).

De staatssecretaris heeft een reactie op het hogerberoepschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 februari 2016.

Voor appellante is verschenen [naam 2] (vennoot), bijgestaan door de gemachtigde van appellante. De staatssecretaris werd vertegenwoordigd door zijn gemachtigden.

Grondslag van het geschil

1.1

Voor een uitgebreide weergave van het verloop van de procedure, het wettelijk kader en de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden, voor zover niet bestreden, wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. Het College volstaat met het volgende.

1.2

Op 7 april 2009 is de Algemene Inspectiedienst (AID) in het kader van het toezicht op de naleving van de Meststoffenwet (Msw) een onderzoek gestart naar het feitelijk gebruik van percelen bos door landbouwers die deze percelen hebben opgegeven als tot hun bedrijf behorende landbouwgrond. Het onderzoek richtte zich op de wijze waarop en de voorwaarden waaronder deze percelen in gebruik waren gegeven aan landbouwers. De bevindingen van dit onderzoek zijn neergelegd in een rapport van bevindingen van 24 november 2011 (rapportnummer 66186). De AID is op 13 september 2011 een onderzoek gestart naar appellante, een melkveebedrijf, omdat zij één van de landbouwers was die percelen bos had opgegeven bij de Gecombineerde opgave als bij het bedrijf in gebruik zijnde landbouwgrond. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een afdoeningsrapport van de AID van 28 november 2011 (rapportnummer 66043). Op basis van de onderzoeksresultaten van beide onderzoeken heeft de staatssecretaris geconcludeerd dat het door appellante bij de Gecombineerde opgave 2009 opgegeven perceel bos gelegen te [plaats 2] van in totaal 22,19 hectare niet feitelijk in gebruik was bij het bedrijf van appellante en mede op grond daarvan geconcludeerd dat appellante niet onder de wettelijk voorgeschreven gebruiksnormen is gebleven. Om die reden heeft de staatssecretaris bij besluit van 24 juli 2013 (het primaire besluit) aan appellante een bestuurlijke boete opgelegd van in totaal € 34.114,50 wegens overtreding van artikel 7, in samenhang met artikel 8, van de Meststoffenwet (Msw) in het jaar 2009.

1.3

Bij besluit van 19 februari 2014 heeft de staatssecretaris het bezwaar van appellante ongegrond verklaard.

Uitspraak van de rechtbank

2. De rechtbank heeft het beroep van appellante dat – kort gezegd – inhield dat de staatssecretaris bij de berekening van het gebruik van meststoffen ten onrechte het in [plaats 2] gelegen perceel bos buiten beschouwing had gelaten, ongegrond verklaard. De rechtbank overwoog hiertoe voor zover hier van belang (onder 3.5 tot en met 3.5.2 van de aangevallen uitspraak), dat de staatssecretaris terecht heeft gesteld dat het perceel niet door appellante is gebruikt in het kader van de normale bedrijfsvoering van haar (melkveehouders) bedrijf. Niet in geschil is dat er geen beweiding of bemesting heeft plaatsgevonden. De rechtbank acht niet aannemelijk dat het de bedoeling was om houtsnippers te winnen als strooisel voor de stallen en evenmin dat gras zou zijn gewonnen toen de verwachte opbrengst houtsnippers niet gerealiseerd werd. De verklaringen van de loonwerker spreken dit tegen. Ook overigens is niet gebleken dat appellante het bosperceel feitelijk heeft gebruikt. Daarbij is van belang dat uit verschillende verklaringen, onder meer van [naam 2] , blijkt dat het bosperceel enkel is gebruikt in verband met de extra mestplaatsingsruimte. Appellante had geen feitelijke beschikkingsmacht over de teelt en de bemesting. Niet aannemelijk is geworden dat appellante kon bepalen wie wanneer welke werkzaamheden in welke omvang zou verrichten.

Beoordeling van het geschil in hoger beroep

Beslissing