College van Beroep voor het bedrijfsleven, 20-04-2017, ECLI:NL:CBB:2017:172, 14/724
College van Beroep voor het bedrijfsleven, 20-04-2017, ECLI:NL:CBB:2017:172, 14/724
Gegevens
- Instantie
- College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Datum uitspraak
- 20 april 2017
- Datum publicatie
- 31 mei 2017
- ECLI
- ECLI:NL:CBB:2017:172
- Zaaknummer
- 14/724
- Relevante informatie
- Meststoffenwet [Tekst geldig vanaf 01-01-2025 tot 01-01-2030]
Inhoudsindicatie
Bospercelen, tot het bedrijf behorende landbouwgrond
Uitspraak
uitspraak
zaaknummer: 14/724
16005
tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 14 oktober 2014, met kenmerk 14/544, in het geding tussen
appellant
en
(gemachtigden: mr. A.H. Spriensma-Heringa en mr. J. van Essen).
Procesverloop in hoger beroep
Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 14 oktober 2014 (hierna: de aangevallen uitspraak).
De staatssecretaris heeft een reactie op het hogerberoepschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 februari 2016. De zaak is gevoegd behandeld met de zaak geregistreerd onder nummer 14/725. Appellant is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. De staatssecretaris heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.
Grondslag van het geschil
Voor een uitgebreide weergave van het verloop van de procedure, het wettelijk kader en de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden, voor zover niet bestreden, wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. Het College volstaat met het volgende.
Op 7 april 2009 is de Algemene Inspectiedienst (AID) in het kader van het toezicht op de naleving van de Meststoffenwet (Msw) een onderzoek gestart naar het feitelijk gebruik van percelen bos door landbouwers die deze percelen hebben opgegeven als tot hun bedrijf behorende landbouwgrond. Het onderzoek richtte zich op de wijze waarop en de voorwaarden waaronder deze percelen in gebruik waren gegeven aan landbouwers. De bevindingen van dit onderzoek zijn neergelegd in een rapport van bevindingen van 24 november 2011 (rapportnummer [... 2] ). De AID is op 20 september 2011 een onderzoek gestart naar appellant, die een melkveebedrijf exploiteert, omdat hij één van de landbouwers was die percelen bos bij de Gecombineerde Opgave 2010 had opgegeven als bij het bedrijf in gebruik zijnde landbouwgrond. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een afdoeningsrapport van de AID van 28 november 2011 (rapportnummer [... 1] ). Op basis van de onderzoeksresultaten van beide onderzoeken heeft de staatssecretaris geconcludeerd dat de door appellant bij de Gecombineerde Opgave 2010 opgegeven (twee) percelen bos van in totaal 13,22 hectare niet feitelijk in gebruik waren bij het bedrijf van appellant en mede op grond daarvan geconcludeerd dat appellant niet onder de wettelijk voorgeschreven gebruiksnormen is gebleven. Om die reden heeft de staatssecretaris bij besluit van 24 juli 2013 (het primaire besluit) aan appellant een bestuurlijke boete opgelegd van in totaal € 17.633,- wegens overtreding van artikel 7, in samenhang met artikel 8, van de Meststoffenwet (Msw) in het jaar 2010.
Bij besluit van 13 december 2013 heeft de staatssecretaris het bezwaar van appellant ongegrond verklaard.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het betoog van appellant dat – kort gezegd – inhield dat de staatssecretaris bij de berekening van het gebruik van meststoffen ten onrechte de in Groningen gelegen percelen bos buiten beschouwing had gelaten, verworpen. De rechtbank overwoog hiertoe, voor zover hier van belang (onder 2.5 en 2.6 van de aangevallen uitspraak), dat uit hetgeen appellant tegenover de AID heeft verklaard en de feiten en omstandigheden van het geval terecht is geconcludeerd dat geen sprake was van gebruik in het kader van de normale bedrijfsvoering en van feitelijke beschikkingsmacht. Daarbij heeft de rechtbank betrokken dat appellant een melkveehouderij exploiteert, terwijl deze in het algemeen geen bospercelen exploiteren. Niet betwist is dat appellant de percelen niet heeft bemest en beweid noch heeft gebruikt voor teelt. Uit de door appellant met [naam 2] gesloten grondgebruiksovereenkomst blijkt niet dat appellant de feitelijke beschikkingsmacht had over de teelt en de bemesting van de percelen. Het onderhoud was uitbesteed aan derden en hij heeft op de gemaakte afspraken met betrekking tot het onderhoud feitelijk geen invloed gehad. Van strijd met het vertrouwensbeginsel is geen sprake. Niet gebleken is van een mondelinge of schriftelijke mededeling waaraan appellant het gerechtvaardigde vertrouwen mocht ontlenen dat hij de desbetreffende percelen tot de bij zijn bedrijf behorende landbouwgrond mocht rekenen. De rechtbank heeft naar aanleiding van het betoog van appellant dat de redelijke termijn is overschreden de boete om die reden gematigd met 10%. De stelling dat de staatssecretaris wegens bijzondere omstandigheden de boete had moeten matigen heeft de rechtbank, op grond van hetgeen zij onder 3.3 heeft overwogen, verworpen.